Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2018 bijstand en werd onderzocht vanwege vermoedens van handel in voertuigen die kortstondig op zijn naam stonden. Het college stelde vast dat appellant de inlichtingenverplichting schond door deze handelstransacties niet te melden, waardoor ten onrechte bijstand werd verleend.
Het college trok de bijstand over de periode februari 2021 tot juni 2023 in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug, vermeerderd met een boete. Appellant voerde aan dat hij geen handel dreef en dat de gebruikte schattingen onjuist waren, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook stelde hij dat er sprake was van profilering en dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen, wat de Raad verwierp.
De Raad oordeelde dat het college terecht het recht op bijstand op nihil heeft gesteld, de terugvordering en boete rechtmatig zijn opgelegd en dat het verzoek om schadevergoeding en vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet toewijsbaar is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en de opgelegde boete worden bevestigd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.