ECLI:NL:CRVB:2025:1526
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens schending inlichtingenplicht
In deze zaak gaat het om de intrekking van bijstand over meerdere maanden in 2020 en 2021 en de terugvordering van € 8.138,12 vanwege het niet melden van werkzaamheden door appellant. Een ambtenaar van de gemeente heeft op 26 momenten gezien dat appellant als stratenmaker werkte. Hoewel appellant stelt dat hij alleen een tas met boodschappen als vergoeding ontving en geen arbeidsovereenkomst bestond, oordeelt de Raad dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar zijn vanwege hun aard, omvang, duur en terugkerend karakter.
De Raad benadrukt dat voor het recht op bijstand niet alleen het daadwerkelijk genoten inkomen telt, maar ook het inkomen waarover redelijkerwijs kan worden beschikt. Dit volgt uit de artikelen 31 en 32 van de Participatiewet. Appellant heeft voorts een beroep gedaan op dringende redenen om terugvordering te voorkomen, verwijzend naar zijn gezondheidsproblemen en financiële situatie. De Raad stelt echter vast dat het college de terugvordering terecht heeft gehandhaafd, omdat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een afwijking rechtvaardigen.
De belangenafweging door het college wordt als evenwichtig beoordeeld en voldoet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en wijst het hoger beroep van appellant af.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering van kosten worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht en het ontbreken van dringende redenen.