Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en ongegrond voor zover het is gericht tegen de alsnog genomen uitspraak op bezwaar en het dwangsombesluit;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 2.311,11;
- veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 1.688,89;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht voor een bedrag van € 177 aan eiseres te vergoeden; en
- draagt de Minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht voor een bedrag van € 177 aan eiseres te vergoeden.”
2.Feiten
3.Geschil in het principaal en het incidenteel hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
5.Beoordeling van het incidenteel hoger beroep
Bij de rechtbank betoogde belanghebbende dat de inspecteur haar een toezegging zou hebben gedaan, die kort gezegd inhoudt dat haar geen invorderingskosten en -rente meer in rekening zouden worden gebracht. De stukken die hierover in hoger beroep zijn ingediend laten echter zien dat door de inspecteur geen toezegging is gedaan, maar dat uitsluitend gesproken is over het opheffen van belanghebbende en eventuele gevolgen die daar nadien aan zouden worden verbonden voor reeds opgelegde belastingaanslagen. Belanghebbende is echter tot op de dag van vandaag niet opgeheven (of ontbonden), zodat belanghebbende zich tegen beter weten in heeft beroepen op een afspraak over de gevolgen daarvan (nog los van de omstandigheid dat een inspecteur tot het maken van een dergelijke afspraak niet bevoegd is). Bij het bespreken van deze kwestie op de zitting bij het Hof heeft belanghebbende vervolgens de (gewijzigde) stelling betrokken dat wel een toezegging bestaat, alleen niet van
de inspecteur, maar van
de ontvanger. Belanghebbende heeft echter ook toegegeven dat zij daar geen begin van bewijs voor heeft ingebracht in deze zaak en dat het dus bij een blote stelling blijft. De ontvanger heeft gemotiveerd weersproken dat een dergelijke toezegging bestaat en dat het niet in rekening brengen van invorderingskosten en -rente niet past bij de werkwijze van de ontvanger, hetgeen het Hof geloofwaardig acht. Het innemen van stellingen waarvan belanghebbende weet dat deze niet juist zijn en het innemen van – en bij weerspreking persisteren in – uit de lucht gegrepen, ongefundeerde stellingen beschouwt het Hof als procederen tegen beter weten in.
6.Beoordeling van het principaal hoger beroep
7.Kosten
8.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de veroordeling van de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van € 1.688,89 en tot vergoeding van het griffierecht tot een bedrag van € 177, en
- verklaart het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.