Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
21 jaar te boven gaan. Het college verwijst daarbij naar artikel 4 van Pro de op dat moment toepasselijke beleidsregels.
e-mailcorrespondentie tussen de bewindvoerder van appellant en een klantmanager
Werk en Inkomen van de gemeente Leiden plaatsgevonden. In een e-mailbericht van
20 april 2021 van de klantmanager aan de bewindvoerder van appellant staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
1 september 2021 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend.
Het oordeel van de Raad
artikel 12 (oud) van de PW. Dat betekent dat het college het in 4.2.2 vermelde onderzoek had moeten verrichten. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het college dit onderzoek heeft verricht. De eerst ter zitting in hoger beroep door het college geuite tegenwerping dat appellant zijn kosten voor voeding niet met stukken als bankafschriften en bonnetjes heeft onderbouwd, had het college in het kader van dit onderzoek aan appellant moeten voorhouden. Dan was appellant ook in de gelegenheid geweest om daarop te reageren en zo mogelijk met deze onderbouwing te komen. Dit heeft het college echter niet gedaan. Het college heeft appellant daarentegen in bezwaar, zoals blijkt uit de onder 1.4 opgenomen
e-mailcorrespondentie, – kort gezegd en in strijd met artikel 12 (oud) van de PW – voorgehouden dat er geen bijzondere bijstand mogelijk is zolang hij bij zijn moeder inwoont en dat bij de beoordeling van zijn aanvraag verder niet relevant is of hij meer noodzakelijke bestaanskosten heeft dan in zijn norm zijn inbegrepen.
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op de op grond van artikel 9, eerste lid, van de PW opgelegde verplichtingen;
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van 28 juli 2021 ongegrond is verklaard;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 juli 2021 voor wat betreft de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 12 (oud) van de PW;
- herroept het besluit van 26 maart 2021 en bepaalt dat het college aan appellant bijzondere bijstand toekent tot een bedrag van in totaal € 1.100,- over de periode van 13 maart 2021 tot 1 september 2021 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 28 juli 2021;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.068,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een aanvullende vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.