ECLI:NL:CRVB:2026:11

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
20/1846 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding als gevolg van misgelopen werkgeversbijdrage in pensioenpremie en overschrijding van redelijke termijn

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, waarin hij een schadevergoeding vroeg wegens het niet opleggen van een loonsanctie aan zijn werkgever door het Uwv. Appellant, die als sales director werkte, had zich per 31 oktober 2016 ziekgemeld. Het Uwv had erkend dat een loonsanctie opgelegd had moeten worden, maar had dit niet gedaan, waardoor appellant schade heeft geleden door het niet betalen van pensioenpremies in het derde ziektejaar. De rechtbank had appellant een schadevergoeding van € 1.360,- voor pensioenschade toegekend, maar andere schadeposten, zoals loonschade en immateriële schade, werden afgewezen. Appellant was het niet eens met de hoogte van de schadevergoeding en stelde dat hij recht had op een hoger bedrag. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de rechtbank de pensioenschade correct had vastgesteld op € 1.360,-, maar dat appellant recht had op een hogere schadevergoeding van € 6.589,36. Daarnaast oordeelde de Raad dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van € 3.500,-. De uiteindelijke beslissing was dat het Uwv de schadevergoeding moest verhogen en de Staat der Nederlanden aansprakelijk was voor de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

20/1846 WIA
Datum uitspraak: 7 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2020, 19/609 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het niet opleggen van een loonsanctie aan de werkgever van appellant. Het Uwv heeft erkend dat een loonsanctie opgelegd had moeten worden. De rechtbank heeft appellant een schadevergoeding van € 1.360,- voor pensioenschade toegekend en het verzoek om schadevergoeding voor het overige afgewezen. Appellant vindt dat de door de rechtbank toegekende vergoeding voor pensioenschade op een te laag bedrag is vastgesteld en dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding voor de overige posten ten onrechte heeft afgewezen. De Raad volgt appellant ten aanzien van de pensioenschade en stelt de schadevergoeding hiervoor vast op € 6.589,36. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het verzoek om schade voor het overige wordt afgewezen. De Raad oordeelt verder dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.500,-.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2023. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. Appellant heeft gereageerd op vragen van de Raad. Het Uwv heeft op verzoek van de Raad gereageerd op de reactie van appellant.
Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant werkte als sales director bij [naam werkgever B.V.] (werkgever) tegen een salaris boven het maximum dagloon voor de werknemersverzekeringen. Per 31 oktober 2016 heeft hij zich ziekgemeld. Gedurende de wachttijd van twee jaar voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de werkgever het loon van appellant doorbetaald, waarbij het loon in het tweede ziektejaar is beperkt tot 70%. Appellant heeft tijdens de wachttijd de beschikking gehouden over bijkomende voorzieningen van de werkgever, waaronder het gebruik van een leaseauto, laptop en smartphone.
1.2.
Het Uwv heeft appellant in een besluit van 1 november 2018 met ingang van 30 oktober 2018 een uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, omdat hij met ingang van die datum 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. In het besluit is verder vermeld dat de werkgever niet voldoende heeft gedaan aan zijn re-integratie waardoor het loon langer zou moeten worden doorbetaald. Hierover had het Uwv de werkgever vóór het einde van de wachttijd moeten informeren. Omdat dit niet is gebeurd, kan het Uwv de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever niet meer verlengen.
1.3.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 november 2018 omdat hij van mening is dat het Uwv aan de werkgever een loonsanctie had moeten opleggen in plaats van aan hem een WIA-uitkering toe te kennen. Verder heeft appellant gesteld dat het Uwv onrechtmatig heeft gehandeld door geen loonsanctie op te leggen en heeft hij het Uwv aansprakelijk gesteld voor de als gevolg daarvan door hem geleden en te lijden schade, zowel materieel als immaterieel.
1.4.
Bij besluit van 3 januari 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard omdat niet meer tot verlenging van de loondoorbetalingsplicht kan worden overgegaan. In het besluit is vermeld dat het verzoek om schade in een aparte procedure in behandeling zal worden genomen.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
Appellant heeft in beroep tegen het bestreden besluit verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat het Uwv aan de werkgever een loonsanctie had moeten opleggen en dat het niet opleggen hiervan onrechtmatig is jegens appellant, die daardoor potentieel kan worden benadeeld. De rechtbank heeft voor het beoordelingskader voor het verzoek om schadevergoeding verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad die is gebaseerd op door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten. [1] De rechtbank heeft beoordeeld wat de financiële situatie van appellant zou zijn als het Uwv aan de werkgever wél een loonsanctie had opgelegd. Die hypothetische situatie heeft de rechtbank vervolgens vergeleken met de daadwerkelijke financiële situatie van appellant om te bezien of er schade is geleden. Het is aan appellant om de relevante feiten en omstandigheden te onderbouwen en zo nodig te bewijzen die noodzakelijk zijn voor het maken van deze vergelijking. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant van € 1.360,- en wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 oktober 2018. Ook is het Uwv opgedragen aan appellant het griffierecht en de gemaakte proceskosten te vergoeden.
2.2.
De rechtbank heeft over de door appellant gestelde loonschade overwogen dat de werkgever in het derde ziektejaar op grond van het bepaalde in artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in beginsel niet gehouden was om meer dan 70% van het maximum dagloon te betalen. In de voor appellant geldende cao is voor het derde ziektejaar geen andere regeling opgenomen. Ook is niet gebleken dat de werkgever en appellant apart van de cao individuele afspraken hebben gemaakt over loondoorbetaling in het derde ziektejaar. Dat in de eerste loonperiode van het derde ziektejaar door de werkgever meer dan 70% van het maximum dagloon is doorbetaald, is onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat de werkgever die betaling ongewijzigd zou hebben voortgezet in de rest van het derde ziektejaar. Dat de werkgever zonder daartoe verplicht te zijn gedurende een jaar een te hoog salaris zou blijven betalen, is niet aannemelijk en door appellant verder niet onderbouwd. De loonschade is volgens de rechtbank daarom niet meer dan 70% van het maximum dagloon. Bij de berekening van de schadevergoeding moet over het bedrag aan gemist loon de over de betreffende periode ontvangen uitkering in mindering worden gebracht. Omdat de WIA-uitkering ook 70% van het maximum dagloon bedraagt, is de loonschade hiermee volledig gecompenseerd. De gestelde loonschade komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
2.3.
De rechtbank heeft het door het Uwv aan appellant te vergoeden bedrag voor pensioenschade op € 1.360.- vastgesteld. De rechtbank heeft hiertoe gewezen op rechtspraak van de Raad waarin is bepaald dat de door de werknemer misgelopen werkgeversbijdrage in de pensioenpremie in beginsel als te verhalen schade is aan te merken. [2] Het door appellant gebruikte rekenmodel en de daarbij behorende berekening waarmee hij inzichtelijk heeft willen maken dat zijn schade hoger is omdat hij een groter bedrag zal moeten inleggen om zelf tot een vergelijkbaar pensioenbedrag te komen, bevatten naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheden en aannames over toekomstige economische ontwikkelingen. Daarom wordt door de rechtbank de pensioenschade enkel gebaseerd op de misgelopen premie die door de werkgever in het derde ziektejaar zou zijn afgedragen over een salaris gebaseerd op 70% van het maximum dagloon. Dit is € 38.996,- in het derde ziektejaar. Na aftrek van de franchise van € 13.344,- wordt de pensioengrondslag € 25.652,-. Uit de door appellant ingebrachte stukken volgt dat de pensioenpremie die de werkgever over de grondslag afdroeg tot 1 oktober 2018 5,3% bedroeg. Dit leidt tot een pensioenschade van € 1.360,- (5,3% x € 25.652,-). Het Uwv moet over dat bedrag ook de wettelijke rente vergoeden vanaf 30 oktober 2018, de datum waarop de loonsanctie zou zijn ingegaan.
2.4.
De rechtbank heeft over de schade door niet genoten verlofdagen in het derde ziektejaar overwogen dat de vraag of de werknemer aanspraak kan maken op een geldelijke vergoeding voor niet genoten ATV-dagen afhankelijk is van wat partijen daarover overeen zijn gekomen, dan wel wat daarover in een cao is bepaald. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op een arrest van de Hoge Raad. [3] In de bepaling over de ATV-dagen uit het arbeidsvoorwaardenreglement, noch in de voor appellant geldende cao is bepaald dat niet genoten ATV-dagen kunnen worden vergoed. Dat de werkgever in het arbeidsvoorwaardenreglement geen onderscheid maakt tussen ATV-dagen en vakantiedagen geeft geen verplichting voor de werkgever tot uitbetaling van niet genoten ATV-dagen. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat de niet genoten ATV-dagen niet als schade voor vergoeding in aanmerking komen. Het feit dat appellant in het derde ziektejaar 25 reguliere vakantiedagen zou opbouwen, betekent niet dat bij een opgelegde loonsanctie bij het einde van de arbeidsovereenkomst ook 25 vakantiedagen tot uitbetaling zouden zijn gekomen. Appellant zou in het derde ziektejaar in staat moeten worden geacht passende werkzaamheden in het kader van re-integratie te verrichten. Dit heeft tot gevolg dat hij in beginsel ook vakantiedagen had kunnen opnemen. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat niet aannemelijk is dat appellant in het derde ziektejaar in een situatie zou hebben verkeerd waarin hij redelijkerwijs niet in staat zou zijn geweest om vakantiedagen op te nemen. Ook deze gestelde schade komt niet voor vergoeding in aanmerking.
2.5.
Over de schade door gemist privégebruik van de leaseauto met tankpas heeft de rechtbank overwogen dat hiervoor net als voor de loonschade geldt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkgever in het derde ziektejaar daadwerkelijk gehouden was om appellant de beschikking te laten houden over de leaseauto. Appellant heeft geen informatie uit zijn arbeidsovereenkomst of anderszins overgelegd waaruit blijkt welke afspraken er tussen hem en de werkgever op papier precies bestonden over het privégebruik van de leaseauto. Dat appellant op grond van zijn arbeidsovereenkomst of bijkomende afspraken het recht had om de leaseauto gedurende ziekte, en meer specifiek tijdens het derde ziektejaar, privé te mogen blijven gebruiken is zonder die informatie niet aannemelijk. Dat appellant de auto in het derde ziektejaar nog een periode heeft mogen gebruiken en dat door de leasemaatschappij op 23 november 2018 nog een nieuwe brandstofpas is verstrekt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De feitelijke terbeschikkingstelling gedurende een deel van dat jaar is niet voldoende om uit af te leiden dat die situatie zich gedurende het gehele derde ziektejaar zou hebben voortgezet als een loonsanctie was opgelegd. Daarmee staat ook niet vast dat appellant op dit punt schade heeft geleden ná het derde ziektejaar in verband met de dan latere beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Het oordeel van de rechtbank over de leaseauto geldt ook voor de door appellant geclaimde schade door gemist privégebruik van smartphone, laptop en internet.
2.6.
De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat bij hem door het niet opleggen van een loonsanctie sprake is geweest van geestelijk letsel dat is aan te merken als aantasting van zijn persoon. Uit de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling volgt niet dat de psychische klachten van appellant daadwerkelijk zijn verslechterd doordat het Uwv geen loonsanctie heeft opgelegd. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in het standpunt dat de gestelde immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Standpunten van partijen
3.1.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank een onjuist beoordelingskader heeft toegepast. Er is volgens hem een verschil tussen het beoordelen van de schade van een werkgever wegens een ten onrechte opgelegde loonsanctie of schade van een werknemer als ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd. Daarbij gaat het bij de verschillende schadeposten er niet om dat appellant iets aantoont, maar dat hij de vermoedelijke toestand aannemelijk maakt waarin hij met de loonsanctie had verkeerd. Hij stelt dat hij voldoende heeft aangetoond dat de werkgever in het derde ziektejaar 70% van zijn loon zou betalen in plaats van 70% van het maximum dagloon. Hij is het er niet mee eens dat de rechtbank hem geen schadevergoeding heeft toegekend voor de verschillende door hem gestelde posten en heeft zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden over deze posten herhaald. Daarnaast heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de toegekende schadevergoeding voor de pensioenschade te laag is. Hij heeft onder verwijzing naar uitspraken van de Raad van 9 december 2015 [4] en 20 januari 2016 [5] aangevoerd dat uitgegaan moet worden van zijn ook in bezwaar en beroep ingebrachte berekening van de hoogte van de door hem te lijden pensioenschade van € 18.479,52. Hij heeft de berekening van dit bedrag gebaseerd op een pensioengrondslag in het jaar 2019 van € 71.939,92, een gegarandeerde pensioenopbouw per jaar van 1,875% van de pensioengrondslag en een levensverwachting van 13,7 jaar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De door de rechtbank gehanteerde pensioengrondslag van € 25.652,- is volgens appellant onjuist.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen, maar heeft daarbij gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan over het bestreden besluit. Ter zitting heeft het Uwv onder meer naar voren gebracht dat appellant de door de rechtbank toegekende schadevergoeding kan gebruiken voor een pensioenvoorziening.
3.3.
De Raad heeft het onderzoek heropend om appellant een berekening voor te leggen uitgaande van de door de rechtbank gehanteerde pensioengrondslag en de door appellant gehanteerde berekeningswijze van zijn pensioenschade. Deze berekening leidt tot een bedrag van € 6.589,36 (1,875% van € 25.652,- x 13,7 jaar). Daarbij is vermeld dat door het Uwv ter zitting naar voren is gebracht dat wanneer de door de rechtbank toegekende schadevergoeding van € 1.360,- wordt ingelegd in een pensioenfonds of een spaarfonds een resultaat bereikt kan worden dat (ongeveer) gelijk is aan het bedrag van € 6.589,36.
3.4.
Appellant heeft in een reactie van 26 februari 2024 naar voren gebracht dat, als wordt uitgegaan van de berekeningswijze op basis van de nieuwe pensioenregeling van zijn werkgever en de door de rechtbank berekende pensioengrondslag van € 25.652,-, dit inderdaad leidt tot een bedrag van € 6.589,36. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat dit bedrag feitelijk echter niet kan worden bereikt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verschillende berekeningen bijgevoegd waaruit volgens hem volgt dat hij met een inleg van € 1.360,- geen € 6.589,36 kan bereiken. Hij handhaaft zijn standpunt dat het Uwv het (netto equivalent van het) bedrag van € 18.479,52 aan pensioenschade moet vergoeden.
3.5.
Het Uwv heeft in reactie hierop in een brief van 1 juli 2024 naar voren gebracht dat het primaire standpunt is dat in gevallen waarin ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd, in beginsel alleen wat door de werkgever in het derde ziektejaar aan pensioenpremies zou zijn afgedragen als te verhalen schade is aan te merken. Dat wat een werknemer ooit in totaal aan ouderdomspensioen zal ontvangen staat te ver verwijderd van het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie en is daarbij afhankelijk van factoren die allerlei onzekerheden bevatten, zoals de indexatie van ouderdomspensioenen, en waar het Uwv buiten staat. Subsidiair is het Uwv van mening dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat de door de rechtbank toegekende schadevergoeding van € 1.360,- onvoldoende is om de gegarandeerde pensioenuitkering te kunnen bereiken en dat appellant bij zijn berekeningen onjuiste uitgangspunten hanteert.
3.6.
Het Uwv heeft verder naar voren gebracht dat namens het Uwv ter zitting geen bedrag is genoemd waartoe de inleg van € 1.360,- kan uitgroeien. Omdat bij een gegarandeerd, vast pensioen, zoals het pensioen van appellant, de hoogte van de pensioenuitkering per jaar of per maand wél exact is te bepalen, is door de vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting aangegeven dat een hogere schadevergoeding redelijk zou zijn, indien appellant zou kunnen aantonen dat de door de rechtbank toegekende schadevergoeding onvoldoende is om een bedrag gelijk aan het misgelopen gegarandeerde pensioen op te bouwen. Omdat de pensioenregels na 1 juli 2023 zijn veranderd waardoor veel gegarandeerde pensioenen omgezet worden in een beleggingspensioen, is de hoogte van de pensioenuitkering van appellant echter toch onzeker. Daarom kan niet worden gesteld dat appellant met een inleg van de door de rechtbank toegekende schadevergoeding een bedrag van € 6.589,36 moet bereiken.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Ter zitting is vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het Uwv onrechtmatig heeft gehandeld jegens appellant doordat het Uwv de werkgever geen loonsanctie heeft opgelegd en dat niet van belang is of de rechtbank een oordeel geeft over het besluit van 3 januari 2019. Verder staat vast dat het Uwv geen afzonderlijk besluit over de door appellant verzochte schadevergoeding heeft genomen.
4.2.
De Raad beoordeelt of de rechtbank de schadevergoeding als gevolg van de misgelopen werkgeversbijdrage in de pensioenpremie terecht op € 1.360,- heeft vastgesteld en of het verzoek om schadevergoeding voor de andere posten terecht is afgewezen aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Appellant maakt aanspraak op een hogere schadevergoeding als gevolg van de misgelopen werkgeversbijdrage in de pensioenpremie. De standpunten van appellant over de andere schadeposten worden niet gevolgd. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Schade algemeen
4.3.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank over het beoordelingskader in deze zaak. De Raad voegt hier aan toe dat voor vergoeding van schade, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het BW, is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij aan het bestuursorgaan, ook gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. [6] Daarbij geldt als beginsel dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is, met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. [7]
Schade in verband met loonsanctie
4.4.
De Raad heeft op 9 december 2015 in drie zaken uitspraak gedaan over schade door een onterecht opgelegde loonsanctie en een ten onrechte niet opgelegde loonsanctie. [8] In deze uitspraken is in de zaken waarin onterecht een loonsanctie aan een werkgever is opgelegd, nader uiteengezet langs welke lijn moet worden beoordeeld of betalingen die de werkgever gedurende de periode van de onterechte loonsanctie heeft gedaan, in een zodanig verband staan met de loondoorbetaling dat deze schadeposten als gevolg van het onrechtmatige besluit aan het Uwv kunnen worden toegerekend en voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komen. [9] Uit de uitspraak van 9 december 2015 in de zaak waarin ten onrechte geen loonsanctie was opgelegd [10] en de uitspraak van 20 januari 2016 [11] volgt dat er geen aanleiding is om het verzoek van een werknemer om loonschade te vergoeden als gevolg van een ten onrechte niet opgelegde loonsanctie, op andere wijze te benaderen dan het verzoek van een werkgever die stelt schade te hebben geleden door een ten onrechte opgelegde loonsanctie.
Loonschade
4.5.
Uit de uitspraken van 9 december 2015 en 20 januari 2016 volgt ook dat als ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd, het Uwv bij de berekening van de aan een werknemer verschuldigde schadevergoeding alleen niet ontvangen betalingen tot uitgangspunt hoeft te nemen waartoe de werkgever op grond van het in stand blijven van de overeenkomst tussen werkgever en werknemer gedurende het derde ziektejaar verplicht zou zijn. De Raad onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank over de loonschade volledig. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in deze zaak niet is komen vast te staan dat de werkgever in het derde ziektejaar meer dan 70% van het maximum dagloon zou hebben doorbetaald.
Pensioenschade
4.6.
Appellant heeft schade geleden doordat door de werkgever geen pensioenpremie is ingelegd in het derde ziektejaar, wat de werkgever wel zou hebben gedaan als een loonsanctie zou zijn opgelegd. Uit de uitspraken van 9 december 2015 [12] en 17 februari 2016 [13] kan worden afgeleid dat wat de werknemer in het derde ziektejaar als gevolg van niet betaalde werkgeversbijdrage in de pensioenpremie aan pensioenopbouw is misgelopen in beginsel tot op het Uwv te verhalen schade kan leiden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de werkgever in het derde ziektejaar niet meer dan 70% van het maximum dagloon zou moeten betalen. De door de rechtbank vastgestelde pensioengrondslag van € 25.652,- is dan ook juist.
4.7.
De Raad volgt niet het primaire standpunt van het Uwv dat in beginsel alleen wat door de werkgever in het derde ziektejaar aan pensioenpremies zou zijn afgedragen als te verhalen schade is aan te merken. Op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan ook toekomstige schade in aanmerking komen voor vergoeding. Zoals overwogen in 4.3 wordt volgens vaste rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om de gevraagde schadevergoeding toe te kennen. Op grond van artikel 6:105 van het BW komt ook nog niet ingetreden schade voor vergoeding in aanmerking wanneer de goede en kwade kansen zijn meegenomen.
4.8.
Appellant heeft in deze zaak voldoende aannemelijk gemaakt dat hij met de door de rechtbank toegekende schadevergoeding van € 1.360,- ter hoogte van de misgelopen premies in het derde ziektejaar, niet in de toestand gebracht kan worden zoals die zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende besluit zich niet zou hebben voorgedaan. Dit is een rechtstreeks gevolg van het niet opleggen van de loonsanctie. Indien de werkgever in het derde ziektejaar de pensioenpremies had betaald, had dat tot een bepaalde pensioenopbouw geleid. Appellant heeft met zijn berekeningen voldoende inzichtelijk onderbouwd dat hij als gevolg van het staken van premiebetalingen in het derde ziektejaar in de toekomst meer schade zal lijden in de vorm van een lagere pensioenuitkering. De Raad volgt appellant in de wijze waarop die schade kan worden begroot en gaat daarbij uit van de volgende uitgangspunten: de gemiddelde levensverwachting van 13,7 jaar na de pensioengerechtigde leeftijd zoals deze in 2018 was, de door de rechtbank gehanteerde franchise en de pensioengrondslag van € 25.652,-. Dit betekent dat de ingelegde premie zou leiden tot het in 3.3 genoemde bedrag van € 6.589,36. Deze berekeningswijze heeft het Uwv als zodanig niet betwist. Voor het oordeel dat de schade van appellant mede een gevolg is van een omstandigheid die hem kan worden toegerekend, ziet de Raad geen aanknopingspunten. De enkele stelling van het Uwv dat appellant het door de rechtbank toegekende bedrag aan schadevergoeding had kunnen inleggen of beleggen, is daarvoor onvoldoende.
Andere schadeposten
4.9.
Appellant heeft over de andere schadeposten in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden voldoende besproken en gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt daar voor wat betreft de door appellant gevraagde immateriële schadevergoeding het volgende aan toe.
4.10.
Uit rechtspraak van onder andere de Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich beroept op geestelijk letsel, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat er sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. De aard en de ernst van de normschending kunnen meebrengen dat de in dat verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. [14]
4.11.
De Raad is van oordeel dat appellant onvoldoende concrete gegevens heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het niet opleggen van de loonsanctie door het Uwv. De door appellant ingebrachte ongedateerde verklaring van de psycholoog is hiervoor onvoldoende. Hierin is alleen vermeld dat stress een contraproductieve factor is in het kader van het herstel en dat door de aanhoudende (hoofdzakelijk van buitenaf komende) stressfactoren het niet mogelijk is een (tijds-)indicatie te geven voor het verdere herstelproces.
4.12.
Uit wat in 4.6 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat de rechtbank geen juist bedrag aan schadevergoeding heeft vastgesteld, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre niet kan worden gehandhaafd. In totaal heeft appellant recht op een schadevergoeding van € 6.589,36.
Redelijke termijn
5.1.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [15]
5.3.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 7 december 2018 tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en een maand verstreken, terwijl er geen omstandigheden zijn die een langere behandelduur dan vier jaar rechtvaardigen. De redelijke termijn is dan ook met drie jaar en een maand overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 3.500,-.
5.4.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv minder dan een maand geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn heeft zich dus in zijn geheel bij de bestuursrechter voorgedaan. Dit betekent dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 3.500,-.

Conclusie en gevolgen

6. Uit 4.12 volgt dat de hoogte van de schadevergoeding voor rekening van het Uwv wordt vastgesteld op € 6.589,36, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft appellant recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 3.500, wat voor rekening komt van de Staat.
7. Er is niet gebleken van proceskosten in hoger beroep. Wel moet het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het Uwv is veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant van € 1.360,- en bepaalt de schadevergoeding op € 6.589,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2018;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van € 3.500,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en C. Karman en M.L. Noort als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
(getekend) E. Dijt
(getekend) C.E.A. Tessemaker

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Awb

Artikel 8:88
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
[…]
Artikel 8:91
1. Indien het verzoek wordt gedaan gedurende het beroep tegen of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, wordt het ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is.
[…]

BW

Artikel 6:101
1. Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
[…]
Artikel 6:105
1. De begroting van nog niet ingetreden schade kan door de rechter geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld of na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden. In het laatste geval kan de rechter de schuldenaar veroordelen, hetzij tot betaling van een bedrag ineens, hetzij tot betaling van periodiek uit te keren bedragen, al of niet met verplichting tot zekerheidstelling; deze veroordeling kan geschieden onder door de rechter te stellen voorwaarden.
[…]
Artikel 6:106
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
[…]
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

Voetnoten

1.De rechtbank noemt als voorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:102.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 20 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:295.
3.Zie het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9633.
4.CRvB 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4248.
5.CRvB 20 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:295.
6.Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446 en van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.
7.Vergelijk ook het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539.
10.CRvB 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4248.
11.CRvB 20 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:295.
12.CRvB 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4248.
13.CRvB 17 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:498.
14.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:961 en de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.
15.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.