Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de heffing van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) over meerdere maandaangiften in 2018. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank, waarbij de rechtbank deels gegrond verklaarde wegens schending van de hoorplicht, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het Hof behandelde diverse formeelrechtelijke grieven en inhoudelijke bezwaren, waaronder de toepassing van gebruikte auto’s, de overgang van NEDC- naar WLTP-testmethode voor CO2-uitstoot, de waardebepaling van ex-rental auto’s, en de rechtmatigheid van rentevergoeding op teruggaaf BPM en griffierecht. Het Hof verwierp de meeste inhoudelijke grieven, onder meer omdat de auto’s correct als gebruikt waren aangemeld en de CO2-uitstootwaarden juist waren toegepast.
Het Hof oordeelde dat de Rechtbank ten onrechte de redelijke termijn had verlengd vanwege de coronapandemie, waardoor de overschrijding groter was dan vastgesteld. Dit leidde tot een hogere immateriële schadevergoeding aan belanghebbende, deels toe te rekenen aan de Inspecteur en deels aan de Staat. Tevens stelde het Hof de proceskostenvergoeding vast op een hoger bedrag dan de Rechtbank had toegekend, met een matiging voor de hogerberoepsfase. Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht met wettelijke rente.
De overige grieven werden ongegrond verklaard, en het Hof zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het hoger beroep werd dus deels toegewezen voor de immateriële schade en proceskosten, en voor het overige afgewezen.