Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
1. Afwijking van de aangifte
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de verzekeringsplicht:
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, werkzaam op een binnenschip in Europese binnenvaart, was in het eerste kwartaal van 2014 in dienst bij een Cypriotische werkgever en daarna bij een werkgever in Liechtenstein. De Sociale Verzekeringsbank gaf een A1-verklaring af die de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing verklaarde voor die periode. De inspecteur weigerde vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen en aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing.
De rechtbank oordeelde dat de A1-verklaring rechtsgeldig is en dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor vrijstelling van premieheffing. Ook werd vastgesteld dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing, mede omdat Nederland geen belastingverdrag met Cyprus of Liechtenstein heeft en er geen aannemelijk bewijs was van belastingafdracht in die landen.
In hoger beroep bevestigde het hof deze standpunten. Het hof benadrukte dat de inspecteur en rechter gebonden zijn aan de A1-verklaring zolang deze niet is ingetrokken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen sprake was van begunstigend beleid of meerderheid van vergelijkbare gevallen met afwijkende behandeling. Ook de aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van buitenlandse belastingafdracht en toepasselijkheid van de relevante fiscale wetgeving.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.