Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.Er is daarom volgens het Uwv geen sprake van een onderscheid op basis van handicap tussen de vaststelling van het WW-dagloon ten opzichte van het WIA-dagloon.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante betwistte de vaststelling van haar ongemaximeerde WIA-dagloon door het UWV, omdat zij meent dat de berekening geen recht doet aan haar werkelijke inkomen tijdens de referteperiode, mede door het buiten beschouwing laten van een bovenwettelijke uitkering en de toepassing van artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit.
Zij voerde aan dat deze regeling leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid op basis van handicap en inkomensstatus, en dat dit in strijd is met artikel 14 EVRM Pro, artikel 1 EP Pro bij het EVRM en het evenredigheidsbeginsel. Tevens stelde zij dat het lagere dagloon onredelijk nadelige gevolgen heeft voor haar arbeidsongeschiktheidspensioen.
De Raad oordeelde dat de bovenwettelijke uitkering terecht buiten beschouwing is gelaten omdat deze niet tot het sv-loon behoort. Het onderscheid in de dagloonberekening betreft een inkomensstatus en is niet verdacht. De maximering van het dagloon is een bewuste wettelijke keuze, passend binnen het equivalentiebeginsel. Er is geen sprake van een inbreuk op eigendomsrecht of gebrek aan een effectief rechtsmiddel.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet onredelijk bezwarend is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het ongemaximeerde WIA-dagloon op €344,77 blijft vastgesteld.
Uitkomst: Het ongemaximeerde WIA-dagloon van €344,77 wordt bevestigd, zonder schending van hogere regelgeving of het evenredigheidsbeginsel.