Appellanten ontvingen bijstand van september 2009 tot juni 2017. Naar aanleiding van politieonderzoek in 2016 werd vastgesteld dat zij gokactiviteiten hadden verricht zonder deze inkomsten te melden, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde. Het college trok de bijstand in en vorderde de teveel ontvangen bedragen terug.
Appellanten stelden dat zij alleen verlies hadden geleden met gokken en dat de gedragslijn van het college, die rekening houdt met verwervingskosten, ook voor de gehele periode zou moeten gelden. De Raad oordeelde dat de gedragslijn pas vanaf 1 januari 2017 geldt en dat appellanten de inlichtingenplicht hebben geschonden, ongeacht winst of verlies. Het beroep op dringende redenen om af te zien van terugvordering werd afgewezen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het terugvordering en boete betrof, en verklaarde het beroep tegen het nader besluit ongegrond. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met ruim 47 maanden was overschreden, waarvoor een schadevergoeding werd toegekend aan appellanten. Het college en de Staat werden veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht.