ECLI:NL:CRVB:2026:38

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
24/667 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor kosten eerste huur, woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen

In deze zaak gaat het om de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van eerste huur, woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Appellanten, een echtpaar, hebben de aanvraag ingediend na een periode van dakloosheid en tijdelijke huisvesting bij de vader van de appellant. Het college heeft de aanvraag afgewezen op basis van het ontbreken van bijzondere omstandigheden, zoals vereist in artikel 35 van de Participatiewet (PW). De Raad voor de Rechtspraak heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat de appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet konden reserveren voor de kosten. De Raad oordeelt dat de artikelen 16 en 17 van de Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht (RBBU) niet van toepassing zijn, omdat de appellanten niet voldoen aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, die het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard. De Raad heeft ook geoordeeld dat het college in overeenstemming heeft gehandeld met de RBBU en dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft. De appellanten krijgen wel een vergoeding voor hun proceskosten.

Uitspraak

24/667 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 februari 2024, 23/2870 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 6 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van eerste huur, woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen. Het college heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW), omdat appellanten voor deze kosten hadden kunnen reserveren. Daarnaast stelt het college zich op het standpunt dat vanwege die reserveringsmogelijkheid de Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht (RBBU) niet van toepassing zijn. Appellanten hebben aangevoerd dat zij niet voor de kosten van eerste huur, woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen hebben kunnen reserveren. Hierin krijgen zij geen gelijk. Daarnaast hebben appellanten aangevoerd dat de (artikelen 16 en 17 van de) RBBU niet de voorwaarde stellen dat er geen reserveringsmogelijkheid is. Hierin krijgen zij wel gelijk. De Raad oordeelt vervolgens dat het in de artikelen 16 en 17 van de RBBU neergelegde beleid tegenwettelijk beleid is, dat appellanten op grond van dat beleid niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting en dat de hardheidsclausule van artikel 20 van de RBBU niet van toepassing is op appellanten. Het motiveringsgebrek dat kleeft aan het bestreden besluit wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd met verbetering van gronden.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft schriftelijke vragen gesteld. Partijen hebben daar op gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 september 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pietersz, die mede namens appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Journée.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 2018 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2.
De woning van appellant is in augustus 2020 ontruimd in verband met een huurachterstand. Appellant heeft zich op 16 september 2020 als woningzoekende ingeschreven bij WoningNet Regio [woonplaats]. Om dakloosheid te voorkomen is hij met zijn zus, die ook zijn zorgverlener is, bij zijn vader ingetrokken. Sinds 4 oktober 2020 stond appellant ingeschreven op het adres van zijn vader. Op 16 mei 2021 heeft appellant bij de gemeente [woonplaats] een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring voor het toekennen van een woning, met als reden dat zijn woonsituatie onhoudbaar was doordat zijn psychische en lichamelijke klachten verergerden door het wonen bij zijn vader. Nadat het college deze aanvraag had afgewezen, heeft het college, na bezwaar, met een besluit van 26 augustus 2022 de gevraagde urgentieverklaring alsnog toegekend. Appellante – de echtgenote van appellant – en het kind van appellanten zijn op 24 oktober 2022 vanuit Turkije bij appellant komen wonen. Aan appellant is een woning aangeboden en op 17 november 2022 hebben appellanten het huurcontract van de nieuwe woning getekend.
1.3.
Appellanten hebben op 1 december 2022 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de eerste maand huur, woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen tot een bedrag van in totaal € 8.670,87.
1.4.
Met een besluit van 4 januari 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 12 juni 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd. Er is geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW. De kosten waarvoor appellanten bijzondere bijstand hebben aangevraagd zijn namelijk algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die uit het inkomen moeten worden voldaan. Appellanten hadden voor deze kosten moeten reserveren uit hun inkomen of hadden de kosten kunnen financieren door gespreide betaling achteraf. In afwijking van artikel 35 van de PW is er buitenwettelijk begunstigend beleid voor de kosten van een noodzakelijke, niet voorziene verhuizing, voor dubbele woonlasten ten gevolge van zo’n verhuizing, voor duurzame gebruiksgoederen en voor woninginrichting. Dit beleid is neergelegd in artikel 15, aanhef en onder b en c (noodzakelijke, niet voorziene verhuizing en dubbele woonlasten), 16 (duurzame gebruiksgoederen) en 17 (woninginrichting) van de RBBU. Deze artikelen zijn echter pas van toepassing als er geen ruimte is om te reserveren voor verhuiskosten en voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting. Omdat appellanten voor die kosten hadden kunnen reserveren, zijn de artikelen 15, 16 en 17 van de RBBU niet van toepassing. Verder is van dubbele huurlasten geen sprake, omdat appellant voorafgaand aan zijn verhuizing inwonend was bij zijn vader en geen huur betaalde. Daarnaast vallen appellanten niet onder een van de doelgroepen die zijn genoemd in artikel 17 van de RBBU, zodat ook om deze reden het beleid van artikel 17 van de RBBU niet voor hen geldt. Ten slotte is niet gebleken van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de RBBU op grond waarvan de gevraagde bijzondere bijstand moet worden verleend met toepassing van de in die bepaling neergelegde hardheidsclausule. Voor het aannemen van zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling moet namelijk vaststaan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin iemand verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Hiervan kan geen sprake zijn, omdat appellanten zijn verhuisd en beschikken over vrijwel alle goederen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
De kosten van eerste huur, woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen zijn incidentele algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Uitgangspunt is dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Alleen in bijzondere omstandigheden is aanvullend bijzondere bijstand nodig. Daarom kan op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW alleen recht op bijzondere bijstand bestaan voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet, maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatstgenoemd kader moet worden beoordeeld.
4.3.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [1]
Bijzondere omstandigheden
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten waarvoor appellanten bijzondere bijstand hebben aangevraagd zich voordoen en noodzakelijk zijn. Het geschil tussen partijen spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of de kosten van eerste huur, duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW.
4.5.
Volgens appellanten is dat het geval. Zij voeren aan dat zij door de volgende bijzondere omstandigheden niet konden reserveren voor de kosten van eerste huur, duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting. Appellant heeft vanwege forse lichamelijke en psychische klachten kosten moeten maken voor zijn verzorging en begeleiding, omdat de gemeente Utrechtse Heuvelrug een daartoe strekkende voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in 2018 ten onrechte niet heeft verlengd. Om die reden heeft zijn zus de verzorging en begeleiding van appellant op zich genomen. Appellant heeft haar betaald voor zijn verzorging en begeleiding. Ook is de woning met urgentie aan appellanten toegewezen, waardoor de verhuizing niet voorzienbaar was. Daarom hadden appellanten niet de tijd om te sparen of reserveren voor de kosten van woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen. Daarnaast was de schuldenlast van appellant zo hoog en zijn inkomen zo laag dat hij niet kon reserveren voor de kosten waar het hier om gaat en bij de Kredietbank geen lening kon aangaan. Ten slotte wijzen appellanten erop dat bij de ontruiming van de woning van appellant in 2020 de gehele inboedel verloren is gegaan omdat appellant toen om financiële en praktische redenen niet in de gelegenheid was om zijn inboedel ergens op te slaan. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiervoor is het volgende van betekenis.
4.5.1.
Appellant ontving vanaf 2018 een WIA-uitkering die, toen zijn woning in augustus 2020 werd ontruimd, wat hoger was dan de toen voor hem geldende bijstandsnorm voor een alleenstaande. Zijn WIA-uitkering bedroeg toen namelijk ruim € 1.100,- netto per maand. Deze uitkering was in oktober 2020, toen hij bij zijn vader ging inwonen, aanzienlijk hoger dan de bijstandsnorm die voor hem zou hebben gegolden als hij bijstand zou ontvangen. In zijn geval zou dat namelijk de kostendelersnorm zijn geweest. Appellant had dus sinds 2018, en dus ook sinds zijn inschrijving als woningzoekende in september 2020, een inkomen dat hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Zijn inkomen was daarom in beginsel toereikend om te kunnen sparen voor de hier aan de orde zijnde kosten.
4.5.2.
De stelling dat en waarom appellant van zijn WIA-uitkering ook zijn zus, die hem verzorgde, heeft moeten betalen en onderhouden, hebben appellanten op geen enkele manier onderbouwd en daarom niet aannemelijk gemaakt. Appellanten hebben (ook) niet aannemelijk gemaakt dat en hoeveel appellant zijn zus daadwerkelijk heeft betaald en daarmee ook niet dat hij niet in staat was om te sparen voor de kosten waar het hier om gaat.
4.5.3.
De stelling dat de verhuizing naar de nieuwe woning niet voorzienbaar was, wordt ook niet gevolgd. Uit de onder 1.2 opgenomen feiten en omstandigheden kan namelijk geconcludeerd worden dat het verblijf van appellant op het adres van zijn vader slechts tijdelijk was bedoeld en daarmee ook dat voorzienbaar was dat hij op een gegeven moment weer een eigen woning zou gaan betrekken die hij moest gaan inrichten. Uit de inschrijving bij Woningnet kan worden afgeleid dat appellant al vanaf 16 september 2020 op zoek was naar een woning. Dat appellant op enig moment een urgentieverklaring voor een nieuwe woning heeft gekregen, maakt dat niet anders.
4.5.4.
Wat de gestelde schulden betreft is het uitgangspunt dat het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden geen bijzondere omstandigheid is in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW, maar dat uitzonderingen daarop mogelijk zijn. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. [2] Als een aanvrager van bijzondere bijstand voor de kosten van incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten stelt dat hij voor die kosten niet heeft kunnen reserveren door een gebrek aan reserveringsruimte in verband met schulden, zal hij dat aannemelijk moeten maken. Vervolgens moet de bijstandverlenende instantie beoordelen of dat een bijzondere omstandigheid oplevert in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Hierbij kunnen onder meer de aard en het ontstaan van de schulden een rol spelen.
4.5.5.
Appellanten hebben niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij in verband met (de aflossing van) schulden niet hebben kunnen reserveren voor de kosten waar het hier om gaat en ook niet dat zij geen lening bij de Kredietbank konden afsluiten. De enkele stelling op dit punt is niet toereikend. Zij hebben geen enkel inzicht gegeven in de omvang van de schulden en ook niet van de aard van de schulden en hoe en wanneer de schulden zijn ontstaan en of en wanneer daarop is afbetaald.
4.5.6.
Nog daargelaten dat de stelling dat appellant zijn inboedel niet heeft kunnen behouden ziet op de – niet in geschil zijnde – noodzaak van de kosten voor duurzame gebruiksgoederen, hebben appellanten ook die stelling op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.
4.6.
Uit 4.5 tot en met 4.5.6 volgt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellanten niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 35 van de PW.
De RBBU
4.7.
Appellanten hebben aangevoerd dat als de eerste grond niet slaagt, zij op grond van de artikelen 15, 16 en 17 van de RBBU in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten en voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting. Volgens appellanten zijn de artikelen 15, 16 en 17 van de RBBU in hun geval namelijk wel van toepassing, omdat deze artikelen niet de voorwaarde stellen dat voor de daarin aan de orde zijnde kosten niet kan worden gereserveerd, en omdat zij voldoen aan de voorwaarden van deze bepalingen. Hierbij hebben appellanten uitgelegd en toegelicht dat en waarom sprake is geweest van een onvoorziene verhuizing in de zin van artikel 15 van de RBBU, dat en waarom moet worden aangenomen dat het in hun geval gaat om vervanging van duurzame gebruiksgoederen zoals bedoeld in artikel 16 van de RBBU en dat en waarom appellanten behoren tot de doelgroep ‘daklozen’ of ‘overige personen die op grond van individuele omstandigheden aan een in a t/m f genoemde persoon kunnen worden gelijkgesteld’ van artikel 17 van de RBBU. Daarnaast hebben appellanten een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 20 van de RBBU. Zij wijzen er hierbij op dat het van een onevenredige hardheid getuigt om tegen te werpen dat de situatie van appellant niet onvoorzienbaar was, of niet bijzonder, of niet levensbedreigend, en dat hij de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd eenvoudig had kunnen bestrijden door te reserveren op zijn inkomen.
Verhuiskosten en kosten eerste huur
4.8.
De subsidiaire beroepsgrond hoeft niet te worden besproken voor zover die ziet op artikel 15 van de RBBU. Appellanten hebben namelijk geen bijzondere bijstand aangevraagd voor verhuiskosten en ook niet voor dubbele woonlasten. De besluitvorming gaat daar dus niet over. Verder stelt de Raad vast dat de subsidiaire beroepsgrond niet ziet op de kosten van eerste huur. De Raad houdt het er dan ook voor dat deze grond alleen ziet op de kosten van duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting (artikelen 16 en 17 RBBU).
Kosten duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting
4.9.
De subsidiaire beroepsgrond slaagt voor zover appellanten hebben aangevoerd dat in de artikelen 16 en 17 van de RBBU niet de voorwaarde wordt gesteld dat er geen ruimte is om te reserveren voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting. Hiervoor is het volgende van betekenis.
4.9.1.
Uit de tekst van de artikelen 16 en 17 van de RBBU en de door het college overgelegde toelichting daarop, blijkt niet dat deze artikelen alleen van toepassing zijn indien en voor zover niet kan worden gereserveerd voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting.
4.9.2.
Het college heeft eerder het in de artikelen 16 en 17 van de RBBU neergelegde beleid zelf gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Uit eerdere uitspraken, waarin hetzelfde beleid aan de orde was en dat toen al zo was gekwalificeerd, [3] volgt dat dit zo moet worden begrepen dat ook zonder dat zich bijzondere omstandigheden voordoen in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW, bijzondere bijstand kan worden verleend voor de kosten van (bepaalde) duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting. In zoverre is het tegenwettelijk begunstigend beleid, aangezien één van de toepassingsvoorwaarden in artikel 35, eerste lid, van de PW in weerwil van dat artikel niet wordt toegepast. [4] Omdat bij de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden wordt betrokken of al dan niet had kunnen worden gereserveerd voor de kosten, houdt de Raad het ervoor dat op grond van de artikelen 16 en 17 van de RBBU ook bijzondere bijstand kan worden verleend als voor de kosten wel had kunnen worden gereserveerd maar dit niet is gebeurd.
4.10.
Uit 4.9 tot en met 4.9.2 volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Met inachtneming van wat appellanten verder hebben aangevoerd over de artikelen 16 en 17 van de RBBU heeft de Raad onderzocht of dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. Naar het oordeel van de Raad is dat het geval, omdat appellanten daardoor niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.10.1.
Tegenwettelijk beleid wordt niet op rechtmatigheid getoetst, maar als een gegeven aanvaard. Het college is verplicht te handelen in overeenstemming met het beleid. Gelet op wat appellanten hebben aangevoerd zal worden getoetst of het college in dit geval het tegenwettelijk beleid juist heeft toegepast. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [5]
Duurzame gebruiksgoederen: artikel 16 van de RBBU
4.10.2.
Op grond van artikel 16, eerste lid, van de RBBU kan uitsluitend bijzondere bijstand in de vorm van een lening worden verleend voor de kosten van vervanging van bepaalde, in dit artikel genoemde duurzame gebruiksgoederen. Anders dan appellanten aanvoeren, is in hun geval geen sprake van vervanging van dergelijke gebruiksgoederen. Tussen de ontruiming van zijn woning en het moment waarop hij een andere woning betrok, woonde appellant namelijk bij zijn vader. Toen hij vanuit die woning verhuisde naar een eigen woning, had hij voor het eerst weer duurzame gebruiksgoederen nodig. Vanuit dat perspectief gaat het dus om de eerste aanschaf van dergelijke goederen en niet om vervanging daarvan. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellanten niet voldoen aan de in artikel 16 van de RBBU genoemde voorwaarden. Met het bestreden besluit heeft het college dus in zoverre in overeenstemming met zijn beleid gehandeld.
Woninginrichting: artikel 17 van de RBBU
4.10.3.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de RBBU kan alleen bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting worden verleend indien en voor zover de aanvrager daarvan behoort tot één van de onder a tot en met f genoemde doelgroepen. Het gaat hierbij om tot specifieke doelroepen behorende personen die voor de eerste maal of opnieuw een woning gaan betrekken en die daarom geen inrichting hebben (a tot en met e), of die wel een woning hebben, maar door bijzondere omstandigheden geen inrichting meer hebben (f), of om personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden (g).
4.10.4.
Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat appellant destijds behoorde tot de doelgroep ‘daklozen’ (c) of tot de doelgroep ‘overige personen die op grond van individuele omstandigheden aan een in a t/m f genoemde persoon kunnen worden gelijkgesteld’ (g). Anders dan personen uit de doelgroepen a tot en met e beschikte appellant namelijk wel over een vaste verblijfplaats. Hij woonde immers in bij zijn vader. Ook beschikte appellant over een stabiel inkomen dat hoog genoeg was om te sparen voor een woninginrichting, te meer omdat hij geen (zichtbare) woonlasten had. Hij had dus de mogelijkheid en de middelen om spullen voor woninginrichting te hebben voor een toekomstige eigen woning of kamer. Zo bezien verkeerde appellant in dezelfde positie als personen die vanuit hun ouderlijk huis voor het eerst een woning of kamer betrekken en die ook niet behoren tot één van de doelgroepen van artikel 17, eerste lid, van de RBBU.
4.10.5.
Appellant heeft ter zitting gesteld dat hij feitelijk dakloos was toen hij door zijn vader het huis werd uitgezet en hij bij vrienden onderdak heeft gekregen voordat hij zijn huurwoning betrok. Deze enkele stelling is onvoldoende om aan te nemen dat appellant op enig moment dakloos is geweest of zich in een vergelijkbare positie bevond. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellant, toen hij zijn huurwoning betrok, niet behoorde tot één van de doelgroepen van artikel 17, eerste lid, van de RBBU. Ook in zoverre heeft het college dus met het bestreden besluit in overeenstemming met zijn beleid gehandeld.
Hardheidsclausule: artikel 20 van de RBBU
4.10.6.
Het college legt zeer dringende redenen in de zin van artikel 20 van de RBBU zo uit dat daarvan alleen sprake is als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijzondere bijstand onvermijdelijk is. Voor zover appellanten stellen dat deze situatie zich in hun geval voordoet, hebben zij die stelling niet onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt.
4.10.7.
Voor zover appellanten zich op het standpunt stellen dat artikel 20 van de RBBU ruimer moet worden toegepast, volgt de Raad hen hierin niet. Met de toepassing van de hardheidsclausule wordt namelijk een uitzondering gemaakt op tegenwettelijk beleid. Deze bepaling is dan ook evenzeer aan te merken als tegenwettelijk. Gelet hierop moet de door het college voorgestane beperkte toepassing van de hardheidsclausule worden gerespecteerd.

Conclusie en gevolgen

4.11.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, gelet op 4.10 tot en met 4.10.7 met verbetering van gronden, worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
5. Omdat geen sprake is van een onrechtmatig besluit moet het verzoek van appellanten om het college te veroordelen tot vergoeding van schade worden afgewezen.
6. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb krijgen appellanten wel een vergoeding voor hun proceskosten wegens verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-), € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 6,60 voor vervoer van appellant naar de zittingen in beroep en hoger beroep, dus in totaal € 3.742,60. Appellanten krijgen ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van in totaal € 3.742,60;
  • bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en W.R. van der Velde en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van H.Z. Şipal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026
.
(getekend) W.F. Claessens
De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 7:12, eerste lid
De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
Participatiewet
Artikel 35
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
[…]
Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht
Artikel 15. Kosten in verband met bijzondere sociale, financiële of medische omstandigheden
Voor bijstandsverlening komen in ieder geval de volgende kosten in aanmerking:
[…]
b. de kosten van een noodzakelijke, niet voorziene verhuizing;
c. de ten gevolge van een noodzakelijke, niet voorziene verhuizing ontstane dubbele woonkosten;
[…]
Artikel 16. Duurzame gebruiksgoederen
1. Bijzondere bijstand in de vorm van een lening kan worden verleend voor de noodzakelijke vervanging van duurzame gebruiksgoederen te weten: wasmachine, koelkast, gasfornuis, ledikant (inclusief bodem) en matras.
2. Bijstand voor een duurzaam gebruiksgoed wordt slechts één keer in de 10 jaar verleend.
3. Het restant van de leenbijstand wordt na verloop van drie jaren verleend als bijstand om niet voor zover tot dat tijdstip aan de verplichtingen tot aflossing is voldaan.
4. Indien en voor zover noodzakelijk kan gelet op de bijzondere omstandigheden de bijstand worden verleend om niet.
[…]
Artikel 17. Woninginrichting
1. Voor bijstandsverlening komen de noodzakelijke kosten van inrichting van een woning in aanmerking, als de belanghebbende behoort tot een van de volgende doelgroepen en feitelijk geen goederen en/of middelen bezit om een woning in te richten:
a. personen die een verblijfsvergunning hebben gekregen en op basis van de taakstelling huisvesting vluchtelingen voor de eerste maal in Utrecht een woning krijgen;
b. personen die na afloop van een Voorlopige Vergunning tot Verblijf (VVTV) in Utrecht een woning betrekken;
c. daklozen, die opnieuw een woning betrekken;
d. personen die na vertrek uit een vrouwenopvanghuis opnieuw een eigen woning gaan betrekken;
e. personen die uit een langdurige detentie of (psychiatrische) opname komen en opnieuw een woning betrekken;
f. personen die hun huis hebben vervuild en waarbij de GG&GD een schoonmaakoperatie heeft uitgevoerd;
g. overige personen die op grond van individuele omstandigheden aan een in a t/m f genoemde persoon kunnen worden gelijkgesteld.
2. De bijstand voor woninginrichting wordt uitgekeerd in de vorm van een uitkering om niet. De hoogte hiervan is forfaitair vastgesteld en afhankelijk van het soort huishouden en het soort woning, dat wordt betrokken.
3. Een reeds eerder binnen een periode van 10 jaar verstrekt bedrag aan inrichtingskosten, wordt in mindering gebracht op het in lid 2 genoemde bedrag.
4. De hoogte van de te verstrekken bedragen, zoals genoemd in lid 2, wordt door het college vastgesteld.
Artikel 20. Overgangsbepalingen
1. Het college kan aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van het vorenstaande bijstand verlenen als zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
[…]

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263.
3.Zie uitspraken van 18 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:872, onder 4.4, en van 1 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3157, onder 4.7.
4.Zie de uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, onder 4.6.3.
5.Zie de uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, onder 4.9.3.1 en 4.9.3.2.