Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:443

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
24/1334 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WfsvArt. 17 WfsvArt. 13 Wet WIAArt. 14 DagloonbesluitArt. 16 Dagloonbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling ongemaximeerd WIA-dagloon ondanks beroep op discriminatie en evenredigheidsbeginsel

Appellante was werkzaam bij twee stichtingen en ontving een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering tijdens de referteperiode. Het UWV stelde het ongemaximeerde WIA-dagloon vast op €344,77, waarbij de bovenwettelijke uitkering buiten beschouwing bleef. Appellante maakte bezwaar en stelde dat artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit buiten toepassing moest blijven omdat het leidt tot een onjuiste dagloonberekening en onevenredig nadelige gevolgen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de bovenwettelijke uitkering terecht niet werd meegerekend omdat deze niet tot het sv-loon behoort. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het onderscheid in dagloonberekening geen discriminatie op grond van handicap inhoudt, maar een gerechtvaardigd onderscheid op basis van inkomensstatus. Ook is er geen strijd met het eigendomsrecht of het recht op een effectief rechtsmiddel.

De Raad overwoog dat de maximering van het dagloon een bewuste keuze van de wetgever is, passend bij het equivalentiebeginsel. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van de wettelijke regeling rechtvaardigen. Het bestreden besluit is niet onredelijk bezwarend en blijft in stand.

Uitkomst: Het ongemaximeerde WIA-dagloon van €344,77 wordt bevestigd en het beroep van appellante wordt afgewezen.

Uitspraak

24/1334 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2024, 23/410 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het ongemaximeerde WIA-dagloon per 21 april 2022 terecht heeft vastgesteld op € 344,77. Appellante heeft aangevoerd dat artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit in deze zaak buiten toepassing moet worden gelaten en dat voor het inkomen in de periode van werkloosheid in de referteperiode moet worden aangesloten bij het eerder vastgestelde ongemaximeerde WW-dagloon. Volgens appellante geeft het huidige ongemaximeerde WIA-dagloon geen juist beeld van haar inkomen tijdens de referteperiode en heeft het bestreden besluit voor haar onevenredig nadelige gevolgen. De Raad volgt deze standpunten van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht het ongemaximeerde dagloon voor de WIA-uitkering heeft vastgesteld op € 344,77.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van Helden, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 januari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Helden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is van 1 september 2006 tot en met 31 december 2019 werkzaam geweest bij de Stichting [naam 1] , laatstelijk als bestuurder. Van 1 januari 2020 tot en met 31 augustus 2020 heeft appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Daarnaast heeft zij van de Stichting [naam 1] van 1 februari 2020 tot en met 31 juli 2020 een bovenwettelijke uitkering ontvangen als aanvulling op de WWuitkering (bovenwettelijke uitkering).
1.2.
Vanaf 25 augustus 2020 is appellante in dienst getreden bij de Stichting [naam 2] als voorzitter van het College van Bestuur voor 40 uur per week. Zij heeft zich op 1 maart 2021 ziekgemeld voor deze werkzaamheden.
1.3.
Bij besluit van 8 april 2022 heeft het Uwv appellante per 21 april 2022 een IVAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is het geïndexeerde dagloon vastgesteld op het maximum dagloon van € 228,76. Het ongemaximeerde dagloon is vastgesteld op € 343,71. De referteperiode voor de berekening van het dagloon loopt van 1 maart 2020 tot en met 28 februari 2021. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 april 2022 omdat zij het niet eens is met de hoogte van het ongemaximeerde WIA-dagloon, dat van belang is voor de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen dat zij ontvangt via het ABP.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 8 december 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 april 2022 gegrond verklaard en heeft het Uwv het ongemaximeerde dagloon verhoogd naar € 344,77. Het Uwv heeft het dagloon verhoogd omdat Stichting [naam 2] recentelijk de cao-aanpassingen over de jaren 2021 en 2022 in het salaris van appellante heeft verwerkt. Hierdoor is sprake van een (iets) hoger loon over de maanden januari en februari 2021, die binnen de referteperiode vallen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de bovenwettelijke uitkering die appellante heeft ontvangen van 1 februari 2020 tot en met 31 juli 2020, dus tijdens de referteperiode, niet heeft meegenomen bij de vaststelling van het dagloon voor de WIA-uitkering (WIA-dagloon). In artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is bepaald dat loon uit een vroegere dienstbetrekking niet tot het loon behoort. De rechtbank heeft overwogen dat de bovenwettelijke uitkering rechtstreeks samenhangt met het einde van de dienstbetrekking en daarom moet worden aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking. De bovenwettelijke uitkering valt niet onder de uitzondering, van loon uit een vroegere dienstbetrekking dat wel onder sv-loon behoort, zoals genoemd in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wfsv. De wetgever heeft uitdrukkelijk geformuleerd dat een dergelijke aanvulling slechts in aanmerking kan worden genomen indien sprake is van een situatie waarbij de dienstbetrekking voortduurt. In het geval van appellante is hiervan geen sprake geweest, aangezien zij de bovenwettelijke uitkering heeft ontvangen nadat haar dienstbetrekking met Stichting [naam 1] was beëindigd. Nu de rechtbank heeft geconcludeerd dat de bovenwettelijke uitkering geen sv-loon betreft, komt de rechtbank niet meer toe aan het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank heeft nog wel ten overvloede overwegingen gewijd aan het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel. Niet in geschil is dat het Uwv geen enkele invloed heeft op de manier waarop het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt vastgesteld, nu de berekening van het arbeidsongeschiktheidspensioen is vastgelegd in het Pensioenreglement. In het Pensioenreglement is vastgesteld dat het inkomen wordt berekend op de grondslag van het dagloon zoals dat door het Uwv is vastgesteld. Daarom kan niet worden gezegd dat het bestreden besluit, of de toepassing van het Dagloonbesluit door het Uwv, heeft geleid tot nadelige gevolgen voor appellante die onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het is immers niet rechtstreeks het bestreden besluit waardoor appellante financieel wordt benadeeld, nu haar IVA-uitkering is vastgesteld op het maximale dagloon.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante wil dat het ongemaximeerde WIA-dagloon gebaseerd wordt op het ongemaximeerde WW-dagloon. Deze uitkomst kan volgens appellante bereikt worden door ofwel de bovenwettelijke uitkering in de berekening van het WIA-dagloon te betrekken ofwel het ongemaximeerde WW-dagloon in aanmerking te nemen in plaats van het gemaximeerde WW-dagloon. Onder verwijzing naar de uitspraak van 26 maart 2024 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven [1] heeft appellante daarbij aangevoerd dat artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit buiten toepassing moet blijven bij verzekerden zoals zij, die tijdens de referteperiode een WW-uitkering hebben ontvangen waarvan het dagloon hoger is dan het maximum dagloon, omdat deze bepaling in strijd is met hoger recht.
3.1.
Appellante heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van strijd met artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens haar is sprake van een verboden onderscheid op basis van handicap. Volgens appellante vloeit het lagere maximum WIA-dagloon rechtstreeks voort uit de omstandigheid dat zij arbeidsongeschikt is geworden, en daardoor onder een andere dagloonberekening valt dan in geval van werkloosheid. Voor de vaststelling van het dagloon voor de WW-uitkering (WW-dagloon) worden de maanden waarin appellante een WWuitkering heeft ontvangen, niet meegenomen. Bij de vaststelling van het WIA-dagloon wordt de WW-uitkering die is ontvangen tijdens de referteperiode wel meegenomen, en met toepassing van de rekenregel in artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit omgerekend tot een loonbedrag. Door de rekenregel ontstaat naast het onderscheid op basis van handicap ook een onderscheid op basis van inkomensstatus: de rekenregel heft het negatieve effect van werkloosheid in de referteperiode op voor de groep verzekerden met een WW-dagloon dat lager is dan het maximum dagloon, maar dit geldt niet voor de groep verzekerden met een WW-dagloon dat hoger is dan het maximum dagloon. De verzekerden die tot deze laatste groep behoren komen uit op een willekeurig percentage van wat zij met arbeid verdiend zouden hebben. Verder heeft appellante aangevoerd dat sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging in het recht op eigendom (artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM) omdat een groot deel van het inkomen van appellante, te weten het deel van het WW-dagloon dat boven het maximum dagloon uitkomt, niet wordt meegenomen bij de vaststelling van het WIA-dagloon. Daarnaast is volgens appellante sprake van strijd met artikel 13 van Pro het EVRM (recht op een effectief rechtsmiddel) omdat de hoogte van het maximum dagloon automatisch doorwerkt naar andere inkomensrechten, zoals bij haar het recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP, terwijl er geen effectief rechtsmiddel is tegen deze doorwerking.
3.2.
Appellante heeft verder aangevoerd dat toepassing van artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit voor haar onevenredig nadelige gevolgen heeft en daarom in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens appellante is een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen gericht op het verzekeren van verlies van inkomen op het moment dat een verzekerd risico intreedt. In lijn hiermee is de bedoeling van de regelgever met de rekenregel in artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit om het dagloon verlagende effect van een WW-uitkering tijdens de referteperiode te voorkomen, en terug te keren naar wat men met arbeid had kunnen verdienen. Bij mensen zoals appellante, die een inkomen hebben verdiend boven het maximum dagloon wordt het dagloon verlagend effect niet voorkomen. In het geval van appellante valt door de periode van werkloosheid in de referteperiode het ongemaximeerde WIA-dagloon ruim € 60,- lager uit dan het werkelijke inkomen uit arbeid van appellante in de afgelopen jaren. Dit is een uitkomst die volgens appellante strijdig is met de bedoeling van de regelgever. Hierdoor kan appellante onvoldoende gebruik maken van samenhangende voorzieningen waarvoor het ongemaximeerde dagloon als basis dient, zoals het arbeidsongeschiktheidspensioen waarvoor zij verzekerd is via het ABP.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om uitspraak van de rechtbank te bevestigen. De bovenwettelijke uitkering is volgens het Uwv terecht niet meegenomen bij de vaststelling van het WIA-dagloon. Van onevenredig nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor appellante is geen sprake omdat de WIA-uitkering van appellante is gebaseerd op het maximum dagloon. Volgens het Uwv is geen sprake van door de regelgever onvoorziene gevolgen van de toepassing van artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit. Dat het WWdagloon afwijkt van het WIA-dagloon ligt niet aan de systematiek, maar aan het feit dat voor de vaststelling van het WW-dagloon per 1 januari 2020 een andere referteperiode geldt dan voor het WIA-dagloon per 21 april 2022. Anders dan in de uitspraak van 30 juli 2024 [2] waarnaar appellante heeft verwezen, is in deze zaak de systematiek voor de vaststelling van het dagloon in het kader van de WW en WIA hetzelfde. In beide gevallen wordt het loon uit de geldende referteperiode gedeeld door 261 loondagen
.Er is daarom volgens het Uwv geen sprake van een onderscheid op basis van handicap tussen de vaststelling van het WW-dagloon ten opzichte van het WIA-dagloon.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hoogte van de WIA-uitkering per 21 april 2022 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op grond van artikel 16 van Pro de Wfsv wordt onder loon voor de sociale verzekeringen verstaan het loon in de zin van de wet op de loonbelasting 1964. In afwijking van die wet behoort niet het sv-loon dat wat uit vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Voor deze zaak is relevant dat op grond van artikel 16, tweede lid, onder a uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen wel tot het sv-loon behoren, evenals aanvullingen die daarop worden verstrekt door de werkgever tot wie de betrokken werknemer in dienstbetrekking staat.
5.2.
In artikel 17, eerste lid, van de Wfsv is bepaald dat geen premies voor de werknemersverzekeringen zoals de WW en de Wet WIA worden geheven boven een bij ministeriele regeling vast te stellen maximum per jaar. Het dagloon dat ten grondslag ligt aan uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen bedraagt op grond van artikel 17 van Pro de Wfsv ten hoogste dit bedrag omgerekend naar een loontijdvak van een dag, waarbij het kalenderjaar wordt gesteld op 261 dagen. In artikel 1b van de WW is geregeld dat het WW-dagloon ten hoogste bedraagt het maximum als opgenomen in artikel 17, eerste lid, van de Wfsv.
5.3.
Uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit volgt dat het loon dat is genoten tijdens de referteperiode bepalend is voor de vaststelling van het dagloon.
5.4.
Voor het dagloon voor de WIA-uitkering is van belang dat op grond artikel 14 van Pro het Dagloonbesluit onder loon wordt verstaan het loon in de zin van artikel 16 Wfsv Pro, met uitzondering van de toeslagen en aanvullingen genoemd in artikel 16, tweede lid, onderdeel a van die wet.
5.5.
Op grond van artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit wordt, indien in de referteperiode het loon geheel of gedeeltelijk heeft bestaan uit een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen, het bedrag van de uitkering gesteld op de uitkomst van een vermenigvuldiging met een breuk waarbij de teller gelijk is aan 100 en de noemer gelijk aan het uitkeringspercentage, doorgaans 70%.
5.6.
Niet in geschil is dat appellante per 21 april 2022 recht heeft op een WIA-uitkering. Ook is niet in geschil dat de referteperiode voor het dagloon loopt van 1 maart 2020 tot en met 28 februari 2021. In deze periode heeft appellante van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2020 een WW-uitkering ontvangen en daarnaast van 1 februari 2020 tot en met 31 juli 2020 een bovenwettelijke uitkering. Van 25 augustus 2020 tot en met 28 februari 2021 heeft appellante loon ontvangen uit het dienstverband met de Stichting [naam 2] . Het Uwv heeft het WIA-dagloon gebaseerd op de WW-uitkering van appellante en het loon uit het dienstverband met de Stichting [naam 2] . De hoogte van de WIA-uitkering, die is gebaseerd op het maximum dagloon, is niet in geschil. Ter beoordeling ligt voor of het Uwv de hoogte van het ongemaximeerde WIA-dagloon terecht heeft vastgesteld op € 344,77. De hoogte van het ongemaximeerde dagloon is van belang voor de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen van appellante.
Hoort de bovenwettelijke uitkering tot het loon voor het WIA-dagloon?
5.7.
De grond dat de bovenwettelijke uitkering tot het loon voor het WIA-dagloon moet worden gerekend slaagt niet. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv de bovenwettelijke uitkering terecht niet heeft meegenomen bij de vaststelling van het WIAdagloon. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, kan de bovenwettelijke uitkering niet worden aangemerkt als wachtgeld.De bovenwettelijke uitkering is dus geen uitkering op grond van de werknemersverzekeringen. Op grond van artikel 14 van Pro het Dagloonbesluit wordt voor het bepalen van het WIA-dagloon onder loon verstaan loon in de zin van artikel 16 van Pro de Wfsv met dien verstande dat niet onder loon wordt begrepen aanvullingen op de uitkering op grond van de werknemersverzekeringen. De bovenwettelijke uitkering is een dergelijke aanvulling. Anders dan de rechtbank heeft overwogen behoren aanvullingen op de uitkering op grond van artikel 16 Wfsv Pro in beginsel tot het sv-loon, maar worden deze voor het WIA-dagloon op grond van artikel 14 van Pro het Dagloonbesluit buiten beschouwing gelaten. [3]
Is artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit in dit geval in strijd met hoger recht?
5.8.
Appellante heeft aangevoerd dat artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit buiten toepassing moet blijven omdat toepassing van dit artikellid voor de groep verzekerden met een WWdagloon boven het maximum dagloon in strijd komt met hogere regelgeving. Appellante doet daarbij een beroep op bepalingen in het EVRM, het EP bij het EVRM en op het evenredigheidsbeginsel.
5.8.1.
Artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit is een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Een dergelijk voorschrift kan worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. Daarnaast kunnen aan de inhoud of wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige gebreken kleven dat het om die reden geen toepassing kan vinden. Bij deze exceptieve toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. [4]
Artikel 14 van Pro het EVRM: verbod van discriminatie
5.9.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat bij de vaststelling van het WIAdagloon sprake is van onderscheid op basis van handicap. Zoals op de zitting van de Raad is besproken, pleit appellante er uitdrukkelijk niet voor de bepalingen voor de vaststelling van het WW-dagloon toe te passen op het WIA-dagloon. Het onderscheid dat volgens appellante wordt gemaakt bestaat eruit dat de rekenregel van artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit tot verschillende uitkomsten leidt bij aan de ene kant een verzekerde met een WW-uitkering in de referteperiode naar een gemaximeerd dagloon en bij aan de andere kant een verzekerde met een WW-uitkering naar een dagloon dat lager is dan het maximum dagloon. In het geval van een verzekerde met een WW-dagloon dat hoger is dan het maximum dagloon, leidt het omrekenen van de in een tijdvak genoten bruto-uitkering naar een loonbedrag dat lager is dan het voorheen genoten loon, zoals appellante terecht heeft aangevoerd. Dit betreft naar het oordeel van de Raad geen onderscheid op basis van handicap, maar een onderscheid op basis van inkomensstatus. Hierbij is geen sprake van een verdacht onderscheid. De wetgever heeft in socialezekerheidszaken een ruime ‘margin of appreciation’. Bij een regeling op het gebied van de sociale zekerheid met daarin een niet verdacht onderscheid, kan de keuze van de wetgever gevolgd worden tenzij deze van redelijke grond is ontbloot. [5] Hiervan is geen sprake. De begrenzing van het dagloon tot het maximum dagloon is neergelegd in artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA. Het is een bewuste keuze geweest van de wetgever om de hoogte van de uitkering te koppelen aan het maximumpremieloon. Deze keuze is bezien vanuit de verzekeringsgedachte (equivalentiebeginsel) ook logisch; men is verzekerd tot een bepaald bedrag en betaalt daarnaar premie en wanneer het risico intreedt wordt de uitkering ook op dit bedrag gebaseerd.
Artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM
5.9.1.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat met het bestreden besluit inbreuk wordt gemaakt op haar eigendomsrecht omdat het daarbij vastgestelde ongemaximeerde WIA-dagloon ruim € 60,- lager is dan het inkomen per dag dat appellante feitelijk heeft ontvangen in de referteperiode.
5.9.2.
In de eerste twee volzinnen van artikel 1 van Pro het EP is bepaald dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom (in de oorspronkelijke Engelse tekst “possessions”). Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Onder eigendom in de zin van deze bepaling moet niet alleen worden verstaan bestaande bezittingen, maar ook vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe de betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd. Alvorens kan worden toegekomen aan de vraag of artikel 1 van Pro het EP is geschonden, dient eerst te worden beoordeeld of er sprake is van eigendom.
5.9.3.
Door de toepassing van artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit is geen inbreuk gemaakt op een bestaand eigendomsrecht van appellante. Uit artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit blijkt duidelijk dat de uitkomst van de herberekening van de WW-uitkering naar een loonbedrag niet hoger kan zijn dan het maximum dagloon. Voor zover appellante de verwachting had dat het ongemaximeerde WIA-dagloon zou worden berekend met inachtneming van het eerdere WW-dagloon, was deze verwachting dus niet gerechtvaardigd. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens beschermt artikel 1 van Pro het EP niet het recht zich eigendom te verwerven. Van een inmenging in een door artikel 1 van Pro het EP beschermd eigendomsrecht is hier dan ook geen sprake. Noch artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit, noch de toepassing van deze bepaling in dit geval, is dan ook in strijd met artikel 1 van Pro het EP.
Artikel 13 van Pro het EVRM: recht op een effectief rechtsmiddel
5.10.
Het beroep van appellante op artikel 13 van Pro het EVRM kan evenmin slagen. Appellante heeft zowel tegen het bestreden besluit van het Uwv als tegen het besluit van het ABP over haar arbeidsongeschiktheidspensioen rechtsmiddelen aangewend. Dat deze procedures niet hebben geleid tot het door appellante gewenste resultaat, betekent niet dat geen sprake is van een effectief rechtsmiddel.
Toetsing van artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit aan het evenredigheidsbeginsel
5.11.
De grond dat artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit buiten toepassing moet blijven vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Volgens appellante heeft de regelgever met de rekenregel van artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit een onzorgvuldige keuze gemaakt, nu het doel van dit artikellid, terugkeren naar datgene dat met arbeid verdiend zou zijn, alleen wordt bereikt voor verzekerden met een dagloon dat lager is dan het maximum dagloon. Dit effect zou weggenomen kunnen worden door in plaats van deze rekenregel terug te keren naar het ongemaximeerde WW-dagloon voor de periode waarin een WW-uitkering ontvangen werd.
5.11.1.
Door de rekenregel in artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit wordt de WWuitkering die appellante tijdens de referteperiode heeft ontvangen, omgerekend naar het volledige (gemaximeerde) WW-dagloon. Het doel hiervan is te voorkomen dat de WWuitkering een verlagend effect heeft op het WIA-dagloon doordat de WW-uitkering 70% (en de eerste twee maanden 75%) van het WW-dagloon bedraagt. Het is niet de bedoeling van de regelgever geweest om met de rekenregel in artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit rekening te houden met een WW-dagloon dat hoger is dan het maximum dagloon. De bepalingen in artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit zien op de vaststelling van het WIA-dagloon, waarbij de omrekening van de WW-uitkering wordt beperkt tot het gemaximeerde WW-dagloon zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder t, van het Dagloonbesluit in verbinding met artikel 1b van de WW. Appellante is het in feite niet eens met de beperking van de omrekening tot het maximum dagloon bij inkomens hoger dan het maximum dagloon. Dat artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit geen rekening houdt met bedragen boven het maximum dagloon, maakt niet dat deze bepaling tot onevenredige uitkomsten leidt. Daarbij tekent de Raad aan dat deze maximering voortvloeit uit wetgeving in formele zin, namelijk artikel 1b van de WW en artikel 17 van Pro de Wfsv. Voor zover appellante heeft betoogd dat de maximering van het dagloon op grond van deze artikelen in zijn algemeenheid in strijd is met het evenredigheidsbeginsel wordt het volgende opgemerkt.
5.11.2.
Volgens vaste rechtspraak verzet het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet zich in zijn algemeenheid tegen toetsing van een wettelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. Toepassing van de wettelijke bepaling blijft echter achterwege als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor een andere uitkomst nodig is dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [6] Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Het is een bewuste keuze van de formele wetgever dat het sv-uitkeringsloon gelijk is aan het sv-premieloon. Over loonbestanddelen die niet tot het sv-uitkeringsloon behoren is met invoering van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten (Wet Walvis) niet langer premie verschuldigd. Omgekeerd geldt dat over die loonbestanddelen, waarvan het wenselijk wordt gevonden dat deze tot het sv-uitkeringsloon behoren, altijd premie verschuldigd zal zijn. Op deze manier wordt recht gedaan aan het beginsel dat de hoogte van de premie is afgestemd op de hoogte van het verzekerde risico (equivalentiebeginsel). [7]
Rechtstreekse toets van het besluit aan het evenredigheidsbeginsel
5.12.
Met het bestreden besluit heeft Uwv toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. De door appellante gestelde bijzondere omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat het bestreden besluit voor haar onredelijk bezwarend is. Daarvoor is het volgende van belang.
5.12.1.
Uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit volgt dat het loon dat is genoten tijdens de referteperiode bepalend is voor de vaststelling van het dagloon. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode, het zogenoemde historisch dagloon. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is hieraan inherent dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. [8] De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. De wijze waarop het dagloon wordt berekend staat los van het arbeidsverleden en het daarin verdiende inkomen; het gaat erom wat in de referteperiode is genoten. Het ongemaximeerde WIA-dagloon van appellante is lager dan haar eerdere loon uit de dienstbetrekking bij haar vroegere werkgevers omdat zij tijdens de referteperiode voor de WIA gedurende zes maanden een WW-uitkering heeft ontvangen. Het bedrag van de WW-uitkering is met toepassing van de rekenregel in artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit gesteld op het maximum WW-dagloon, wat lager is dan het loon uit dienstbetrekking dat zij gewend was te ontvangen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat het bestreden besluit onredelijk bezwarend is. Dat het arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP voor appellante hierdoor lager uitvalt, is geen bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten geven om in afwijking van de wettelijke regels tot een hoger ongemaximeerd dagloon te komen.

Conclusie en gevolgen

5.13.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit, waarbij het ongemaximeerde WIA-dagloon per 21 april 2022 is vastgesteld op € 344,77, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en A.I. van der Kris en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
(getekend) T. Dompeling
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet WIA
Artikel 12
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. loon: het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen; […].
Artikel 13
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
Wet financiering sociale verzekeringen
Artikel 16. Loon
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.
2. Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat en met uitzondering van toeslagen op grond van de Toeslagenwet;
b. eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964;
c. een tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 65l van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 17. Maximum premieloon
1. Het loon, waarnaar de premies op grond van dit hoofdstuk worden geheven, wordt bij dezelfde werkgever tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, met betrekking tot het kalenderjaar vastgestelde bedrag. Voorts bedraagt het dagloon dat aan de uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen of vrijwillige werknemersverzekeringen ten grondslag ligt of wordt gelegd ten hoogste het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, waarbij het kalenderjaar wordt gesteld op 261 dagen.
(…)
Dagloonbesluit
Artikel 13. Referteperiode voor Wet WIA en WAO
1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
(…)
Artikel 14
Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van Pro de Wfsv met dien verstande dat niet onder loon wordt begrepen:
a. de toeslagen en aanvullingen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van die wet;
b. een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 ten aanzien waarvan de werkgever met toestemming van de inspecteur van de rijksbelastingdienst geen correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de laatstgenoemde wet heeft ingediend; en
c. een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.
Artikel 16
[…]
3. Indien het loon in de referteperiode geheel of gedeeltelijk heeft bestaan uit een uitkering wordt voor de toepassing van het eerste lid het bedrag van de uitkering gesteld op de uitkomst van de volgende berekening:
((100 × E) / F)
waarbij:
E staat voor de uitkering; en
F staat voor:
a. 70, dan wel
b. indien het uitkeringspercentage op grond van de ZW, de WAO, hoofdstuk 6 van de Wet WIA of van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo hoger is dan 70, het uitkeringspercentage waarnaar de uitkering is berekend; of
c. 100, indien artikel 53 of Pro 63 van de Wet WIA van toepassing is, dan wel
d. indien de teller van de factor, bedoeld in artikel 53 of Pro 63 van de Wet WIA lager is, de waarde van die teller.
Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 13
Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.
Artikel 14
Op grond van artikel 14 EVRM Pro zijn de verdragsstaten verplicht de rechten en vrijheden, vermeld in het verdrag, te garanderen zonder discriminatie op welke grond dan ook.
Het Eerste Protocol bij het EVRM
Artikel 1
In artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM is opgenomen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

Voetnoten

1.CBb. 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
2.CRvB 30 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1523.
3.3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1714.
4.Zie ook de uitspraak van de Raad van 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016, r.o. 7.5.1 en de uitspraak van de Raad van 2 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1282, r.o. 4.2.2.
5.Vergelijk bijvoorbeeld CRvB 24 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:209.
6.Vergelijk CRvB 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622, en ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 (overwegingen 9.11 tot en met 9.14).
7.Kamerstukken II 2001/02, 28219 nr. 3, blz. 5 (Mvt Wet Walvis).
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2458 en de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2025, ECLI:CRVB:2025:1541.