ECLI:NL:CRVB:2026:208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW- en ZW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant had een WW-uitkering ontvangen over de periode 1 december 2020 tot en met 18 juli 2021 en een ZW-uitkering vanaf 19 juli 2021. Het UWV trok deze uitkeringen in omdat appellant niet als werknemer verplicht verzekerd was, wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [naam b.v. 1].
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant niet werkzaam was en geen loon ontving. Appellant voerde in hoger beroep tegenbewijs aan, waaronder loonstroken, getuigenverklaringen en bankafschriften, maar de Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat dit niet overtuigend was en onvoldoende objectief en verifieerbaar.
De Raad overwoog uitgebreid de criteria voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst en concludeerde dat appellant geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had. Ook werd geoordeeld dat het UWV terecht geen dringende redenen zag om van intrekking af te zien. Wel werd vastgesteld dat de procedure langer dan de redelijke termijn had geduurd, waardoor appellant recht heeft op een schadevergoeding van € 500,-. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekkingsbesluiten bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WW- en ZW-uitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking; appellant ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.