ECLI:NL:CRVB:2026:11
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding als gevolg van misgelopen werkgeversbijdrage in pensioenpremie en overschrijding van redelijke termijn
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, waarin hij een schadevergoeding vroeg wegens het niet opleggen van een loonsanctie aan zijn werkgever door het Uwv. Appellant, die als sales director werkte, had zich per 31 oktober 2016 ziekgemeld. Het Uwv had erkend dat een loonsanctie opgelegd had moeten worden, maar had dit niet gedaan, waardoor appellant schade heeft geleden door het niet betalen van pensioenpremies in het derde ziektejaar. De rechtbank had appellant een schadevergoeding van € 1.360,- voor pensioenschade toegekend, maar andere schadeposten, zoals loonschade en immateriële schade, werden afgewezen. Appellant was het niet eens met de hoogte van de schadevergoeding en stelde dat hij recht had op een hoger bedrag. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de rechtbank de pensioenschade correct had vastgesteld op € 1.360,-, maar dat appellant recht had op een hogere schadevergoeding van € 6.589,36. Daarnaast oordeelde de Raad dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van € 3.500,-. De uiteindelijke beslissing was dat het Uwv de schadevergoeding moest verhogen en de Staat der Nederlanden aansprakelijk was voor de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.