Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:2166

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
21 november 2023
Zaaknummer
23/1287 WAO-W2
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om wraking van lid wrakingskamer Centrale Raad van Beroep

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen het lid B.J. van de Griend van de wrakingskamer van de Centrale Raad van Beroep. Dit verzoek is voortgekomen uit onvrede over een eerdere uitspraak van 30 april 2015 waarbij Van de Griend betrokken was en waarin verzoeker meent dat belangrijk bewijs is genegeerd.

De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de enkele betrokkenheid van Van de Griend bij een eerdere zaak geen reden vormt om aan haar onpartijdigheid te twijfelen. De Raad benadrukt dat een rechter moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid, welke hier ontbreken.

Verzoeker bracht geen concrete feiten aan die een schijn van vooringenomenheid rechtvaardigen. Ook de door verzoeker aangehaalde conclusie van advocaat-generaal Niessen, die betrekking heeft op een andere situatie, leidt niet tot een ander oordeel. De wrakingskamer wijst het verzoek daarom af en behandelt het verzoek om herziening verder zoals oorspronkelijk samengesteld.

Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De beslissing is op 31 oktober 2023 in het openbaar uitgesproken door voorzitter T. Dompeling en leden E.C.E. Marechal en J.J. Janssen.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van het lid B.J. van de Griend is afgewezen wegens ontbreken van feiten die rechterlijke onpartijdigheid aantasten.

Uitspraak

23/1287 WAO-W2
Datum beslissing: 31 oktober 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022 in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
De behandeling ter zitting van het verzoek om herziening heeft plaatsgevonden op 7 september 2023. Deze zitting is voorgezeten door C.F.E. van Olden-Smit, lid van de enkelvoudige kamer (behandelend rechter).
Verzoeker heeft ter zitting verzocht om wraking van de behandelend rechter.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de wrakingskamer van de Raad op 6 oktober 2023. Daarbij is aan hen meegedeeld dat het verzoek om wraking zal worden behandeld door B.J. van de Griend, L.M. Tobé en K.M.P. Jacobs (de wrakingskamer).
Op 30 september 2023 heeft verzoeker op deze uitnodiging gereageerd met het verzoek om B.J. van de Griend te vervangen. Na een reactie hierop van de Raad heeft verzoeker op 2 oktober 2023 schriftelijk, en met toelichting, verzocht om wraking van de wrakingskamer.
De wrakingskamer heeft bij brief van 9 oktober 2023 op het verzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Het verzoek om wraking van de wrakingskamer is op 24 oktober 2023 ter zitting behandeld. Verzoeker is verschenen. De leden van de wrakingskamer hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook leden van de wrakingskamer kunnen worden gewraakt. [1]
2.1.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De voorzitter van de wrakingskamer, B.J. van de Griend, is als lid van een meervoudige kamer betrokken geweest bij een eerdere zaak van verzoeker. De Raad heeft in die zaak op 30 april 2015 uitspraak gedaan en de aangevallen uitspraak bevestigd. Verzoeker is het niet eens met deze uitspraak en is van mening dat Van de Griend in die zaak belangrijk bewijs heeft genegeerd en daarmee niet aan haar onderzoeksverplichting heeft voldaan. Volgens verzoeker brengt de betrokkenheid van Van de Griend bij die eerdere zaak daarom mee dat zij geen deel mag uitmaken van de wrakingskamer. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verzoeker ook op een conclusie van advocaat-generaal Niessen. [2]
2.2.
Uit wat verzoeker heeft aangevoerd en wat ter zitting is besproken, volgt dat de gronden van het wrakingsverzoek uitsluitend betrekking hebben op Van de Griend, als voorzitter van de wrakingskamer, en niet op de andere leden van deze kamer.
3.1.
De Raad komt tot het oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd met betrekking tot de betrokkenheid van Van de Griend bij de zaak uit 2015, niet tot het oordeel kan leiden dat sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt.
3.2.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. [3]
3.3.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de enkele omstandigheid dat een rechter eerder heeft geoordeeld in een zaak van eenzelfde partij geen grond vormt voor twijfel aan zijn onpartijdigheid. Dat is ook het geval indien daarbij door die rechter een voor die partij onwelgevallige procedurele of inhoudelijke beslissing is genomen. [4]
3.4.
De bezwaren van verzoeker komen er kort gezegd op neer dat hij geen vertrouwen in Van de Griend heeft, omdat zij volgens hem in het verleden onjuiste beslissingen heeft genomen. Dat levert gelet op wat in 3.3 is overwogen geen zwaarwegende aanwijzing op voor vooringenomenheid jegens verzoeker. Verzoeker heeft evenmin concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit (de schijn van) vooringenomenheid van Van de Griend kan worden afgeleid. Ook de conclusie van Niessen leidt niet tot een ander oordeel. Deze conclusie ziet op een andere situatie – namelijk of het lid van de enkelvoudige kamer dat in eerste instantie over de zaak heeft beslist ook het verzoek om herziening van die uitspraak mag behandelen – en is bovendien niet gevolgd door de Hoge Raad. [5]
4. Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen. Dat brengt mee dat het verzoek om wraking van Van Olden-Smit kan worden behandeld door de wrakingskamer zoals die oorspronkelijk is samengesteld.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door T. Dompeling als voorzitter en E.C.E. Marechal en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2023.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) S.S. Blok

Voetnoten

1.Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770.
2.Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:458.
3.Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2105.
5.Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1281, r.o. 3.3.2-3.3.3.