ECLI:NL:CRVB:2026:883
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering en mentorschap zonder terugwerkende kracht
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van bewindvoering en mentorschap vanaf 1 januari 2022. Het college kende bijzondere bijstand toe vanaf 1 maart 2023, met een draagkrachtkorting, en wees de aanvraag voor de periode daarvoor af vanwege het ontbreken van een tijdige aanvraag.
Appellant stelde dat het college proceskosten in bezwaar had moeten vergoeden, bijzondere bijstand met terugwerkende kracht had moeten toekennen, en dat het beleid niet consistent werd toegepast. De Raad oordeelde dat het college niet verplicht was proceskosten te vergoeden omdat het besluit niet was herroepen, en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
Verder werd geoordeeld dat de nalatigheid van de bewindvoerder voor rekening van appellant komt, het gelijkheidsbeginsel niet tot herhaling van een incidentele fout dwingt, en dat het evenredigheidsbeginsel geen toetsing van de wettelijke termijnbepaling toestaat. De draagkrachtberekening was volgens de Raad correct toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand zonder toekenning van terugwerkende bijzondere bijstand of proceskostenvergoeding.