ECLI:NL:CRVB:2024:1074
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering en weigering WIA-uitkering bij onvoldoende wachttijd
Appellante werkte als medewerker servicedesk en meldde zich ziek op 3 oktober 2019. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe. Op 22 juni 2021 vroeg zij een WIA-uitkering aan. Na medisch en arbeidskundig onderzoek concludeerde het UWV dat appellante meer dan 65% van haar loon kon verdienen in passende functies en beëindigde de ZW-uitkering per 24 september 2021. De WIA-uitkering werd geweigerd omdat de wachttijd niet was vervuld.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV bevoegd was de ZW-uitkering te beëindigen, ook kort voor het einde van de wachttijd. De medische beoordeling was zorgvuldig en de arbeidskundige selectie passend. Appellante betoogde onder meer dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat sprake was van misbruik van recht, maar deze gronden werden verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelt dat het UWV terecht de ZW-uitkering beëindigde en de WIA-uitkering weigerde. De Raad wijst op de wettelijke bevoegdheid van het UWV en de bewuste keuze van de wetgever om instroom in de WIA te beperken. Wel wordt het beroep gegrond verklaard voor wat betreft de proceskostenvergoeding, die wordt verhoogd en het griffierecht wordt vergoed.
De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten aan appellante en bevestigt het overige oordeel van de rechtbank, waarmee het hoger beroep grotendeels wordt afgewezen.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd en de WIA-uitkering terecht geweigerd wegens niet vervulde wachttijd, met een aangepaste proceskostenvergoeding.