ECLI:NL:CRVB:2025:845
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit UWV en overschrijding redelijke termijn
Appellant verzocht het UWV om vergoeding van fiscale schade, misgelopen zorgtoeslag, gemaakte kosten voor een boekhouder en immateriële schade. Na aanvankelijke afwijzing kende het UWV in hoger beroep vergoedingen toe voor fiscale schade en zorgtoeslag, en stelde een immateriële schadevergoeding van €2.500 voor.
Appellant betoogde dat de immateriële schadevergoeding te laag was, omdat hij langdurig in onzekerheid verkeerde, financieel zwaar getroffen was, en daardoor ook arbeidsconflicten en gezondheidsproblemen had gekregen. Hij vorderde bovendien schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende concrete gegevens had aangeleverd voor geestelijk letsel, maar erkende dat hij op andere wijze in zijn persoon was aangetast door langdurige onzekerheid en financiële problemen, waardoor een vergoeding van €2.500 passend is. De procedure duurde ruim vijf jaar, waarbij de redelijke termijn met bijna twee jaar werd overschreden, wat een vergoeding van €2.000 rechtvaardigt.
De Raad verdeelde de vergoeding wegens termijnoverschrijding tussen de Staat (€1.478) en het UWV (€522). Tevens werden proceskosten en griffierecht aan appellant toegekend. Hiermee werd het verzoek deels toegewezen en werd het UWV en de Staat veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en kosten.
Uitkomst: Appellant ontvangt een immateriële schadevergoeding van €2.500 en een vergoeding van €2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.