Conclusie
1.Feiten en procesverloop
hostingbedrijf waar de vermogensbeheerder en haar dochtervennootschap hun e-mailverkeer hadden ondergebracht, [3] de verstrekking te vorderen van digitale gegevens als bedoeld in art. 126ng lid 2 en 126ug lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). [4]
hostingbedrijf onmiddellijke verstrekking van de desbetreffende gegevens gevorderd. Een medewerker van het
hostingbedrijf heeft aan die vordering gevolg gegeven door aan de vermogensbeheerder gerelateerde bestanden te kopiëren naar een externe harde schijf die in gebruik was bij de betrokken opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD.
hostingbedrijf gevorderde verstrekking van digitale gegevens.
hostingbedrijf verstrekte gegevens – circa 2.000.000 bestanden – vastgelegd op een externe harde schijf. Van de zich op de harde schijf bevindende bestanden hebben forensische IT-specialisten van de FIOD een zgn. ‘
image-kopie’ en een zgn. ‘werkkopie’ gemaakt. Deze werkkopie is overgezet in een computerprogramma waarmee grote hoeveelheden data kunnen worden geïndexeerd en doorzocht.
mogelijkegeheimhoudersstukken. [6] Deze bestanden zijn ‘uitgegrijsd’. Wanneer een bestand is ‘uitgegrijsd’ kan het niet meer worden geraakt door zoektermen bij eventuele volgende zoekslagen en is de inhoud ervan niet meer zichtbaar voor de bij het onderzoek betrokken opsporingsambtenaren. [7] Vervolgens worden de ‘uitgegrijsde’ bestanden door een forensisch IT-specialist verwijderd uit de dataset, waardoor zij ontoegankelijk worden gemaakt voor opsporingsambtenaren in het onderzoek.
imagekopie. Ook deze nieuwe werkkopie is met behulp van zoektermen geschoond van mogelijke geheimhoudersstukken, waarna de betreffende bestanden zijn ‘uitgegrijsd’.
nietals geheimhoudersstukken werden aangemerkt) zijn ter beschikking van het onderzoeksteam gesteld.
hostingbedrijf uitgeleverde bestanden zijn ongeveer 100 bestanden (waaronder e-mailberichten) opgenomen in het eindproces-verbaal ten behoeve van de strafzaak tegen de vermogensbeheerder c.s.
hostingbedrijf aangetroffen bestanden, in het bijzonder de bestanden met de nummers DOC- [001] tot en met DOC- [005] , hebben aanleiding gegeven tot doorzoeking ter inbeslagneming op grond van art. 96c Sv bij de accountant van de vermogensbeheerder (hierna aangeduid als: ‘het accountantskantoor’).
allebij het accountantskantoor in beslag genomen documenten en gegevens onder het (afgeleide) verschoningsrecht vallen, zodat deze stukken niet in beslag hadden mogen worden genomen en moeten worden teruggegeven aan het accountantskantoor. Ook hebben zij het standpunt ingenomen dat de doorzoeking bij het accountantskantoor onrechtmatig was, omdat de doorzoeking voortvloeit uit het gebruik van door het
hostingbedrijf verstrekte e-mails die onder het verschoningsrecht van de Advocaten vallen.
hostingbedrijf verstrekte documenten (DOC- [001] tot en met DOC- [005] ), die aanleiding hadden gegeven tot de doorzoeking ter inbeslagneming bij het accountantskantoor, te verwijderen uit het eindproces-verbaal dat aan de rechtbank wordt aangeboden bij het aanbrengen van de strafzaak. Aan dit besluit is nog geen uitvoering gegeven, volgens de Staat omdat het gelegde bewijsbeslag daaraan in de weg staat. [12]
dictumonder A tot en met C omschreven bescheiden; (3) bepaald dat in zoverre niet opnieuw bewijsbeslag mag worden gelegd krachtens die verlofbeschikking.
2.Inleidende beschouwingen
Het bewijsbeslag in relatie tot de daarop volgende procedure(s)
rechtmatig belangdient te hebben bij inzage, afschrift of uittreksel van de in beslag te nemen bescheiden en (ii) dat de bescheiden in het beslagverlof met
voldoende bepaaldheidworden omschreven. [31] Dit bepaaldheidsvereiste heeft de Hoge Raad voor het bewijsbeslag (in rov. 3.7.1) aldus uitgewerkt dat de in beslag te nemen bescheiden in het beslagverlof zo precies moeten worden omschreven als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verzoeker kan worden verlangd, omdat de beslaglegging niet mag ontaarden in een
fishing expedition. Het (onder i vermelde) vereiste van rechtmatig belang brengt volgens de Hoge Raad mee dat de verzoeker ‘zijn belang bij de beslaglegging voldoende aannemelijk [dient] te maken, alsmede feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de beslaglegging met het oog daarop noodzakelijk is’. Daartoe is nodig dat gegronde vrees bestaat dat de betrokken bescheiden anders verloren gaan, en dat de beoogde bewijsvoering niet op een andere, voor de beslagene minder ingrijpende wijze kan plaatsvinden.
ex parte’-verlof). [37]
ex parte’) verleend, juist om te voorkomen dat de vrees voor verduistering wordt bewaarheid. [38] De Hoge Raad laat deze wijze van verlofverlening ‘zo nodig’ toe, met name indien aannemelijk is dat uitstel de verzoeker onherstelbare schade zal berokkenen of indien aantoonbaar gevaar voor verduistering of verlies van bewijs bestaat. [39]
ex parte’ verlofverlening voor een bewijsbeslag kan leiden: de mogelijke doorkruising van een lopende strafzaak wanneer stukken uit een strafdossier in beslag zijn genomen en zijn afgegeven aan een gerechtelijk bewaarder.
gezichtspuntvoor de belangenafweging. De omstandigheid dat de vordering in de hoofdprocedure in eerste aanleg is afgewezen, terwijl het hoger beroep van die uitspraak nog loopt (vgl. art. 704 lid 2 Rv Pro), behoort, dienovereenkomstig, in de belangenafweging te worden betrokken. [50]
ex nunc’ moet worden beoordeeld, dus naar het tijdstip waarop de voorzieningenrechter oordeelt over de gevorderde opheffing. [54] Toegespitst op de onderhavige zaak, betekent dit dat, na eventuele vernietiging en verwijzing, de verwijzingsrechter de uitspraak in de exhibitieprocedure alsnog in de belangenafweging zal kunnen betrekken.
niet-ontvankelijkverklaard in zijn vordering of verzoek, indien de rechtsgang bij die andere rechter ter zake van het geschil ‘voldoende rechtsbescherming’ biedt, [55] met andere woorden: indien een ‘met voldoende waarborgen omklede rechtsgang’ openstaat of heeft opengestaan. [56] De burgerlijke rechter wordt daarom wel aangeduid als ‘restrechter’ voor gevallen waarin de strafrechter of bestuursrechter niet zulke rechtsbescherming kan bieden.
beklagprocedureeen ingang voor belanghebbenden om teruggave van strafvorderlijk in beslag genomen voorwerpen te verzoeken. [58] De beklagprocedure wordt door de burgerlijke rechter beschouwd als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Daarom biedt de civiele rechter in geschillen over de teruggave van strafvorderlijk in beslag genomen voorwerpen geen aanvullende rechtsbescherming, behalve waar het spoedeisende kwesties betreft waarover de raadkamer niet tijdig kan beslissen. [59] Overigens tast een last tot (feitelijke) teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan een bepaalde persoon de rechten van andere civielrechtelijk rechthebbenden niet aan. Het staat andere civielrechtelijk rechthebbenden vrij om conservatoir beslag te leggen onder de bewaarder. Art. 119 Sv Pro regelt de last tot teruggave. De bewaarder geeft het voorwerp niet terug zolang er een civielrechtelijk beslag op rust dat door een derde is gelegd, tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt (art. 119 lid 4 Sv Pro). [60]
ratiovan het gesloten stelsel – het voorkomen van doorkruising van de strafzaak – ook in zoverre tot terughoudendheid van de civiele rechter. De afwezigheid van een bijzondere rechtsgang in de strafrechtelijke sfeer kan immers berusten op een bewuste keuze van de wetgever. [65] Van belang is in dit verband dat volgens de heersende inzichten het enkele feit dat een bepaalde voorziening niet kan worden verkregen bij een gespecialiseerde overheidsrechter (zoals de strafrechter of de bestuursrechter), niet betekent dat de belanghebbende daarvoor zonder meer bij de civiele rechter terecht kan. [66]
onrechtmatige bewijsvergaringin het voorbereidend onderzoek in strafzaken. Het Wetboek van Strafvordering voorziet, anders dan bijvoorbeeld het Amerikaanse recht, niet in de mogelijkheid van een afzonderlijke ‘voorprocedure’ waarin de rechtmatigheid van de bewijsvergaring door het openbaar ministerie ter discussie kan worden gesteld vóórdat de strafrechter van het bewijsmateriaal kennisneemt. Het wettelijk systeem voorziet in toetsing
achteraf: ingevolge art. 359a Sv kunnen vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek leiden tot (a) strafvermindering, (b) bewijsuitsluiting of (c) niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De wetgever gaat, gelet op de onder b vermelde sanctie, kennelijk ervan uit dat de strafrechter in staat is om bewijs dat hij – ná kennisneming ervan – uitsluit, niet in zijn oordeelsvorming te betrekken. [67]
achterafvan onrechtmatige bewijsgaring. De Hoge Raad liet die beslissing in stand, overwegende dat de wet ervan uitgaat dat de (straf)rechter bij de beoordeling of het bewijs geleverd is, ‘in staat is buiten beschouwing te laten wat buiten beschouwing moet blijven’. [68]
enhet belang dat die verstoring achterwege blijft zó zwaarwegend is dat het belang van de verzoeker bij de verzochte bewijsverrichtingen daarvoor moet wijken (voorwaarde 2). De toetsing aan deze voorwaarden behoeft niet in alle gevallen
a priori(d.w.z. bij de beslissing over wel of niet toestaan van een voorlopig getuigenverhoor) te worden verricht, maar kan ook, per onderwerp of per vraag afzonderlijk, plaatsvinden tijdens het uitvoeren van het bevolen voorlopig getuigenverhoor (rov. 3.8.3). Tevens behoudt de rechter die met het voorlopig getuigenverhoor wordt belast zijn bevoegdheid op de voet van art. 179 lid 2 Rv Pro in verbinding met art. 189 Rv Pro om te beletten dat door een getuige vragen worden beantwoord die niet van belang zijn voor het geding bij de burgerlijke rechter, maar uitsluitend voor de strafzaak. Van deze bevoegdheid tot het beletten van de beantwoording van vragen kan de rechter ook gebruikmaken indien een zwaarwegend maatschappelijk belang bestaat bij geheimhouding van bepaalde feiten, zoals het geval kan zijn in verband met een lopend strafrechtelijk onderzoek. Hetzelfde geldt indien de getuige ter zake een geheimhoudingsplicht heeft en zich op die grond kan verschonen van beantwoording van de betrokken vragen, maar geen beroep doet op die bevoegdheid (rov. 3.8.4).
NJ2019/412 (onder 10) dat de Hoge Raad hiermee de lat voor het weigeren van de verzochte bewijsverrichting ‘aanzienlijk hoger’ legt dan het hof, dat slechts had onderzocht of ‘gevaar van doorkruising’ van het strafproces bestond. Krans acht het hoger leggen van de lat juist, omdat het recht op een voorlopig getuigenverhoor volgens hem niet te eenvoudig illusoir moet worden gemaakt. Annotator Kooijmans acht de benadering van de Hoge Raad te prefereren boven die van het hof in de betreffende zaak. Hij werpt wel de vraag op, hoe de burgerlijke rechter de voorwaarde van voldoende aannemelijke ‘daadwerkelijke verstoring’ van het strafproces moet toetsen en wie de burgerlijke rechter daarover voorlicht. Kooijmans pleit (in NJ 2019/412 onder 3) voor aansluiting bij de in art. 187d lid 1 Sv genoemde gronden waarop de rechter-commissaris voor strafzaken in het voorbereidend onderzoek kan beletten dat antwoorden van getuigen op vragen betreffende een bepaald gegeven ter kennis komen van de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman. Het gaat dan onder meer om situaties waarin informatie dreigt te worden geopenbaard die in verband met een ‘zwaarwegend opsporingsbelang’ afgeschermd moet blijven (zie art. 187d lid 1, aanhef en onder b, Sv).
timingen de wijze waarop getuigen of verdachten met bepaalde informatie worden geconfronteerd, de geplande inzet van dwangmiddelen bij de opsporing etc. [77] Dit raakt aan het door NJ-annotator Kooijmans naar voren gebrachte punt: hoe kan de burgerlijke rechter weten of zwaarwegend maatschappelijk belang bestaat bij geheimhouding van zulke informatie?
behorente worden toegevoegd. [80] Goed beschouwd kan dus onderscheid worden gemaakt tussen (i) stukken die zich feitelijk bevinden in het (mogelijkerwijs nog incomplete) ‘procesdossier’, (ii) ‘processtukken’ in de zin van art. 149a lid 2 Sv, waaronder ook relevante stukken vallen die nog niet aan het procesdossier zijn toegevoegd (evenals niet-relevante stukken die zich wél in het procesdossier bevinden) en (iii) andere ‘stukken’ die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek aan de orde zijn gekomen, maar die niet zijn opgenomen in het procesdossier en ook niet voldoen aan het relevantiecriterium. [81]
2.18hiervoor besproken jurisprudentie. [85]
derden, mits noodzakelijk met het oog op een ‘zwaarwegend algemeen belang’ voor bepaalde doeleinden (art. 39f Wjsg). [92] In de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is geregeld wanneer tot verstrekking aan derden kan worden overgegaan. Het betreft volgens deze Aanwijzing ‘geen plicht, maar een bevoegdheid’ van het openbaar ministerie. [93] De ontvangers van gegevens die op grond van de Wjsg zijn verstrekt, zijn in beginsel gehouden tot geheimhouding daarvan (zie art. 52 Wjsg Pro). Deze geheimhoudingsplicht bevestigt het gesloten karakter van de Wjsg: buiten de in de wet omschreven gevallen mogen de desbetreffende gegevens niet worden gedeeld met derden. [94]
binnende politieorganisatie (art. 8 e.v. Wpg) en tevens in de verstrekking van politiegegevens
daarbuiten, aan gezagsdragers, inlichtingendiensten of derden (art. 16 e.v. Wpg). Het betreft een gesloten regime: verstrekkingen mogen slechts worden gedaan als de wet daarin voorziet. [95] Hieraan doet niet af dat de wettelijke regels ten dele ‘open’ zijn geformuleerd. [96] Vermeldenswaard is dat ingevolge art. 3 lid 2 Wpg Pro geen verwerking mag plaatsvinden van politiegegevens die onrechtmatig zijn verkregen. [97]
exhibitieprocedure(zie alinea 2.17 hiervoor). Om die reden wordt het verschoningsrecht in deze paragraaf slechts summier behandeld.
eigen rechtvan de advocaat (in de zin van een mede door het EVRM beschermde processuele bevoegdheid). Dit recht lijkt echter niet te corresponderen met een
persoonlijk belangvan de advocaat (in de zin van een eigen belang dat van voornoemd algemeen belang te onderscheiden zou zijn). In dit opzicht verschilt het functionele verschoningsrecht van het familiale verschoningsrecht, dat juist wel correspondeert met een persoonlijk belang van de verschoningsgerechtigde. [109]
afgeschermdvoor de bij het onderzoek betrokken opsporingsambtenaren. Meer in algemene zin wordt kritiek geuit op de in de praktijk ontwikkelde figuur van de ‘geheimhoudersopsporingsambtenaar’, waarvoor geen wettelijke basis bestaat. [119]
doelvan de vernietiging – het voorkómen van ongewenste beïnvloeding van het opsporingsteam – lijkt te kunnen worden bereikt. [122] Met betrekking tot het derde, meer algemene kritiekpunt merk ik nog op dat in het nieuwe Wetboek van Strafvordering (volgens de nu voorliggende ontwerpregeling) geen rol meer is weggelegd voor de ‘geheimhoudersopsporingsambtenaar’ en de ‘geheimhoudersofficier van justitie’ als inhoudelijk beoordelaars. [123]
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onderdelen 2 en 3van het cassatiemiddel. Ten tweede meent de Staat dat het bewijsbeslag een ontoelaatbare doorkruising vormt van publiekrechtelijke regels, met name het verstrekkingenregime van de Wjsg en de Wpg en het stelsel van interne openbaarheid in het strafproces. Dit bezwaar wordt bestreken door de
onderdelen 1 en 5. Ten derde meent de Staat dat de Advocaten niet een eigen belang hebben om in een civiele procedure op te komen tegen een beweerde schending van hun verschoningsrecht in de strafzaak. Dit bezwaar komt aan de orde in
onderdeel 4.
onderdeel 6), de vraag of de in beslag genomen bescheiden met voldoende bepaaldheid zijn omschreven (
onderdeel 7), de vraag of de Staat de door de Advocaten gemaakte beslagkosten dient te vergoeden (
onderdeel 8) en de vraag of het hof op goede gronden een mededelingsverbod heeft opgelegd aan de Staat (
onderdeel 9). Het middel sluit af met een veegklacht die geen afzonderlijke bespreking behoeft (
onderdeel 10).
)beslag wel degelijk bevoegd en gehouden is om te beoordelen of het verlof terecht is verleend, dat wil zeggen: of voldaan is aan de voor het leggen van (bewijs)beslag geldende vereisten. Meer in het bijzonder geldt volgens de klacht dat in het opheffingskortgeding kan en moet worden getoetst aan het vereiste van ‘vrees voor verduistering’ (zie alinea 2.8 hiervoor). [126] Tevens miskent het hof volgens dit middelonderdeel dat het (bewijs)beslag in beginsel moet worden opgeheven indien blijkt dat het verlof ten onrechte is verleend.
uitgangspuntdat het hof bij de toepassing van deze maatstaven heeft gehanteerd. In de visie van het hof is uitgangspunt dat het beslagverlof terecht is verleend en, daarmee, dat het bewijsbeslag op goede gronden is gelegd. Kennelijk is het hof van oordeel dat voor een opheffing van het bewijsbeslag slechts plaats is indien zwaarwegende belangen aan de zijde van de Staat nopen tot opheffing van dit beslag. Bij deze benadering staat de beslagene in het opheffingskortgeding processueel op achterstand: bij onzekerheid over de deugdelijkheid van de vordering en/of over de noodzaak van het beslag blijft het beslag zo in stand. [127] Een dergelijke benadering lijkt mij niet in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad: de belangenafweging in het opheffingskortgeding dient te geschieden vanuit een neutraal vertrekpunt (zie alinea 2.15 hiervoor). Om deze reden acht ik de rechtsklacht gegrond.
hostingbedrijf verstrekte gegevens (zie alinea 1.1 onder ix), kan voorshands niet worden gezegd dat de vrees voor het verloren gaan van gegevens geheel ongegrond is (rov. 6.10.3). De klacht houdt in dat het hof had behoren te onderzoeken of gegronde vrees bestaat dat de beslagen bescheiden worden
verduisterd, dat wil zeggen: ‘opzettelijk door de beslagene worden weggemaakt’. In ieder geval miskent het hof volgens de Staat dat voor de bedoelde ‘vrees voor verduistering’ ten minste nodig is dat een ‘substantieel en concreet risico’ bestaat dat de bescheiden verloren zullen gaan. Het enkele feit dat de wet (art. 126aa lid 2 Sv) verplicht tot vernietiging van de beslagen bescheiden, respectievelijk de enkele mogelijkheid dat de bescheiden door technische problemen verloren gaan, rechtvaardigt volgens de Staat nog niet het oordeel dat voldaan is aan het vereiste van ‘vrees voor verduistering’.
afgeschermdvoor het opsporingsteam (‘uitgegrijsd’). [131] Ook tegen die achtergrond valt zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet in te zien waarom art. 126aa lid 2 Sv (meer in het bijzonder de desbetreffende uitvoeringspraktijk) de door het hof bedoelde ‘vrees voor verduistering’ rechtvaardigt.
imagekopie’ is gemaakt; daardoor is volgens de Staat verzekerd dat geen informatie verloren gaat. Eveneens onbegrijpelijk acht de Staat de verwijzing door het hof naar het defect raken van een USB-stick waarop gegevens zijn getransporteerd van de rechter-commissaris naar de FIOD (rov. 6.10.3, slot). Volgens de Staat is het desbetreffende transport geslaagd en zijn er geen gegevens verloren gegaan.
voorbeeldente geven van manieren waarop de beslagen bescheiden verloren zouden kunnen gaan. Nu deze voorbeelden zijn ontleend aan vaststaande feiten, heeft het hof zonder miskenning van de grenzen van de rechtsstrijd deze voorbeelden aan zijn oordeel ten grondslag kunnen leggen. Iets anders is, dat het hof ook in deze voorbeelden blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘vrees voor verduistering’; daarop hebben de eerder besproken klachten betrekking.
als zodaniggeen grond kan vormen om het bestaan van ‘vrees voor verduistering’ aan te nemen. De Staat klaagt dat dit als argument bovendien onbegrijpelijk is: de aanname dat het verschoningsrecht is geschonden, rechtvaardigt niet het bestaan van vrees voor verduistering van bescheiden die kunnen dienen tot bewijs daarvan. Ten slotte bestrijdt de Staat de geciteerde vaststelling als zodanig: de schending van het verschoningsrecht stond tussen partijen juist ter discussie.
opzettelijkis gebeurd, zo overweegt het hof aansluitend in de derde en de vierde volzin van rov. 6.10.3. Met dit alles heeft het hof kennelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de beweerde schending van het verschoningsrecht, die de grondslag vormt van de materiële vordering waarvoor het bewijsbeslag is gelegd, niet geheel uit de lucht gegrepen is. Dat was voor het hof de opmaat om vervolgens, vanaf de vijfde volzin van rov. 6.10.3, te onderzoeken of ‘vrees voor verduistering’ bestaat indien het onderhavige bewijsbeslag zou worden opgeheven. Die vrees baseert het hof vervolgens op de hiervoor onder (a) en (b) vermelde argumenten.
a priorigevreesd zou moeten worden voor ‘verduistering’ in vorenbedoelde zin. De denkbeeldige tegenwerping dat FIOD-opsporingsambtenaren nu eenmaal zijn gericht op opsporing, de Belastingdienst op een juiste heffing van belastingen en het openbaar ministerie op een geslaagde vervolging als eenmaal tot vervolging is besloten, maakt dit niet anders: ook dan blijven zij gehouden tot zorgvuldig werken met inachtneming van de geheimhoudings- en bewaarplichten. In een voorkomend geval kan het anders liggen, maar daarvoor zullen dan wel bijzondere redenen moeten worden aangevoerd en vastgesteld. De hiervoor onder (a) en (b) bedoelde gronden voor een bewijsbeslag zijn, zonder nadere motivering, die ontbreekt, mijns inziens niet toereikend om de vaststelling van ‘vrees voor verduistering’ te dragen.
ex parte’ had mogen worden verleend, lag aan het hof niet ter beoordeling voor.
hostingbedrijf, respectievelijk, in de zevende volzin, over bij het
hostingbedrijf ‘in beslag genomen gegevens’. Ook in het
dictumonder A spreekt het hof volgens de klacht ten onrechte over bescheiden die bij het
hostingbedrijf ‘in beslag zijn genomen’. Een en ander is volgens de Staat onbegrijpelijk omdat bij het
hostingbedrijf geen gegevens in beslag zijn genomen. De bedoelde gegevens zijn door het
hostingbedrijf verstrekt op de vordering van de officier van justitie als bedoeld in art. 126ng en 126ug Sv.
3.1, is het tweede hoofdbezwaar van de Staat dat het bewijsbeslag een ontoelaatbare doorkruising vormt van de publiekrechtelijke regels in de Wjsg, de Wbp en het Wetboek van Strafvordering.
Onderdeel 1van het middel is gericht tegen rov. 6.8.2 e.v., waar het hof het beroep van de Staat op het gesloten verstrekkingenregime van de Wjsg en de Wpg verwerpt. Naar het voorlopig oordeel van het hof staan de Wjsg en de Wpg niet in de weg aan het bewijsbeslag. Toegespitst op de Wpg neemt het hof in aanmerking dat het beslag niet is gelegd onder de politie, maar onder het openbaar ministerie, de FIOD en de Belastingdienst (rov. 6.8.3).
onderdeel 1.1gericht. Het hof zou hebben miskend dat, ingevolge art. 46 lid 1 Wpg Pro, de daar genoemde regels van overeenkomstige toepassing zijn op de verwerking van persoonsgegevens door bijzondere opsporingsdiensten, waaronder de FIOD. [133] Onderdeel 1.2houdt in dat het hof heeft miskend dat de Wjsg en de Wpg ‘
leges speciales’ zijn, die prevaleren boven de ‘
lex generalis’ van art. 843a Rv. Volgens de Staat betekent dit dat het bewijsbeslag had moeten worden opgeheven voor zover het rust op gegevens die onder de Wjsg en/of de Wpg niet aan de Advocaten zijn of mochten worden verstrekt.
Subonderdeel 1.3bouwt hierop voort met een motiveringsklacht.
anderen dan de procesdeelnemers(zie alinea 2.41 e.v. hiervoor). De vraag of de Wjsg en/of de Wpg als
lex specialisvoorrang hebben boven art. 843a Rv, lag aan het hof dus niet ter beoordeling voor.
uitsluitendgebaseerd op zijn overweging (in de tweede volzin) ‘dat het beslag niet is gelegd onder de politie’. De slotsom is dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt.
Ten eersteheeft de Staat betoogd dat het bewijsbeslag afstuit op het in art. 436 en Pro 703 Rv neergelegde beslagverbod ter zake van ‘goederen bestemd voor de openbare dienst’.
Ten tweedeheeft de Staat betoogd dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen tegen beslissingen over de interne openbaarheid in het strafproces (zoals hiervoor besproken in alinea 2.35 e.v.) in de weg staat aan een bewijsbeslag op (een of meer documenten in) het strafdossier van een nog niet onherroepelijk afgesloten strafzaak.
Ten derdeheeft de Staat betoogd dat het bewijsbeslag de voortgang van de strafzaak tegen de vermogensbeheerder c.s. belemmert.
Onderdeel 5.1houdt in dat het hof hier miskent dat een daadwerkelijke doorkruising van publieke taken niet is vereist voor toepassing van het beslagverbod van art. 436 en Pro 703 Rv. Volgens de Staat is beslissend of de in beslag genomen goederen
bestemd zijnvoor de openbare dienst. Zo ja, dan mag daarop geen beslag worden gelegd, ongeacht of concreet sprake is van enige doorkruising van publieke taken. Voor zover het hof van oordeel is dat dit beslag niet is gelegd op goederen die bestemd zijn voor de openbare dienst, geeft dat oordeel volgens de Staat blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De stukken van een strafdossier zijn volgens de klacht onmiskenbaar bestemd voor de openbare dienst. Zij zijn ook noodzakelijk en zelfs essentieel voor de uitvoering van daarmee verband houdende taken.
interne openbaarheidin het strafproces. Dit argument heeft het hof impliciet verworpen in rov. 6.12.2 e.v. (waar het hof voorbijgaat aan het standpunt van de Staat dat de Advocaten de door hen gestelde schending van hun verschoningsrecht aan de orde kunnen stellen in het kader van de strafzaak) en in rov. 6.13.2 e.v. (waar het hof oordeelt dat de strafzaak niet daadwerkelijk op ontoelaatbare wijze wordt belemmerd door dit bewijsbeslag).
onderdeel 5.2komt de Staat hiertegen op. Volgens de Staat heeft het hof miskend dat de regeling van de interne openbaarheid in de weg staat aan het toestaan en doen voortduren van een bewijsbeslag op (stukken in) het strafdossier in een lopende strafzaak: zo al niet in het algemeen, dan toch zeker indien het met dat bewijsbeslag gemoeide belang is gelegen in een beweerde schending van het verschoningsrecht van de advocaat in de betrokken strafzaak. Een dergelijk beslag levert volgens de Staat een onaanvaardbare doorkruising op van het wettelijk stelsel in het Wetboek van Strafvordering met zijn mogelijkheden – en beperkingen – voor de verdediging om kennis te nemen en afschrift te verkrijgen van stukken uit het strafdossier. Dat die strafvorderlijke mogelijkheden (kunnen) afwijken van de mogelijkheden die een civielrechtelijk bewijsbeslag de Advocaten biedt, is volgens de Staat inherent aan dat gesloten stelsel en doet daaraan niet af. Volgens de klacht heeft het hof dit een en ander miskend.
vorming en samenstellingvan het strafprocesdossier beheersen (zie alinea 2.35 e.v. hiervoor). Voor zover de Advocaten met dit bewijsbeslag beogen te bewerkstelligen dat bepaalde stukken – namelijk de documenten die volgens hen onder hun verschoningsrecht vallen – buiten het procesdossier in de strafzaak moeten blijven, althans dat daaraan strafprocessuele gevolgen zullen worden verbonden ten gunste van de vermogensbeheerder c.s. (vgl. alinea 2.4hiervoor), gaat het om een onderwerp waarover slechts de strafrechter mag oordelen. Dat betreft immers de procesvoering in de rechtsgang bij een andere rechter, waarover de civiele rechter – behoudens een eventuele schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, die gesteld noch gebleken is – geen oordeel toekomt (zie alinea 2.26 e.v. hiervoor).
onderdeel 5.3. Deze klachten zijn gericht tegen de verwerping van het derde argument van de Staat, dat inhield dat (de voortgang van) de strafzaak tegen de vermogensbeheerder c.s. wordt belemmerd door het bewijsbeslag. De overwegingen die het hof aan deze verwerping ten grondslag legt (samengevat weergegeven in alinea 1.10 hiervoor), komen erop neer dat het bewijsbeslag niet verhindert dat de strafzaak kan worden
aangebrachtbij de strafrechter. Daaruit volgt niet dat het bewijsbeslag geen verstoring van het strafproces kan opleveren
nadatde zaak eenmaal bij de strafrechter is aangebracht, respectievelijk daarvóór, in de fase van het vooronderzoek (zie alinea 2.34 onder (ii) hiervoor). Ook dat zal na verwijzing alsnog moeten worden beoordeeld.
pro se’ uitoefent respectievelijk behartigt:
van de advocaat zelfbuiten die strafzaak. De enkele omstandigheid dat een verschoningsrecht van een advocaat niet is gerespecteerd in een concrete strafzaak, brengt (dus) ook niet mee dat onrechtmatig is gehandeld
jegens de advocaat zelfen dat hij uit dien hoofde civielrechtelijk tegen de Staat kan ageren.”
onderdeel 4.1). De Staat acht het bestreden oordeel in rov. 6.9.2 in dit licht onjuist, althans onbegrijpelijk, nu niet gesteld of gebleken is dat de beweerde schending van het verschoningsrecht zich richt tegen de Advocaten zelf, terwijl de Advocaten de in beslag genomen bescheiden volgens de Staat in dit geval willen gebruiken in de strafzaak tegen de vermogensbeheerder c.s. (
onderdeel 4.2).
Onderdeel 4.3richt een hierop voortbouwende klacht tegen rov. 6.9.3.
algemeen belang, dat de advocaat uit hoofde van zijn vertrouwensfunctie behartigt. Door beroep te doen op zijn verschoningsrecht in een concrete zaak kan een advocaat zowel opkomen voor het belang van zijn cliënt, als voor een algemeen belang. Van een daarvan te onderscheiden
eigenbelang van de advocaat bij handhaving van zijn verschoningsrecht (in de strafzaak tegen de vermogensbeheerder c.s.) is in deze zaak geen sprake. Het hof wijst in rov. 6.9.2 op de vertrouwensrelatie tussen advocaten en hun cliënten, die door de schending van het verschoningsrecht in gevaar kan komen. Deze vertrouwensrelatie komt overeen met het hiervoor genoemde
algemeenbelang, dat de advocaat uit hoofde van zijn vertrouwensfunctie behartigt, maar is daarmee nog geen
eigenbelang van de Advocaten waarop zij de vordering zouden kunnen baseren. [136]
onderdeel 6.1). Meer in het bijzonder acht de Staat onjuist althans onbegrijpelijk het oordeel in de tweede volzin van rov. 6.14.4 (‘Te noemen vallen in dit kader…’). Volgens dat oordeel zou de schending van het verschoningsrecht onder meer zijn gelegen in de kennisname van de bestanden met de nummers DOC- [001] tot en met DOC- [005] , die door het
hostingbedrijf zijn verstrekt (zie alinea
1.1onder xii). [137] Volgens de Staat miskent het hof hiermee dat in de beklagprocedure bij de rechtbank Oost-Brabant (zie alinea 1.1 onder xix) níet is geoordeeld over de rechtmatigheid van de bedoelde kennisname (
onderdeel 6.2). Ook bestrijdt de Staat het oordeel in de vierde volzin van rov. 6.14.4 (‘Daar komt bij dat…’). Dit oordeel betreft een beweerde schending van het verschoningsrecht doordat stukken die in beslag zijn genomen bij het accountantskantoor, zijn geladen in het computersysteem van de FIOD (zie alinea 1.1 onder xv). De Staat werpt tegen dat dit is gedaan op verzoek van de rechter-commissaris en dat de betreffende stukken niet toegankelijk zijn geweest voor het opsporingsteam van de FIOD (
onderdeel 6.3).
1.1onder xix en xx), in dit kort geding als vaststaand kan worden aangenomen dat het opsporingsteam kennis heeft genomen van stukken waarvan achteraf is gebleken dat zij onder het verschoningsrecht van de advocaten vallen. Hierop baseert het hof zijn conclusie aan het slot van rov. 6.14.4, dat de Advocaten belang hebben bij het veiligstellen van bewijsmiddelen die hierover meer duidelijkheid kunnen verschaffen. Een verdergaande dragende betekenis hebben deze overwegingen niet. In zoverre falen de klachten ook bij gebrek aan belang.
dictumvan het bestreden arrest, met voldoende bepaaldheid zijn omschreven, zoals de jurisprudentie in dit verband vereist (zie alinea
2.7hiervoor).
dictumonder A, waar het hof oordeelt dat het beslag in stand kan blijven voor zover het rust op ‘geprivilegieerde gegevens’ (dat is ook de term die de Advocaten in het verlofverzoek hebben gebruikt). Volgens de Staat miskent het hof dat een dergelijke juridische kwalificatie niet kan gelden als ‘voldoende bepaald’ in de zin van art. 843a lid 1 Rv (zoals door de Hoge Raad toegepast op het bewijsbeslag), zeker niet indien de juistheid van die kwalificatie nu juist in geschil is tussen de beslaglegger en de beslagene. Het gebruik van de kwalificatie ‘geprivilegieerde gegevens’ is volgens de klacht ook onbegrijpelijk in het licht van het door de Staat in eerste aanleg en in hoger beroep ingenomen standpunt dat deze aanduiding onvoldoende bepaald is.
dictumonder A en B (wederom: in navolging van het verlofverzoek) onder ‘geprivilegieerde gegevens’ ook ‘metadata’, ‘logbestanden’ en ‘
audit trails’heeft begrepen, evenals fysieke en digitale bescheiden waaruit blijkt aan wie de Staat deze gegevens heeft verstrekt. Volgens de Staat zijn deze aanduidingen vatbaar voor discussie en daarom onvoldoende bepaald. Het hof had moeten responderen op de desbetreffende stellingen van de Staat. Verder heeft het hof volgens de klacht – kort samengevat − miskend dat voor zover de bedoelde gegevens
nietin bestaande bescheiden zijn vervat, artikel 843a Rv ook geen grondslag biedt voor verstrekking daarvan, zodat op die gegevens ook geen bewijsbeslag kan worden gelegd.
hostingbedrijf waren verstrekt, is gestuit op e-mails die mogelijk verschoningsgerechtigde informatie bevatten. Bij een nadere zoekslag zijn circa 3.000 bestanden aangemerkt als mogelijke geheimhoudersstukken (zie alinea
1.1onder vi e.v. hiervoor). Vast staat ook dat bij het accountantskantoor stukken in beslag zijn genomen die, blijkens de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van 13 september 2018, onder het verschoningsrecht van de Advocaten vallen. De officier van justitie heeft hierin aanleiding gezien om ertoe te besluiten bepaalde documenten uit het eindproces-verbaal in de strafzaak te verwijderen (zie alinea
1.1onder xix e.v.). In rov. 6.2.4 heeft het hof beschreven wat de door de Advocaten beweerde ‘schending van het verschoningsrecht’ inhoudt. De gegevens die volgens de Advocaten onder dit verschoningsrecht vallen, duidt het hof in navolging van partijen aan als ‘geprivilegieerde gegevens’ (zie rov. 6.7.8). Duidelijk is dat het hof hiermee bedoelt:
beweerdelijkgeprivilegieerde gegevens. De aard en omvang van de beweerde schendingen van het verschoningsrecht staan immers nog niet vast, zoals het hof elders in zijn arrest opmerkt (zie rov. 6.10.3).
voor dit kort gedingeen voldoende bepaalde aanduiding geven van de bescheiden waarop het bewijsbeslag rust. Het gaat in dit kort geding om de bescheiden waarover het verschoningsrecht van de Advocaten zich uitstrekt, uitgaande van de door de Advocaten gepretendeerde ruime opvatting daarvan. De Staat moet m.i. met deze aanduiding uit de voeten kunnen ten processe, temeer nu de discussie in de rechtsliteratuur hierover al geruime tijd loopt (vgl. alinea 2.53hiervoor). Het is bovendien nog maar de vraag, of een nader bepaalde omschrijving van de in beslag te nemen bescheiden
mogelijkis, zonder kennis te hebben van de desbetreffende bescheiden. De Advocaten betogen van niet. [138] De Staat heeft in eerste aanleg en in hoger beroep niet toegelicht hoe de bescheiden wél nader zouden kunnen worden gespecificeerd. Ook daarom falen de klachten. Ten overvloede merk ik op dat tussen de in art. 843a lid 1 Rv neergelegde vereisten van ‘rechtmatig belang’ en ‘voldoende bepaaldheid’ samenhang bestaat. [139]
onderdeel 8.1). Verder wordt geklaagd over het oordeel dat de Staat niet heeft betwist dat hij vergoeding van de beslagkosten aan de Advocaten verschuldigd is. De Staat heeft dat naar eigen zeggen wel degelijk betwist, met de stelling dat in dit opheffingskortgeding hiervoor geen plaats is, omdat in de
hoofdzaakover de gevorderde vergoeding van de beslagkosten moet worden geoordeeld (
onderdeel 8.2). Voortbouwend op deze stelling klaagt de Staat over de onjuistheid althans onbegrijpelijkheid van het oordeel dat de proceseconomie erbij gebaat is dat in dit kort geding ook over de beslagkosten wordt beslist. Het hof heeft volgens de Staat miskend dat een spoedeisend belang bij de nevenvordering tot vergoeding van deze kosten niet is gesteld of gebleken. De bijbehorende hoofdvordering – de vordering in reconventie tot exhibitie van bescheiden op de voet van art. 843a Rv – is juist afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang. Verder heeft het hof volgens de Staat miskend dat de enkele afwijzing van een vordering tot opheffing van het beslag nog niet met zich brengt dat de beslagene de beslagkosten moet vergoeden (
onderdeel 8.3). Ten slotte acht de Staat de veroordeling tot vergoeding van de beslagkosten onverenigbaar met de genoemde afwijzing van de exhibitievordering in reconventie, en ook daarom onbegrijpelijk (
onderdeel 8.4).
als zodanig, [143] maar alleen tegen de mogelijkheid dat het opgelegde verbod het openbaar ministerie belemmert om tijdens de behandeling van de strafzaak tegen de vermogensbeheerder c.s. mededelingen te doen over geprivilegieerde gegevens die in dit kort geding aan de rechter bekend zijn gemaakt. Op het eerste gezicht lijkt het hier te gaan om een mogelijke doorkruising van de procesvoering in een strafzaak, omdat ook de strafrechter een ‘derde’ is, aan wie de Staat (c.q. het openbaar ministerie) geen mededeling mag doen over geprivilegieerde gegevens die in dit kort geding aan de rechter bekend zijn gemaakt. Hier zal allereerst uitleg moeten worden gegeven aan het verbod dat het hof heeft uitgesproken. Indien de Hoge Raad zou ‘verstaan’ dat dit verbod geen betrekking heeft op mededelingen aan de strafrechter, levert dit middelonderdeel geen grond op tot vernietiging. Indien, daarentegen, de Hoge Raad het verbod zo opvat dat dit mede betrekking heeft op mededelingen die het openbaar ministerie (of een ander orgaan, voor wiens gedragingen de Staat aansprakelijk is) in het kader van de strafzaak doet, rijst de vraag of een dergelijk verbod geoorloofd is. Het is immers de strafrechter, niet de burgerlijke rechter, die de wijze van procesvoering in het strafproces bepaalt. Blijkens de parlementaire behandeling, heeft de wetgever zich de regeling zo voorgesteld, dat de rechter een verbod aan de procespartijen kan opleggen om bepaalde in het geding ter kennis van de rechter gebrachte gegevens aan anderen dan de procespartijen bekend te maken. Indien, bijvoorbeeld, tijdens de civiele procedure een procespartij het plegen van een strafbaar feit erkent, zou de burgerlijke rechter krachtens artikel 28 Rv Pro een geheimhoudingsverplichting aan alle procespartijen kunnen opleggen. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van art. 28 Rv Pro kan de burgerlijke rechter op verzoek van een der partijen dat verbod geheel of gedeeltelijk opheffen. [144] Wetssystematisch zou de Staat zo’n verzoek op grond van het tweede lid van art. 28 Rv Pro kunnen indienen bij de burgerlijke rechter. Toch blijft het hier gaan om een toepassing door het hof van art. 28, lid 1 onder b, Rv in een situatie die de wetgever niet voor ogen zal hebben gestaan: voor zover in dit geding door partijen stellingen zijn ingenomen en informatie aan de burgerlijke rechter is overgelegd, is dat een uitvloeisel van het door de Advocaten gelegde bewijsbeslag. Aan de strafrechter kan het openbaar ministerie bezwaarlijk informatie onthouden over wat er is gebeurd met de bij het
hostingbedrijf opgevorderde gegevens en de onder de accountant inbeslaggenomen documenten: dat zou de strafrechter ernstig belemmeren in de uitoefening van zijn taak. Per saldo acht ik deze klacht gegrond.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
kunnenzulke gegevens niet onder de reikwijdte van deze wetten vallen, omdat het gegevens betreft die, vanwege hun geprivilegieerde karakter, geen rol behoren te spelen in het strafproces. [149]