Belanghebbende kreeg een aanslag erfbelasting opgelegd over een belaste verkrijging van ruim €1,8 miljoen, welke na bezwaar en rechtbankuitspraak werd verminderd tot circa €672.000. De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, terwijl belanghebbende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep instelde.
De kern van het geschil betrof de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) op de uitbreidingen van aandelenbelangen in deelnemingen binnen één jaar voorafgaand aan het overlijden van de erflaatster, en de kwalificatie van liquide middelen en effecten van de holding als ondernemingsvermogen.
Het hof oordeelde dat de uitbreiding van aandelenbelangen in de deelnemingen niet voldoet aan de indirecte bezitseis van één jaar, waardoor de BOR daarop niet van toepassing is. Daarnaast concludeerde het hof dat de liquide middelen en effecten van de holding niet duurzaam dienstbaar zijn aan de onderneming en derhalve niet als ondernemingsvermogen kwalificeren. Het hof vernietigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de Inspecteur gegrond, het incidenteel beroep van belanghebbende ongegrond.
Proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan door mr. P. van der Wal, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J. Kromhout op 23 september 2025.