Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.2. Feiten
-Projectadministratie 2015/2016 en WELKE personen HOEVEEL uur WAAR werkzaam zijn geweest gedurende deze jaren.
3.3. Geschil in hoger beroep
4.4. Beoordeling van het geschil
Naar het verslag van het verhoor van een van de vennoten is in de informatiebeschikking uitsluitend verwezen om aan te geven dat die vennoot op de desbetreffende dag een afspraak had met het Schoonmaak Interventie Team, omdat de controlemedewerker van die gelegenheid gebruik maakte om voorafgaand aan het verhoor aan hem de administratie ter beschikking te stellen.
De gemachtigde van belanghebbende zal aan de hand van deze stukken bepalen of hij zijn klacht dat 8:42-stukken ontbreken, handhaaft dan wel intrekt.
(…)
De inspecteurverklaart – zakelijk weergegeven – in eerste termijn en mede op vragen van het Hof als volgt.
(…)
Over de vraag of er nog derdenonderzoeken zijn verricht bij andere bedrijven dan de twee bedrijven, ‘Stichting [1] ’ en ‘Stichting [2] ’, die zijn genoemd op pagina 9 van het tot de gedingstukken behorende controlerapport merk ik nog het volgende op. De bedrijven waarvan personeel zou zijn ingeleend bestaan niet meer. Daar hebben dus geen onderzoeken plaats kunnen vinden.
Hof:controlemedewerker van de Belastingdienst] voegt daaraan – zakelijk weergegeven – het volgende toe.
Van het bij ‘Stichting [1] ’ en ‘Stichting [2] ’ ingestelde derdenonderzoek heb ik geen separaat rapport opgesteld. Mijn bevindingen heb ik direct verwerkt in het controlerapport dat tot de gedingstukken behoort. Doel van het derdenonderzoek was om te achterhalen welke personen voor belanghebbende bij genoemde stichtingen hadden schoongemaakt. Bij belanghebbende ontbraken de gegevens. Ook de stichtingen hadden evenwel geen gegevens, vandaar dat ik heb volstaan met een korte verslaglegging daarover in het concept controlerapport.
Daarmee is het geschil over de toepassing van artikel 8:42 Awb Pro dan beperkt tot de vraag of de inspecteur overigens heeft nagelaten op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen. Het gaat meer specifiek om een vastlegging van bevindingen van onderzoeken bij derden, een verslag van een verhoor van een van de vennoten van belanghebbende door het Schoonmaak Interventie Team van de Belastingdienst en door belanghebbende niet nader aangeduide brieven en memo’s.
Stb.2011, 301).
Overigens rust volgens de inspecteur de bewijslast (ter zake van feiten die van belang zijn) voor het al dan niet terecht toepassen van de verleggingsregeling op de leverancier die deze toepast en dat is volgens hem in casu niet belanghebbende. Bovendien is de controle volgens de inspecteur gericht op alle aspecten van de aangiften omzetbelasting, zoals ook de in aftrek gebrachte voorbelasting en dus niet uitsluitend op de toepassing van de verleggingsregeling.
In verband met hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd voegt het Hof hier het volgende aan toe.
De informatieverplichtingen, alsmede de behoefte aan rechtsbescherming, gelden in die situatie onverminderd. Wel is het zo dat in het licht van de jurisprudentie waar de Raad op wijst [
Hof: de arresten HR 3 februari 2006, BNB 2006/204 en 205] het rechtsgevolg van omkering en verzwaring van de bewijslast niet optreedt wanneer de vragen uitsluitend betrekking hebben op posten die leiden tot belastingvermindering.”,
Kamerstukken II2009/10, 30 645, nr. 15, p. 3.
5.5. Kosten
6.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing inzake de vergoedingen van proceskosten, griffierecht en immateriële schade;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de informatiebeschikking, doch uitsluitend voor zover deze ziet op de aan de firmanten van belanghebbende en familieleden op te leggen aanslagen IB/PVV voor het jaar 2015, alsmede voor zover de informatiebeschikking betrekking heeft op het jaar 2017 dan wel in dat jaar gelegen tijdvakken;
- handhaaft de informatiebeschikking voor het overige;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.496, en
- draagt de inspecteur op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 519 aan belanghebbende te vergoeden.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.