ECLI:NL:CRVB:2026:11
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Vergoeding pensioenschade en schade wegens overschrijding redelijke termijn na niet opleggen loonsanctie
Appellant, sales director bij een werkgever, meldde zich ziek en ontving een WIA-uitkering nadat het UWV ten onrechte geen loonsanctie aan de werkgever oplegde. Hierdoor werd in het derde ziektejaar geen pensioenpremie betaald, wat schade veroorzaakte. De rechtbank kende een beperkte pensioenschadevergoeding toe en wees andere schadeposten af.
In hoger beroep stelde appellant dat de pensioenschadevergoeding te laag was en dat ook andere schadeposten onterecht werden afgewezen. De Raad volgde appellant deels en verhoogde de pensioenschadevergoeding naar € 6.589,36, gebaseerd op een berekening van toekomstige pensioenopbouw, maar wees de overige schadeposten af.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, wat leidde tot een immateriële schadevergoeding van € 3.500,-. De Staat werd hiervoor aansprakelijk gesteld. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de pensioenschade en het griffierecht. De overige vorderingen werden afgewezen.
Uitkomst: Schadevergoeding voor pensioenschade vastgesteld op € 6.589,36 en vergoeding van € 3.500,- wegens overschrijding redelijke termijn toegekend.