Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
Beslissing
2.Tussen partijen vaststaande feiten
2.1 Kosten levensonderhoud en studie
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
5.Beoordeling van het geschil
Het Hof voegt daaraan toe dat een belastingplichtige met elk bewijsmiddel kan doen blijken dat hij de hem ter beschikking gestelde auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt in de zin van artikel 13bis, van de Wet op de loonbelasting 1964 (vergelijk HR 13 september 1989, nr. 26.254, BNB 1989/318). Belanghebbende heeft zich kennelijk niet op het standpunt gesteld dat zij ‘anderszins’ als bedoeld artikel 13bis, lid vier, van de Wet op de loonbelasting 1964 aan voornoemde bewijslast heeft voldaan. Voor het geval belanghebbende zich
wélop dat standpunt stelt, volgt naar het oordeel van het Hof uit de gedingstukken niet dat belanghebbende - mondeling of schriftelijk - heeft doen blijken dat zij de auto voor niet meer dan 500 kilometer privé heeft gebruikt.
uitgaven voor levensonderhoud van kinderen(als bedoeld in artikel 6.13, lid 1, Wet IB 2001; verder ook ‘de onderhoudsuitgaven’) in mindering op haar inkomen te brengen.
tochin aanmerking genomen indien kort gezegd:
- de vader recht op kinderbijslag heeft, en
- de kinderbijslag van belanghebbende op grond van een samenloopregeling
(Stcrt. 2004, 249, p. 28)
Het maakt verder niet uit hoe de uitbetaling van het recht op kinderbijslag van de andere ouder daadwerkelijk heeft plaatsgevonden(cursivering Hof)
.Zie artikel 35 van Pro de URIB 2001.”
aan hem geheel of gedeeltelijk(cursivering Hof) wordt uitbetaald, zijn recht op kinderbijslag geheel geldend maakt”). De wijze van uitbetaling (op rekening van de vader in plaats van op belanghebbendes eigen rekening) is niet relevant.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat de inspecteur met betrekking tot deze aftrekpost het vertrouwensbeginsel - of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur - heeft geschonden. Het Hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. De aftrekpost is pas voor het eerst in de aangifte inkomstenbelasting over 2008 opgevoerd. Weliswaar is de aangifte bij de aanslagregeling gevolgd, maar belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarbij sprake is geweest van omstandigheden die bij haar de indruk hebben kunnen wekken dat de door de inspecteur met betrekking tot de aanslagregeling 2008 gevolgde gedragslijn (het accepteren van de desbetreffende aftrekpost) op een bewuste standpuntbepaling berustte (zie HR 13 december 1989, rolnr. 25 0777, BNB 1990/119). Belanghebbende heeft in ieder geval niet aannemelijk gemaakt dat zij de voor het beoordelen van deze aftrekpost relevante stukken ter zake van de heffing van inkomstenbelasting over 2008 heeft ingestuurd en dat de inspecteur destijds, zoals belanghebbende betoogt, na controle en belanghebbendes toelichting, de aftrekpost heeft geaccepteerd.