ECLI:NL:CRVB:2026:208

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23/2708 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 3 WWArt. 22a WWArt. 7 ZWArt. 30a ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WW- en ZW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking

Appellant had een WW-uitkering ontvangen over de periode 1 december 2020 tot en met 18 juli 2021 en een ZW-uitkering vanaf 19 juli 2021. Het UWV trok deze uitkeringen in omdat appellant niet als werknemer verplicht verzekerd was, wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [naam b.v. 1].

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant niet werkzaam was en geen loon ontving. Appellant voerde in hoger beroep tegenbewijs aan, waaronder loonstroken, getuigenverklaringen en bankafschriften, maar de Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat dit niet overtuigend was en onvoldoende objectief en verifieerbaar.

De Raad overwoog uitgebreid de criteria voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst en concludeerde dat appellant geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had. Ook werd geoordeeld dat het UWV terecht geen dringende redenen zag om van intrekking af te zien. Wel werd vastgesteld dat de procedure langer dan de redelijke termijn had geduurd, waardoor appellant recht heeft op een schadevergoeding van € 500,-. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekkingsbesluiten bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WW- en ZW-uitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking; appellant ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

23/2708 WW
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2708 WW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 augustus 2023, 22/2368 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de WW-uitkering van appellant over de periode van 1 december 2020 tot en met 18 juli 2021 en de ZW-uitkering van appellant per 19 juli 2021 terecht heeft ingetrokken, omdat appellant niet als werknemer verplicht verzekerd was voor de werknemersverzekeringen wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Bosveld, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken en reacties ingediend.
De Raad heeft partijen in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 [1] over het toetsingskader bij herzienings- en/of terugvorderingsbesluiten de Raad te informeren of de uitspraak volgens hen gevolgen heeft voor deze zaak. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
Bij brief van 9 januari 2025 heeft appellant stukken ingebracht van een tegen hem lopende strafrechtelijke procedure en verzocht om aanhouding van de zaak in verband met deze procedure.
Bij brief van 7 april 2025 heeft appellant de Raad op de hoogte gebracht van het besluit van het Openbaar Ministerie om de strafzaak te seponeren en nadere stukken ingebracht. Het Uwv heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bosveld en mr. M.M.P.E van Helmond, advocaat en medegemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.
De door de Raad opgeroepen en gedetineerde getuige [getuige 1] is wegens technische problemen niet gehoord. De door appellant opgeroepen getuigen [getuige 2] en [getuige 3] zijn niet verschenen. De door appellant opgeroepen en meegebrachte getuigen [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] zijn ter zitting gehoord. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de overige getuigen alsnog op een nadere zitting te horen.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 15 oktober 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bosveld en mr. Van Helmond (via videoverbinding). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. Tijdens de zitting is de door de Raad opgeroepen getuige, [getuige 1] , gehoord. De door appellant opgeroepen getuigen [getuige 2] en [getuige 3] zijn opnieuw niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Op 1 februari 2021 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij van 2 januari 2020 tot en met 2 november 2020 werkzaam is geweest bij [naam b.v. 1] ( [naam b.v. 1] ). Bij besluit van 22 februari 2021 heeft het Uwv appellant met ingang 1 december 2020 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Appellant heeft zich vanuit deze situatie per 19 april 2021 ziekgemeld. Nadat de WW-uitkering nog dertien weken is doorbetaald, is aan appellant met ingang van 19 juli 2021 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
Naar aanleiding van een onderzoek van het Uwv naar mogelijke NOW-fraude bij [naam b.v. 1] is op 28 april 2021 een interne melding gedaan over – onder meer – appellant. Het Uwv heeft vervolgens onderzoek verricht naar een mogelijk gefingeerd dienstverband van appellant met [naam b.v. 1] . De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 1 december 2021. Het Uwv heeft onder meer informatie ingewonnen bij de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst en bankafschriften van appellant gevorderd bij de bank. Daarnaast is appellant op 19 augustus 2021 in het kader van het onderzoek op gesprek geweest op het Uwv-kantoor te Rotterdam. Hiervan is een gespreksverslag opgemaakt.
1.3.
Bij besluit van 2 december 2021 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant over de periode van 1 december 2020 tot en met 18 juli 2021 ingetrokken. Appellant is niet als werknemer te beschouwen, omdat uit onderzoek is gebleken dat appellant niet heeft gewerkt en geen loon heeft ontvangen van [naam b.v. 1] in de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 oktober 2020 en daarom niet verplicht verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. Appellant heeft daarom geen recht op een WW-uitkering.
1.4.
Bij besluit van 3 december 2021 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 19 juli 2021 ingetrokken. Omdat appellant geen recht heeft op WW nu hij niet verplicht verzekerd is voor de werknemersverzekeringen, heeft hij ook geen recht op een ZWuitkering.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 30 maart 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 2 en 3 december 2021 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat op basis van de bevindingen in het onderzoeksrapport geconcludeerd kan worden dat aan twee van de drie criteria voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking niet wordt voldaan, namelijk het verrichten van arbeid en het betalen van loon. Volgens het Uwv vormen de door appellant overgelegde loonstroken en andere bewijsstukken, zoals de arbeidsovereenkomst tussen appellant en [naam b.v. 1] , een ontslagbrief, kwitanties van contante betalingen van [naam bestuurder] (bestuurder van [naam b.v. 1] in 2020) aan appellant en één betaling per bank, geen bewijs dat er feitelijk is gewerkt en loon is betaald. Subsidiair heeft het Uwv gesteld dat appellant niet per 1 november 2020 werkloos is geworden, omdat in de polisadministratie slechts een dienstverband bekend is bij [naam b.v. 1] van 2 januari 2020 tot en met 30 juni 2020.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv met de uiteenzetting van de feiten en de verschillende onderzoeksbevindingen in het onderzoeksrapport van 1 december 2021, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van belang niet werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [naam b.v. 1] . Appellant heeft volgens de rechtbank de onjuistheid hiervan niet aannemelijk gemaakt met tegenbewijs dat berust op objectieve en verifieerbare gegevens. De door appellant in beroep overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen zijn niet verifieerbaar, nu hierin geen contactgegevens zijn opgenomen en deze niet zijn voorzien van een kopie van een geldig legitimatiebewijs. Bovendien heeft appellant de namen van de personen van wie de verklaringen afkomstig zouden zijn, niet eerder genoemd. In het gesprek met de themaonderzoekers van het Uwv is appellant gevraagd of hij (onder meer) [getuige 1] en [naam 2] kende, maar dit heeft appellant toen ontkennend beantwoord. Dat appellant vervolgens verklaringen inbrengt die op naam zijn gesteld van deze personen is daarom ongeloofwaardig. Verder heeft de rechtbank geconcludeerd dat de verklaring van [naam 2] afwijkt van de verklaring van appellant over hoe hij bij [naam b.v. 1] in dienst is gekomen. Appellant heeft geen adequate uitleg gegeven voor deze discrepantie. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien de opstellers van de verklaringen als getuigen te horen. Met betrekking tot de locatie van [naam b.v. 1] en de conclusie van het Uwv dat appellant daar niet kan hebben gewerkt, heeft de rechtbank geoordeeld dat wat appellant ter zitting heeft verklaard geen aanleiding geeft tot twijfel aan wat het Uwv hierover heeft overwogen.
2.2.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de bevindingen van het Uwv over de loonbetaling onjuist zijn. De stelling van appellant dat het Uwv de echtheid van de door hem overgelegde kwitanties niet heeft betwist, brengt niet mee dat het Uwv daarom de inhoud daarvan als juist heeft aanvaard. In dit verband heeft de themaonderzoeker verklaard het opmerkelijk te achten dat appellant enerzijds heeft verklaard geen bewijzen te hebben van de contante betalingen, maar in bezwaar vervolgens tien kwitanties heeft overgelegd inzake de contante betaling van zijn salaris over de periode van januari 2020 tot en met oktober 2020. Met betrekking tot de verklaring van appellant ter zitting dat hij deze kwitanties van [getuige 6] heeft gekregen, heeft de rechtbank overwogen dat daarvan niets blijkt uit de schriftelijke verklaring die door [getuige 6] zou zijn opgesteld. Bovendien staat op de salarisspecificaties dat het nettoloon is betaald op het rekeningnummer van appellant. Het Uwv heeft in dit verband terecht opgemerkt dat het wettelijk niet is toegestaan het minimumloon contant uit te betalen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van appellant dat hij het gestelde contant ontvangen geld op zijn eigen rekening heeft gestort, onverlet laat dat uit zijn bankafschriften blijkt dat er nauwelijks geld is gestort en slechts eenmaal vanuit [naam b.v. 1] een bedrag van € 1.000,- aan hem is overgemaakt.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant bestaat voor hem geen motief om de ZW-uitkering die hij voorafgaand aan januari 2020 ontving, te beëindigen om een niet-bestaand dienstverband aan te gaan. Verder heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat voldoende aannemelijk is dat loon is betaald. Dit blijkt volgens hem uit de loonaangiftes die door [naam b.v. 1] zijn gedaan, de loonspecificaties en de kwitanties van het contant betaalde loon. Bovendien heeft appellant één betaling van loon op zijn bankrekening ontvangen. Appellant stelt dat hij met tegenbewijs aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake was van een gefingeerd dienstverband. In hoger beroep heeft appellant aanvullende stukken ingebracht, waaronder foto’s van het pand waar hij heeft gewerkt, een huurovereenkomst van dit bedrijfspand, facturen van een door hem gehuurde opslagruimte, aanvullende getuigenverklaringen, Whatsapp-correspondentie tussen hem en [naam bestuurder] , werkgerelateerde correspondentie en bankafschriften van de bankrekening van zijn zoon. Appellant heeft de in beroep overgelegde getuigenverklaringen opnieuw overgelegd, voorzien van een kopie van de legitimatiebewijzen van de opstellers en aanvullende getuigenverklaringen overgelegd. Daarnaast heeft appellant verschillende getuigen opgeroepen. Gelet hierop en op grond van de door de getuigen ter zitting van de Raad afgelegde verklaringen meent appellant dat hij voldoende tegenbewijs heeft geleverd en dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gewerkt bij [naam b.v. 1] .
3.2.
Naar aanleiding van de vraagstelling van de Raad over de tussenuitspraak van 18 april 2024 [2] heeft appellant aangevoerd dat het Uwv de besluiten tot intrekking van de WWuitkering en ZW-uitkering op onzorgvuldige wijze heeft genomen. Volgens appellant is de intrekking van de uitkeringen voor een belangrijk deel gebaseerd op de verklaringen van [naam bestuurder] , welke verklaringen het Uwv te lichtvaardig voor waar heeft aangenomen. Ook heeft het Uwv daarbij de gevolgen die de intrekking voor appellant heeft niet voldoende betrokken. Appellant voert aan dat door de fraudemelding door het Uwv problemen zijn ontstaan met zijn hypotheekverstrekker en hij strafrechtelijk wordt vervolgd voor uitkeringsfraude. Daarnaast stelt appellant psychische problemen te hebben ontwikkeld als gevolg van de beschuldigingen van fraude.
Het standpunt van het Uwv
3.3.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft in de tussenuitspraak van 18 april 2024 geen aanleiding gezien om terug te komen van de besluitvorming. Het bedrag dat van appellant is teruggevorderd is het bedrag dat door zijn toedoen ten onrechte aan hem is betaald. Hoewel het gaat om forse terugvorderingen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de financiële positie van appellant, meent het Uwv dat eveneens groot gewicht dient toe te komen aan het belang van een juiste vaststelling van het recht op uitkering en terugbetaling van hetgeen te veel is ontvangen, met name gelet op de wijze waarop de terugvordering is ontstaan, te weten het gefingeerde dienstverband. Van onevenredige besluitvorming is volgens het Uwv dan ook geen sprake. Wat appellant heeft gesteld over de strafrechtelijke vervolging en problemen met zijn hypotheekverstrekker, maakt dat niet anders. In hoger beroep is bekend geworden dat appellant niet langer strafrechtelijk wordt vervolgd en eventuele problemen met een hypotheek zijn niet onderbouwd.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit met betrekking tot de intrekking van de WW- en ZW-uitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
In geschil is of het Uwv appellant terecht niet verplicht verzekerd heeft geacht voor de WW en de ZW, omdat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Verder is in geschil of het Uwv aanleiding heeft moeten zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de intrekkingen af te zien.
4.2.
Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. [3] Artikel 7:610 van Pro het Burgerlijk Wetboek omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf [4] worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.
4.3.
In aanvulling op de overweging onder 4.2 geldt in dit geval ook het volgende. Voor die beoordeling kunnen onder meer van belang zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht. [5]
4.4.
Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. [6]
4.5.
Bij besluiten tot intrekking van een reeds verstrekte uitkering is het aan het bestuursorgaan om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Het is in deze zaak dus aan het Uwv om feiten aan te dragen die aannemelijk maken dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van appellant met [naam b.v. 1] in de van belang zijnde periode. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten vervulde, ligt het vervolgens op de weg van appellant om de onjuistheid van dit uitgangspunt met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
4.6.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv met het onderzoeksrapport van 1 december 2021 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen appellant en [naam b.v. 1] geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad verwijst hierbij naar de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak vermelde bevindingen uit het onderzoeksrapport. [7] De overwegingen van de rechtbank, zoals hiervoor opgenomen onder 2.2 van deze uitspraak, worden gevolgd. Ook wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat appellant de onjuistheid van het standpunt van het Uvw niet aannemelijk heeft gemaakt met tegenbewijs dat berust op objectieve en verifieerbare gegevens.
4.7.
De stelling van appellant dat hij geen belang had bij het fingeren van een dienstverband, omdat hij reeds een Ziektewet-uitkering ontving, is niet relevant. Het gaat in deze zaak immers alleen om de vraag of sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij ten tijde van het onderzoek door het Uwv mentaal niet in staat was het gesprek te voeren, overweegt de Raad dat uit het gespreksverslag van 19 augustus 2021 blijkt dat appellant uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard. In het verslag zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat appellant onvoldoende in staat was adequaat te reageren en om die reden niet aan zijn afgelegde verklaringen kan worden gehouden. De brief van de neuroloog van 6 oktober 2021 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
4.8.
Over de loonaangiftes – die voor appellant slechts zijn gedaan over de maanden januari 2020 tot en met juni 2020, terwijl een arbeidsovereenkomst door appellant is overgelegd die liep van 2 januari 2020 tot 31 december 2020 – heeft [getuige 1] , die als boekhouder van [naam b.v. 1] in 2020 de loonaangiftes verzorgde, als getuige ter zitting bij de Raad verklaard dat hij niet betrokken was bij betalingen en aangifte van loon van appellant. De loonaangiftes van appellant moeten volgens zijn verklaring door [naam bestuurder] zijn geregeld.
4.9.
Over loonbetalingen heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit de bankafschriften van appellant volgt dat – op één storting van [naam b.v. 1] aan appellant van € 1.000,- na – geen geld is gestort op deze bankrekening door [naam b.v. 1] . De stelling van appellant dat de in hoger beroep ingebrachte Whatsappberichten van 11 april 2020, waarin appellant [naam bestuurder] heeft verzocht geld te betalen voor het werk dat hij voor hem heeft gedaan, zijn standpunt ondersteunen dat sprake is geweest van een loonbetaling, volgt de Raad niet. Het gaat hier slechts om een enkele betaling, over een gesteld dienstverband van tien maanden. Het in het Whatsappbericht genoemde bedrag van 4000 euro komt niet overeen met het volgens appellant overeengekomen salaris, en komt bovendien niet overeen met het bedrag van € 1.000,- dat vervolgens door [naam b.v. 1] op 24 april 2020 per bankrekening werd betaald. Verder is niet duidelijk geworden op welke werkzaamheden appellant doelt in genoemde Whatsappberichten en is een verband tussen de Whatsappberichten van 11 april 2020 en de betaling van € 1.000,- op de rekening van appellant niet genoegzaam komen vast te staan. Uit de overige Whatsappberichten zijn geen aanwijzingen omtrent de gestelde werkzaamheden en de loonbetalingen gevonden.
4.10.
In hoger beroep heeft appellant rekeningafschriften ingebracht van de bankrekening van zijn zoon, waarop volgens appellant verschillende stortingen van zijn salaris te zien zijn. Nog daargelaten dat deze stortingen niet stroken met de eerdere verklaring van appellant, dat het loon contant aan hem werd uitbetaald en hij naar behoefte dat loon op de gezamenlijke rekening van hem en zijn partner heeft gestort, blijkt uit deze bankafschriften in de periode van februri 2021 tot en met november 2021 slechts van vier stortingen, die een gering deel van het gestelde salaris zouden vertegenwoordigen. Van enige relatie tussen de gestelde door [naam b.v. 1] aan appellant gedane loonbetalingen en genoemde stortingen is niet gebleken.
4.11.
Met betrekking tot de door appellant ingebrachte kwitanties overweegt de Raad dat de verklaringen hierover tegenstrijdig zijn. Appellant heeft tijdens de zitting bij de rechtbank verklaard dat [getuige 6] de kwitanties op de achterbank van zijn auto had gevonden en vervolgens aan hem vanuit Denemarken heeft opgestuurd. [getuige 6] heeft daarentegen tijdens het getuigenverhoor ter zitting bij de Raad verklaard dat hij de stukken heeft meegebracht naar Nederland en persoonlijk aan appellant heeft gegeven. Verder heeft appellant een verklaring ingebracht van [getuige 4] , die als getuige door de Raad is gehoord. [getuige 4] , directeur van [naam b.v. 2] , met welk bedrijf [naam b.v. 1] zaken heeft gedaan, heeft zowel in zijn schriftelijke verklaring als ter zitting verklaard dat hij tweemaal een envelop met geld van [naam bestuurder] heeft ontvangen en deze vervolgens heeft overhandigd aan appellant. Dit zou volgens [getuige 4] gaan om salaris voor appellant, waarvoor appellant niet heeft getekend. Deze verklaring strookt niet met de over alle maanden van januari 2020 tot en met oktober 2020 door appellant getekende kwitanties van ontvangen salarisbetalingen.
4.12.
Verder is van belang dat ten aanzien van de aard en omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden en de hoedanigheid waarin hij deze werkzaamheden heeft verricht, geen eenduidig beeld is ontstaan. De verschillende schriftelijke getuigenverklaringen die zijn ingebracht en ook de verklaringen die op de zitting zijn afgelegd zijn erg summier en algemeen en geven onvoldoende inzicht in de concrete werkzaamheden van appellant en het kader en de rechtsverhouding waarbinnen deze werkzaamheden zouden zijn verricht. Sommige getuigen hebben appellant slechts een enkele keer gezien.
4.13.
Appellant heeft ter zitting verzocht om een nadere verklaring in te brengen van [getuige 2] danwel deze persoon alsnog te doen horen als getuige. De Raad is van oordeel dat een nadere schriftelijke verklaring of het alsnog horen van deze persoon niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarbij is van belang dat deze getuige tot twee keer toe, hoewel beide keren opgeroepen door appellant, niet is verschenen op zitting. Bovendien is onvoldoende duidelijk in hoeverre deze getuige meer of anders kan verklaren dan hij al heeft gedaan in zijn verklaring van 21 mei 2025, die inhoudt dat hij en appellant collega’s waren bij [naam b.v. 1] vanaf mei 2020 en hij appellant heeft zien werken voor [naam b.v. 1] . Als deze getuige al meer zou kunnen verklaren over werkzaamheden van appellant voor [naam b.v. 1] in 2020, is gesteld noch gebleken dat hij kan verklaren over eventuele loonbetalingen van [naam b.v. 1] aan appellant.
4.14.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is geen sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en was appellant als gevolg daarvan niet als werknemer verplicht verzekerd voor de WW. Het Uwv was daarom gehouden de WW-uitkering, met toepassing van artikel 22a van de WW, per 1 december 2020 in te trekken. Gelet hierop was appellant ook niet verzekerd voor de ZW op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW of enige andere bepaling in de ZW. [8] Het Uwv was daarom ook gehouden de ZW-uitkering, met toepassing van artikel 30a van de ZW, in te trekken per 19 juli 2021. Dat is slechts anders indien sprake is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of deels van de intrekking had moeten afzien.
Dringende redenen
4.15.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
4.16.
De Raad is van oordeel dat het Uwv in de situatie van appellant zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekkingen alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen en geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. Ook de wijze waarop het Uwv het onderzoek naar de rechtmatigheid van de WW- en ZW-uitkering van appellant heeft verricht, geeft geen aanleiding voor het aannemen van een dringende reden. Wat appellant daarover aanvoert, namelijk dat de intrekking van de uitkeringen voor een belangrijk deel tot stand is gekomen door de verklaringen van [naam bestuurder] treft geen doel nu de primaire besluiten zijn genomen nog voordat [naam bestuurder] door het Uwv is gehoord. Bovendien heeft het Uwv ter zitting bij de rechtbank verklaard dat het gespreksverslag van 10 januari 2022 niet bij de besluitvorming is betrokken.
4.17.
Dat appellant psychische klachten heeft ontwikkeld als gevolg van de intrekkingen blijkt niet uit de brief van de neuroloog van 6 oktober 2021. Uit deze brief volgt dat appellant reeds voorafgaande aan de primaire besluiten psychische klachten had en blijkt niet van een nadien verergerd psychisch klachtenbeeld. Ook wat betreft de gevolgen die appellant heeft aangevoerd in verband met de opzegging van de klantrelatie door de hypotheekverstrekker en een mogelijke openbare verkoop van de woning van appellant, blijkt uit de ingebrachte stukken niet van een direct verband met de intrekkingsbesluiten. Verder is de strafrechtelijke vervolging geseponeerd wegens beleidsmatige redenen. Wat betreft de financiële gevolgen van de intrekkingen is verder van belang dat deze zich in het algemeen pas voordoen bij de invordering of verrekening. Bij de bespreking ter zitting is gebleken dat appellant op dit moment geen betalingscapaciteit heeft. Daarom wordt op dit moment door het Uwv niet ingevorderd.
Schadevergoeding in verband met overschrijding van de de redelijke termijn
5.1.
Appellant heeft recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In dit geval beoordeelt de Raad ambtshalve of de redelijke termijn is geschonden. [9]
5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties, in zaken zoals deze, in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [10] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
5.3.
Het Uwv heeft het bezwaarschrift op 16 december 2021 ontvangen. Tot aan deze uitspraak heeft de procedure vier jaar en drie maanden geduurd. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met drie maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Om die reden zal de Staat worden veroordeeld de schadevergoeding aan appellant te voldoen. Aan appellant zal daarom een schadevergoeding worden toegekend van € 500,- te betalen door de Staat.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit over de intrekking van de WW-uitkering en de intrekking van de ZW-uitkering van appellant in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en G.C. Boot en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) S. Wijna
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 3 WW Pro
1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. […]
Artikel 22a WW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het UWV een dergelijk besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe Pro leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 7 ZW Pro
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a. degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet uitkering ontvangt; […]
Artikel 30a ZW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt hij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 30, 31, 38, 45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;
b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 28, 31, 45 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
2.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785.
4.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).
5.HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo).
6.HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (Participatieplaats) en HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo).
7.Rb. Den Haag 21 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12432, r.o. 4.3.
8.CRvB 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1049.
9.Zie de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB: 2018:3110.
10.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.