Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
“ [geintimeerde] heeft een bandje en daaruit zou blijken wie achter de mails zit Hij kreeg nu bezoek en belt mij zo terug Ik krijg het bandje ook denk ik Bel je straks”.
“Voor het overige (…) geen plicht”bestaat
“u te informeren over de vijf
, temeer nu ik niet woon in Nederland maar in Qatar”.
“toneelstukje”was tegen betaling door [appellant] .
“vandaag opnieuw een sommatie en bevel tot het verschaffen van inlichtingen omtrent de inkomens- en vermogenspositie van en voor verhaal vatbare goederen aan [appellant] betekend”heeft en [appellant] gesommeerd om
“het volledige uitgeleende bedrag inclusief verbeurde rente en kosten te voldoen”en bij gebreke daarvan
“dit keer wel aan het bevel van de deurwaarder te voldoen.”
4.Beoordeling
primair: een opgave van de omvang, samenstelling en allocatie van zijn volledige binnenlandse en buitenlandse inkomen en vermogen, waaronder uitdrukkelijk begrepen alle deelnemingen in Nederlandse en buitenlandse vennootschappen, een en ander voorzien van een goedkeurende verklaring van een Nederlandse registeraccountant, ii)
subsidiair: inlichtingen te verschaffen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en
“Princess”en/of in het strafdossier met de door [geintimeerde] bij zijn vordering opgesomde coderingen aangeduid. Een en ander telkens
primair: op straffe van lijfsdwang,
subsidiair: op straffe van verbeurte van dwangsommen en indien het maximum aan dwangsommen is bereikt op straffe van lijfsdwang en
meer subsidiair: op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
primairhet bestreden vonnis in conventie te bekrachtigen en
subsidiairvoor zover een of meer vorderingen van [appellant] worden toegewezen, te bepalen dat [geintimeerde] aan die veroordelingen moet voldoen binnen een week nadat [appellant] heeft voldaan aan de veroordelingen in incidenteel hoger beroep. In incidenteel hoger beroep concludeert [geintimeerde] het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen te vernietigen. Ook [geintimeerde] heeft zijn eis in hoger beroep deels gewijzigd. [geintimeerde] vordert in hoger beroep:
“Princess”en/of in het strafdossier met de volgende coderingen zijn aangeduid: DOC-114, DOC-106, AMB-00lA, AMB-029, AMB-014, AMB-015, AMB-016, AMB-020, AMB-021, BOB-038a, AMB-030, DOC-324, DOC-394, DOC-395 en DOC-396.
primair: op straffe van onmiddellijke lijfsdwang tegen [appellant] voor de duur van een jaar,
subsidiair: op straffe van verbeurte van i) een
meer subsidiair: op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 100.000,00 en een periodieke dwangsom van € 50.000,00 per dag
“disputes in connection with or arising from this Agreement”. Naar het voorshandse oordeel van het hof valt niet in te zien dat het onderhavige kort geding niet onder deze ruim geformuleerde forumkeuze valt. De vorderingen van [geintimeerde] houden - anders dan [appellant] betoogt - immers wel degelijk verband met en vinden hun oorsprong in de leningsovereenkomsten. Voor zover de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet reeds uit deze forumkeuze volgt (artikel 8 lid 1 Rv, artikel 23 lid 1 EVEX II-Verdrag en/of artikel 25 lid 1 Herschikte EEX-Vo/Vo Brussel I bis), geldt het volgende.
grief 1komt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat vooralsnog onvoldoende concrete aanknopingspunten bestaan voor een rechtsbetrekking tussen [geintimeerde] en [appellant] , op grond van onrechtmatig handelen van [geintimeerde] jegens [appellant] , maar dat veeleer sprake is van vermoedens.
“(…) Er is geen naam en functie van een persoon/personen en/of entiteiten. Want niemand heeft mij opdracht gegeven om [appellant] te lasteren, dan wel een lastercampagne tegen hem te beginnen. Niemand, houdt dus ook echt in niemand! Ook niet [geintimeerde] . (…) Dit is mijn verklaring. Dit blijft mijn verklaring, en ik zal er geen woord van terug nemen. Dit is de waarheid.”Ook staat in deze verklaring dat van de zijde van [appellant] eind december 2019 aan [naam 3] het voorstel is gedaan dat [naam 3] zal verklaren dat [geintimeerde] de opdrachtgever was, tegen betaling van € 685.000,00 en onder intrekking van alle procedures van [appellant] tegen [naam 3] , dat het gesprek in februari 2020 waarop [appellant] zich beroept een
“toneelstukje”was en dat [naam 3] een aanbetaling heeft ontvangen van € 135.000,00. Gelet op de inconsistenties zijn de verklaringen van [naam 3] zodanig onbetrouwbaar dat van de juistheid daarvan geenszins kan worden uitgegaan.
“special projects lumpsum”) in het vooruitzicht. Zonder beloning had [naam 2] geen reden om [appellant] te belasteren. De aansporing en de in het vooruitzicht gestelde beloning van [geintimeerde] om [appellant] te onderzoeken waren dus cruciaal voor [naam 2] (en [naam 3] ) om verder te gaan met zijn (hun) lasterlijke activiteiten. [geintimeerde] had moeten begrijpen dat de informatie die [naam 2] verzamelde over [appellant] niet alleen met [geintimeerde] maar ook publiekelijk, waaronder met Quote, zou worden gedeeld. Op instigatie en ten behoeve van [geintimeerde] werd vervolgens eveneens op 2 december 2017 een lasterlijke e-mail aan het personeel van [appellant] gestuurd. Daarin werd de GABME-alert met de beschuldigingen aan het adres van [appellant] gedeeld en werd om informatie gevraagd over de activa van [appellant] ten behoeve van de compensatie van [geintimeerde] . [geintimeerde] onderhandelde vervolgens met [appellant] over de vso en wist dat [appellant] ernstige en schadelijke gevolgen ondervond van de lastercampagne. [geintimeerde] deelde daarna op verschillende momenten informatie met [naam 2] (of [naam 3] ) over zijn geschil met [appellant] . [naam 3] speelde die informatie vervolgens door aan Quote, wat [naam 3] en [naam 2] in staat stelde Quote te beïnvloeden. [geintimeerde] diende met die mogelijkheid rekening te houden.
“goud”waard was voor [geintimeerde] . Ook daarna was [geintimeerde] nog geïnteresseerd in informatie over [appellant] en liet dat aan [naam 2] blijken. Op 8 of 9 januari 2018 vroeg hij hem immers naar
“nieuws”over [appellant] . [geintimeerde] begreep althans had moeten begrijpen dat [naam 2] dit zou opvatten als een aansporing vooral door te gaan met zijn onderzoek en andere lasterlijke activiteiten. [geintimeerde] en [appellant] sloten vervolgens de vso, waarin [geintimeerde] verschillende voor hem zeer gunstige voorwaarden bedong en aldus profiteerde van de sterke onderhandelingspositie die hij genoot vanwege de lastercampagne (en mogelijk van de informatie die hij van [naam 2] ontving). [geintimeerde] verzweeg bovendien moedwillig dat hij zich ervan bewust was dat [naam 2] betrokken was bij de lastercampagne en berichtgeving in Quote, terwijl hij [appellant] zonder enige moeite of risico had kunnen waarschuwen. Hij ontnam [appellant] daarmee de kans om de laster
“wel interessant”vond. Hieruit volgt nog niet dat [geintimeerde] is ingegaan op het aanbod van [naam 2] om onderzoek te doen naar [appellant] , laat staan tegen betaling van een beloning. Dit valt - nog daargelaten de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 3] - ook niet op te maken uit het whatsappbericht van [naam 3] aan [naam 2] van 23 december 2017, inhoudende:
“(…) Ik heb quote uitgesteld ivm volgende punten (…) 4) er komt toch een [nummer] paginas verhaal in paper blad. En nu online zou wel scoop weggeven. 5) alle info komt van mij, behalve Lou RR foto. En die info gaf jij [geintimeerde] . (…)”en/of uit (het transcript van) het audiobericht van [naam 3] aan [naam 2] van 2 december 2017, luidende:
“(…) Wij, jij en ik hebben samen jouw gesprek voorbereid. Dat is gewoon goed gegaan. Drie doelen: algemeen belang, [geintimeerde] belang, jouw belang. Nou, dat ging perfect. Je hebt een baan aangeboden gekregen, security en wat wil je verdienen. Daarnaast heeft ie gezegd, de special projects lumpsum. Dus nu stap twee. Objective: contract tekenen. Volgende week op het werk erop en mij aankondigen. Dan stap drie: ik gesprek en maar objective is ook daar binnenkomen. Wat ik wil is dat jij sowieso vast daar zit (…). Het idee is: dat jij vaste dingen doet, met je vast salaris alles voor jou en special projects gaan jij en ik als malle wereldwijd om hem te helpen. (…) En die winst of dat omzet wat aan ons genereert, splitten we samen. Dus jij hebt je vaste salaris, jouw ding. En als wij, als je special projects doet, dan doe je dat samen met mij, daar worden we voor betaald en dat doen we fifty fifty. Zoiets. En misschien biedt hij mij weet ik veel een of andere sales functie aan. (…)”.Zo [geintimeerde] al informatie ontvangen heeft van [naam 2] , blijkt nergens uit dat dit de door [geintimeerde] bedoelde informatie in verband met de onderhandelingen over de vso betrof en zo [geintimeerde] al met [naam 2] heeft gesproken over een
“special projects lumpsum”blijkt nergens uit dat deze beloning verband houdt met onderzoek naar [appellant] . Het whatsappbericht duidt erop dat het om aan Quote verstrekte informatie in het kader van de lastercampagne gaat en in het geheel niet gebleken is dat voor [geintimeerde] nuttige informatie aan Quote is verschaft. Het audiobericht duidt veeleer erop dat de beloning verband houdt met een eventuele arbeidsovereenkomst tussen [naam 2] en (een van de ondernemingen van) [geintimeerde] . Enige betrokkenheid van [geintimeerde] bij de lastercampagne volgt hier dan ook niet uit. Ook blijkt nergens uit dat de gestelde aansporing en in het vooruitzicht gestelde beloning van [geintimeerde] om [appellant] te onderzoeken cruciaal voor [naam 2] (en [naam 3] ) waren om verder te gaan met zijn (hun) lasterlijke activiteiten of dat de e-mail aan het personeel van [appellant] van diezelfde dag op instigatie en ten behoeve van [geintimeerde] is verzonden. Zoals in de bodemprocedure overwogen, valt niet goed in te zien welk belang [geintimeerde] heeft bij een lastercampagne tegen [appellant] , nu hierdoor de terugbetaling van de leningen in gevaar wordt gebracht, terwijl [appellant] er wel belang bij lijkt te hebben om [geintimeerde] te beschuldigen van betrokkenheid bij de lastercampagne, om zo uitstel van zijn betalingsverplichtingen te verkrijgen en is het niet onaannemelijk dat [naam 3] een eigen persoonlijk belang had bij het starten van de lastercampagne eind 2018.
“het
“ [geintimeerde] heeft een bandje en daaruit zou blijken wie achter de mails zit Hij kreeg nu bezoek en belt mij zo terug Ik krijg het bandje ook denk ik Bel je straks”. Volgens [appellant] liet [naam 1] hem vervolgens weten dat [naam 1] de geluidsopname van [geintimeerde] had ontvangen en beluisterd, dat daarop een gesprek tussen [geintimeerde] en [naam 2] te horen was en dat [geintimeerde] hem geen toestemming had gegeven om de opname met [appellant] te delen. Het hof is voorshands van oordeel dat [appellant] door de mail van [naam 1] van 6 december 2017 en de mededeling dat daarop een gesprek tussen [geintimeerde] en [naam 2] te horen was over voldoende informatie beschikte om zelf, na nader onderzoek, in te grijpen. Het betoog van [appellant] dat [geintimeerde] naar aanleiding van de gesprekken met [naam 2] had moeten proberen de lastercampagne te stoppen faalt reeds daarom. Het gaat - zeker nu [geintimeerde] op dat moment nog geen wetenschap had van de bevindingen van de FIOD en [appellant] de laster weersprak - niet aan om dit bij [geintimeerde] neer te leggen. Bovendien komt het het hof onwaarschijnlijk voor dat als [geintimeerde] iets met de lastercampagne van doen zou hebben gehad, hij deze geluidsopname aan [naam 1] ter beschikking zou stellen, waaruit volgens hem valt op te maken dat [naam 2] betrokken is bij de lastercampagne.
“over een regeling met betrekking tot het geld dat ik hem had geleend”, valt naar het voorshandse oordeel van het hof niet aan te merken als het delen van vertrouwelijke informatie met [naam 2] . Dat [geintimeerde] tijdens dat gesprek informatie van [naam 2] ontving, die volgens [naam 3]
“goud”waard was voor [geintimeerde] , betekent niet dat het hier gaat om informatie ten nadele van [appellant] . Dat [geintimeerde] ook daarna nog geïnteresseerd was in informatie over [appellant] - en zo begrijpt het hof: ten nadele van [appellant] - en dat aan [naam 2] liet blijken, valt naar het oordeel van het hof niet op te maken uit de vraag
“(hij vroeg hoe het met mij ging, hoe mijn zaak met d ervoor stond). En of ik nog nieuws had”.Voor zover het hof al belang hecht aan verklaringen van en gerelateerd aan [naam 3] , volgt uit door [appellant] overgelegde whatsapp-/audioberichten van januari en februari 2018 veeleer dat het [naam 2] niet meer lukte nogmaals een afspraak met [geintimeerde] in te plannen.
grief 2komt [geintimeerde] op tegen de afwijzing van zijn vordering tot het verstrekken van informatie onder meer ex artikelen 475g Rv en 475aa Rv.
primairevordering tot verstrekking van informatie van [geintimeerde] voor toewijzing gereed, met dien verstande dat het hof geen grondslag ziet voor het toewijzen van de gevorderde goedkeurende verklaring van een Nederlandse registeraccountant. De door [geintimeerde] gevorderde datum van verstrekking (binnen vier weken na deze uitspraak) en peildatum (vier weken na deze uitspraak) acht het hof redelijk.
grief 3komt [geintimeerde] op tegen de afwijzing van zijn vordering tot inzage in bijlagen van het strafdossier van [appellant] ex artikel 843a (oud) Rv.
“Princess”en/of in het strafdossier met de coderingen zijn aangeduid en ziet daarmee op bepaalde bescheiden. [geintimeerde] voert aan met bedoelde bescheiden te kunnen identificeren welke aan [appellant] gelieerde (rechts-)personen gelden van hem hebben ontvangen en vast te stellen wat hun betrokkenheid (al dan niet in groepsverband) bij de strafbare gedragingen precies was. Het hof acht aannemelijk dat deze bescheiden [geintimeerde] relevant inzicht kunnen verschaffen over de organisatiestructuur en geldstromen van [appellant] . Met die informatie kan [geintimeerde] bepalen tegen welke van deze (rechts-)personen hij rechtsmaatregelen wil treffen. Het rechtmatig belang van [geintimeerde] is daarmee gegeven. Aan de drie cumulatieve vereisten voor toewijzing van een vordering tot inzage is voldaan.
“wanneer nog geen definitieve vervolgingsbeslissing is genomen, geldt als uitgangspunt dat geen informatie wordt verstrekt”. [geintimeerde] heeft echter onweersproken gesteld dat er nog één getuige dient te worden gehoord, waarna de strafzaak door de Officier van Justitie bij de strafrechter zal worden gebracht en dat de Officier van Justitie dus heeft besloten [appellant] te gaan vervolgen. Ervan uitgaande dat de nog te horen getuige niet [geintimeerde] is, acht het hof bij die stand van zaken doorkruising van het wettelijk stelsel niet aannemelijk.
primairlijfsdwang en
subsidiairdwangsommen en lijfsdwang indien de dwangsommen zijn volgelopen.
ultimum remediumdat slechts kan worden toegepast indien van geen ander executiemiddel het beoogde effect te verwachten is. Daarbij is vereist dat het belang van de schuldeiser bij toepassing van lijfsdwang zwaarder weegt dan het belang van de schuldenaar om daarvan gespaard te blijven. De rechter heeft hierin een discretionaire bevoegdheid.
primairevordering van [geintimeerde] zal dan ook worden afgewezen.
subsidiairevordering van [geintimeerde] om de veroordelingen te versterken met dwangsommen en lijfsdwang voor toewijzing gereed. In afwijking van de vordering van [geintimeerde] ziet het hof aanleiding de uit te spreken veroordelingen te versterken met i) een eenmalige dwangsom van € 100.000,00 ii) een periodieke dwangsom van € 50.000,00 per dag of dagdeel dat
geheel of gedeeltelijkin strijd met
een of meer vandeze veroordelingen en/of bevelen wordt gehandeld tot een maximum van € 1.000.000,00 en iii) indien het maximum aan dwangsommen is bereikt, onmiddellijke lijfsdwang tegen [appellant] voor de duur van
maximaaleen jaar.
grieven 3 respectievelijk 1komen [appellant] respectievelijk [geintimeerde] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij geen spoedeisend belang bij hun respectieve inzage- en informatievorderingen hebben.
5.Beslissing
“Princess”en/of in het strafdossier met de volgende coderingen zijn aangeduid te verstrekken: DOC-114, DOC-106, AMB-00lA, AMB-029, AMB-014, AMB-015, AMB-016, AMB-020, AMB-021, BOB-038a, AMB-030, DOC-324, DOC-394, DOC-395 en DOC-396;