Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de heffing van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) over de maanden april, mei en juni 2019. De Inspecteur wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank Noord-Nederland. De Rechtbank verklaarde enkele beroepen gegrond en matigde de BPM-heffing, en kende daarnaast immateriële schadevergoeding, proceskosten en griffierecht toe.
Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof behandelde diverse formeelrechtelijke grieven, waaronder de waardering van voertuigen, toepassing van Unierecht, rentevergoeding over griffierecht, en de hoogte van de proceskostenvergoeding. Het Hof verwierp de meeste grieven, onder meer over de uitleg van Unierecht door nationale rechters en de vermeende strijdigheid van de griffierechtregeling met Unierecht.
Uitsluitend de proceskostenvergoeding werd door het Hof gewijzigd. De Rechtbank had een te laag tarief per punt gehanteerd; het Hof verhoogde dit tarief naar het geldende niveau in 2024 en matigde de vergoeding voor het hoger beroep vanwege het beperkte succes van belanghebbende. Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht met wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak.
Het hoger beroep werd verder ongegrond verklaard en de overige beslissingen van de Rechtbank werden bekrachtigd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 januari 2024.