ECLI:NL:GHAMS:2011:BP5334
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrekbaarheid kosten brug en kronen als hulpmiddel bij ziekte
Belanghebbende had voor zijn echtgenote in 2006 kosten gemaakt voor het plaatsen van een brug en kronen, welke hij als buitengewone uitgaven wegens ziekte aftrok in zijn aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat een brug en kronen volgens hem geen hulpmiddelen zijn zoals bedoeld in de wet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het plaatsen van een brug en kronen tot het onderhoud van het gebit behoort en niet tot het gebruik van hulpmiddelen die een elementaire lichaamsfunctie overnemen. De rechtbank vond dat de verhogingsfactor en aftrek wegens chronische ziekte niet van toepassing waren.
In hoger beroep stelde het hof dat de brug de echtgenote in staat stelt een elementaire lichaamsfunctie, namelijk bijten en kauwen, te vervullen die zij zonder de brug niet kon uitvoeren door het verlies van haar tanden. Het hof verwierp de stelling van de inspecteur dat het van belang zou zijn of tanden nooit aanwezig waren geweest of later verloren gingen. Ook werd het argument dat de brug louter cosmetisch was, verworpen.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en stelde het belastbaar inkomen lager vast door toepassing van de verhogingsfactor en aftrek wegens chronische ziekte. Tevens veroordeelde het hof de inspecteur in de proceskosten en gelastte vergoeding van griffierechten.
Tegen deze uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag door toepassing van de aftrekbaarheid van de kosten van de brug als hulpmiddel.