Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2335

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
200.363.156
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 9 BWArt. 150 RvArt. 4 lid 2 Wet op de medische keuringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vernietiging arbeidsovereenkomst wegens bedrog of dwaling; billijke vergoeding bij verstoorde arbeidsverhouding

De zaak betreft een hoger beroep van Intence Security B.V. tegen een beschikking van de kantonrechter Gelderland over het ontslag op staande voet van een werkneemster tijdens haar psychische arbeidsongeschiktheid. Intence wilde de arbeidsovereenkomst vernietigen wegens bedrog of dwaling omdat de werkneemster psychische klachten zou hebben verzwegen. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet geldig was, maar ontbond de arbeidsovereenkomst wegens een ernstig verstoorde arbeidsverhouding en kende een billijke vergoeding toe.

Het hof bevestigt dat de arbeidsovereenkomst niet vernietigd wordt wegens bedrog of dwaling. De werkneemster had succesvolle behandelingen ondergaan en was niet gehouden preventief te informeren over haar psychische gesteldheid. De vraag in de arbeidsovereenkomst over geestelijke gesteldheid was ongeoorloofd en kon niet leiden tot dwaling. Het hof matigt de wettelijke verhoging op de loonbetaling van 40% naar 30% en wijst het verzoek van Intence tot terugbetaling van loon af.

De billijke vergoeding van € 35.500 bruto wordt door het hof bevestigd. Intence heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door de ziekmelding te weigeren, onvoldoende re-integratie-inspanningen te verrichten en onterecht ontslag op staande voet te geven. De verstoring van de arbeidsverhouding is grotendeels aan Intence toe te rekenen. Het hof houdt rekening met de verwachte duur van het dienstverband, het inkomensverlies en de gevolgen van het ontslag voor de werkneemster.

Het hoger beroep van Intence wordt grotendeels afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten. De beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd, behalve de wettelijke verhoging die wordt gematigd. De arbeidsovereenkomst eindigde op 1 december 2025.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt niet vernietigd, de billijke vergoeding wordt bevestigd en de wettelijke verhoging op loonbetaling wordt gematigd tot 30%.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.156
(zaaknummer rechtbank Gelderland 11793484)

beschikking van 20 april 2026

in de zaak van

Intence Security B.V. (Intence),

die is gevestigd in Arnhem,
advocaat: mr. A. Robustella,
en

[de werkneemster] ( [de werkneemster] ),

die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G.J. Gerrits.

Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Intence heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 13 oktober 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift, op de griffie binnengekomen op 31 december 2025
  • het verweerschrift
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 27 maart 2026 is gehouden.
1.2
Partijen hebben het hof om een uitspraak verzocht die is bepaald op vandaag.
De kern van de zaak
2.1
Tussen Intence en [de werkneemster] heeft een voorval geleid tot ontslag op staande voet, tijdens de (psychische) arbeidsongeschiktheid van [de werkneemster] . [de werkneemster] is het niet eens met het ontslag op staande voet, terwijl Intence – voor het geval het ontslag op staande voet onterecht is – in elk geval ontbinding van de arbeidsovereenkomst wil. Op enig moment is gebleken dat [de werkneemster] al kampte met psychische klachten voordat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ging gelden. Volgens Intence had [de werkneemster] dat moeten melden, ook omdat daarover in de arbeidsovereenkomst een bepaling staat. Omdat dat niet is gedaan moet de arbeidsovereenkomst alsnog worden vernietigd vanwege bedrog of dwaling.
2.2
Volgens de kantonrechter was het ontslag op staande voet van 13 juni 2025 niet geldig, zodat loon nabetaald moest worden. De verhoudingen waren echter wel ernstig en duurzaam verstoord zodat de arbeidsovereenkomst is ontbonden per 1 december 2025. Omdat de verstoorde arbeidsverhouding is veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Intence moet zij aan [de werkneemster] een billijke vergoeding van € 35.500 bruto betalen. De kantonrechter heeft ten slotte het beroep van Intence op vernietiging van de arbeidsovereenkomst vanwege bedrog of dwaling afgewezen.
2.3
De bedoeling van het hoger beroep van Intence is om alsnog de arbeidsovereenkomst vanwege bedrog of dwaling te laten vernietigen, de nabetaling van loon en wettelijke verhoging over de periode 13 juni tot 1 december 2025 terug te draaien (maar in elk geval aan de nabetaling een lagere wettelijke verhoging dan de toegewezen 40% te koppelen) en de toewijzing van een billijke vergoeding te vernietigen en te laten terugbetalen, dan wel een lager bedrag aan billijke vergoeding toe te kennen. Intence stelt het ontslag op staande voet in hoger beroep niet meer aan de orde en berust in het oordeel dat dat niet geldig was.

Het oordeel van het hof

3.1
Het hof oordeelt dat de arbeidsovereenkomst niet wordt vernietigd vanwege bedrog en dwaling, zodat de nabetaling van loon in stand blijft. Het hof kent daarover een lagere wettelijke verhoging toe, van 30%. De toegekende billijke vergoeding blijft in stand. Het hof licht hieronder toe hoe het tot dit oordeel is gekomen.
Wat is er gebeurd?
3.2
[de werkneemster] is op 24 maart 2022 in dienst getreden bij Intence in de functie van beveiliger A. In die functie was [de werkneemster] werkzaam als museumbeveiliger. Zij heeft eerst drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gehad voordat zij op 18 juni 2024 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft getekend, die inging op 24 juli 2024. Laatstelijk verdiende [de werkneemster] een salaris van € 2.222,34 bruto per vier weken (€ 2.600,14 bruto per maand). Op de arbeidsovereenkomst is de cao Particuliere Beveiliging van toepassing. De cao is algemeen verbindend verklaard.
3.3
In de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die door beide partijen is ondertekend staat opgenomen:
‘Met het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst verklaart werknemer naar beste weten en kunnen dat hij beschikt over de lichamelijke en geestelijke gesteldheid die voor de uitoefening van zijn functie vereist is.’
3.4
[de werkneemster] heeft zich op 22 maart 2025 ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft in een bijstelling probleemanalyse van 22 april 2025 onder meer opgenomen dat de ervaren spanningsklachten ongewijzigd zijn en dat [de werkneemster] arbeidsongeschikt is voor het eigen werk. Zij is wel belastbaar te achten voor een paar uur per dag vervangend werk zonder eindverantwoording, zonder werkdruk en zonder veelvuldig contact met klanten. In de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 22 mei 2025 staat hetzelfde. Daaraan is toegevoegd dat afspraken gemaakt moeten worden om de re-integratie te starten met 2 x 2 uur en dan tweewekelijks uit te breiden met 4-6 uur per week, verdeeld over meerdere dagen.
3.5
De re-integratiewerkzaamheden zijn gestart op 27 mei 2025 (2 x 2u per week), met de afspraak om op 12 juni 2025 uit te breiden naar 4 uur.
3.6
Tijdens het verrichten van re-integratiewerkzaamheden op 12 juni 2025 heeft [de werkneemster] zich op enig moment ziek willen melden. Intence, bij monde van [de leidinggevende] , heeft die ziekmelding niet willen accepteren en heeft [de werkneemster] gewezen op de mogelijkheid van een loonstop. Tussen [de werkneemster] en [de leidinggevende] is vervolgens een emotioneel gesprek gevoerd, dat door [de leidinggevende] als intimiderend is ervaren. Ook een latere ziekmeldingspoging diezelfde dag van [de werkneemster] bij directeur [de directeur] werd niet geaccepteerd, noch werd het [de werkneemster] toegestaan eerder naar huis te gaan. [de werkneemster] heeft daarna per e-mail aan Intence laten weten dat zij het niet eens is met het opbouwschema omdat dat voor haar niet haalbaar was, en heeft om een second opinion van een andere bedrijfsarts gevraagd.
3.7
Op 13 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [de werkneemster] , [de directeur] en [de leidinggevende] . Met de brief van 13 juni 2025 heeft Intence [de werkneemster] vervolgens op staande voet ontslagen, vanwege het op 12 juni 2025 herhaaldelijk, en ondanks meerdere malen gemaand te zijn om te bedaren, ernstig schenden van het bedrijfsprotocol ongewenste omgangsvormen.
3.8
[de werkneemster] heeft een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter om het ontslag op staande voet te laten vernietigen. In die procedure heeft zij een brief van 14 juli 2025 overgelegd van GGz Online aan haar huisarts, naar aanleiding van een intakegesprek op 10 juli 2025. De GZ-psycholoog schrijft in haar beschrijvende diagnose dat [de werkneemster] sinds 3 jaar kampt met psychische klachten, die zich in eerste instantie uitten in paniek en vermijding. Na succesvolle trajecten worden de klachten gekenmerkt door piekeren, prikkelbaarheid, woede-uitbarstingen, weinig energie, schrikreacties, huilbuien en stemmingswisselingen. De GZ-psycholoog classificeert de klachten van [de werkneemster] als een gegeneraliseerde angststoornis en een andere voorgeschiedenis van psychotrauma.
Geen vernietiging arbeidsovereenkomst
3.9
Intence heeft het hof verzocht de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te vernietigen op grond van bedrog of dwaling. Het hof stelt voorop dat de mogelijkheid van (buitengerechtelijke) vernietiging van een arbeidsovereenkomst op grond van bedrog niet is uitgesloten. [1] Ook (buitengerechtelijke) vernietiging vanwege dwaling is mogelijk. [2] Gelet op de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op Intence de stelplicht en (zonodig) de bewijslast dat sprake is van bedrog of van dwaling.
geen bedrog
3.1
Intence heeft zich bij het verzoek tot vernietiging van de arbeidsovereenkomst allereerst beroepen op bedrog. Volgens haar heeft [de werkneemster] voorafgaand aan of op het moment van sluiten van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verzwegen dat sprake was van zodanige klachten dat deze zijn gekwalificeerd als gegeneraliseerde angststoornis en andere voorgeschiedenis van psychotrauma.
[de werkneemster] betwist dat sprake is van bedrog.
3.11
Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Het gaat er hier om of [de werkneemster] willens en wetens een onjuiste mededeling heeft gedaan of willens en wetens een feit heeft verzwegen waardoor Intence een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan. Het hof oordeelt dat dat niet het geval is. Daarvoor is van belang is dat [de werkneemster] weliswaar sinds 2022 klachten had, maar dat zij daarvoor succesvolle behandelingen heeft gehad. Daar komt bij dat de diagnose en classificatie van de klachten dateren van ná het aangaan van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft Intence bovendien verklaard dat er tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd geen enkele aanwijzing was dat [de werkneemster] haar werk psychisch niet aankon. Desgevraagd heeft Intence tegen die achtergrond niet goed kunnen toelichten waaruit het opzettelijk meedelen of verzwijgen van [de werkneemster] dan volgt, zodat het beroep van Intence op bedrog wordt afgewezen.
geen dwaling
3.12
Daarnaast heeft Intence zich beroepen op dwaling. Uit wat GGz Online verklaart is volgens haar duidelijk dat [de werkneemster] al sinds 2022 kampt met psychische klachten. De beschreven feiten en omstandigheden en klachten waarop de diagnose is gebaseerd zijn van dien aard en zo langdurig dat ze ook voorafgaand aan of ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestonden. Het is wachten op een trigger in het werk van beveiliger, die tot stemmingswisselingen, huilbuien of woede-uitbarstingen van [de werkneemster] zou leiden, waardoor de arbeidsovereenkomst nutteloos wordt. Door dit niet te melden heeft zij Intence wezenlijke informatie onthouden of zelfs gehandeld in strijd met de feiten, door de arbeidsovereenkomst te ondertekenen en dus te verklaren dat zij naar beste weten en kunnen de geestelijke gesteldheid heeft die voor de functie vereist is. Ten slotte heeft Intence een beroep gedaan op wederzijdse dwaling.
[de werkneemster] betwist dat er sprake is van dwaling.
3.13
Een beroep op dwaling slaagt als de arbeidsovereenkomst is aangegaan onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken en zij bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. Dwaling kan (kort gezegd) worden veroorzaakt door het zwijgen van de werknemer over wat hij over de dwaling wist of had behoren te weten, door een onjuiste inlichting van de werknemer of door wederzijdse dwaling, waarbij zowel werknemer als werkgever van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken zijn uitgegaan.
- geen ongeoorloofd zwijgen
3.14
Het antwoord op de vraag of [de werkneemster] Intence had behoren in te lichten in verband met wat zij over de dwaling van Intence wist of behoorde te weten, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat voor de wederpartij van de dwalende geen gehoudenheid tot het verschaffen van inlichtingen aangenomen kan worden met betrekking tot omstandigheden waarvan zij niet op de hoogte is. De wetsgeschiedenis bij het Burgerlijk Wetboek (BW) vermeldt dat een verplichting tot ‘preventief’ inlichten niet te snel mag worden aangenomen. Van een ‘behoren in te lichten’ zal in het algemeen slechts sprake zijn als de wederpartij van de dwalende (hier: [de werkneemster] ) zelf van de juiste stand van zaken op de hoogte was, of als die wederpartij bijvoorbeeld vanwege deskundigheid over de omstandigheid waarover wordt gedwaald, geacht moet worden van de juiste stand van zaken op de hoogte te zijn. [3]
3.15
Uit het voorgaande volgt dat [de werkneemster] niet gehouden was Intence ‘preventief’ in te lichten over het bestaan (hebben) van psychische klachten, maar Intence alleen behoorde in te lichten als zij wist of behoorde te weten dat haar psychische gesteldheid haar ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de overeengekomen werkzaamheden. [4] Naar het oordeel van het hof hoefde [de werkneemster] Intence niet in te lichten. Uit de brief van GGz Online, toegelicht door [de werkneemster] ter zitting bij het hof, blijkt namelijk dat zij succesvolle behandelingen had ondergaan, zodat zij niet sinds 2022 onafgebroken last had van psychische problemen. Pas na het voorval op 12 juni 2025 is er een diagnose gesteld. Bovendien is niet gebleken dat er ingrijpende belemmeringen in de uitoefening van haar werkzaamheden als museumbeveiliger waren ten tijde van de opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Deze combinatie van omstandigheden maakt dat [de werkneemster] op 18 juni 2024, toen zij de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ondertekende, niet wist of behoorde te weten dat haar psychische gesteldheid haar ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de functie van beveiliger A dan wel van museumbeveiliger. Dat vindt ook steun in de eerste acht maanden van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (tot de ziekmelding), waarin evenmin is gebleken van enige psychische belemmering voor de uitoefening van de functie.
- geen onjuiste inlichting want ongeoorloofde vraag
3.16
Het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst waarmee [de werkneemster] verklaart naar beste weten en kunnen te beschikken over de lichamelijke en geestelijke gesteldheid die voor de uitoefening van zijn functie vereist is, leidt niet tot een geslaagd beroep op dwaling door Intence. Het hof stelt daarbij voorop dat uit artikel 4 lid 2 van Pro de Wet op de medische keuringen volgt dat het aan een ander dan een keurend arts niet is toegestaan vragen te stellen noch anderszins inlichtingen in te winnen over de gezondheidstoestand van de keurling of over diens ziekteverzuim in het verleden. Deze bepaling is ingevoerd om te voorkomen dat (buiten een medische keuring) vragen worden gesteld over de gezondheidstoestand van de sollicitant:
‘De fracties (...) hebben de aandacht gevestigd op het gevaar dat door een wettelijke regeling van de medische keuring vragen naar de gezondheidstoestand zouden worden verplaatst naar een andere fase van de sollicitatieprocedure. (...) blijkt dit inmiddels in aanmerkelijke mate het geval te zijn. Ik ben het met die fracties eens dat dit een ongewenste ontwikkeling is. Nog afgezien van de privacy, ontbreekt bovendien aan oordelen van niet-deskundigen over de gezondheidstoestand iedere professionele basis. Aan het tweede lid van artikel 4 zal Pro daarom een nieuwe zin worden toegevoegd (…).’ [5]
3.17
Het was Intence in het verlengde hiervan dus niet toegestaan om met het opnemen van deze bepaling in de aangeboden arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan [de werkneemster] te vragen naar haar psychische geschiktheid voor de functie. Dat leidt ertoe dat het hof niet toekomt aan de beoordeling of Intence door het antwoord van [de werkneemster] op deze ongeoorloofde vraag heeft gedwaald.
- geen wederzijdse dwaling
3.18
Het hof honoreert ook niet het beroep van Intence op wederzijdse dwaling. Op Intence rust de stelplicht en bewijslast onder andere dat [de werkneemster] van dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan als Intence. [6] Dat sprake was van een onjuiste voorstelling bij [de werkneemster] is echter niet gebleken. Integendeel, op grond van de hiervoor in 3.15 aangehaalde omstandigheden mocht [de werkneemster] aannemen (wat zij ook heeft gedaan) dat zij op 18 juni 2024 beschikte over de psychische geschiktheid voor het vervullen van de functie.
3.19
Dit leidt tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst niet wordt vernietigd op grond van bedrog of dwaling. Dat betekent ook dat het verzoek van Intence tot terugbetaling van het nabetaalde loon wordt afgewezen. Er heeft tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaan die op 1 december 2025 is geëindigd, zodat tot die datum het loon verschuldigd is.
Lagere wettelijke verhoging
3.2
Intence heeft verzocht om de toegekende wettelijke verhoging op het nabetaalde loon van 40% (zijnde € 4.535,69) te matigen tot nihil. Daartoe heeft zij aangevoerd dat Intence op 12 en 13 juni 2025 is geconfronteerd met een werkneemster die ernstige psychische klachten ervoer, die al drie jaar bestonden en waarover Intence niet was ingelicht. Op 12 en 13 juni 2025 heeft [de werkneemster] zich op ongepaste manier uitgelaten en gedragen tegenover (medewerkers van) Intence. Omdat Intence niet wist van de psychische problemen moet de reactie op dat ongepaste gedrag (het geven van ontslag op staande voet) worden gerelativeerd: het ontslag op staande voet is volgens Intence ook aan [de werkneemster] toe te rekenen. Bovendien ontvangt [de werkneemster] ook al wettelijke rente over het nabetaalde loon.
[de werkneemster] heeft erop gewezen dat Intence wel degelijk wist van de psychische problemen, gelet op de terugkoppelingen van de bedrijfsarts. Zij heeft vier maanden zonder inkomen gezeten, waarbij zij vanwege haar arbeidsongeschiktheid niet ergens anders kon werken, zodat zij schulden heeft moeten maken. Ook speelt het betaalgedrag van Intence mee nadat Intence veroordeeld was tot nabetaling van loon aan [de werkneemster] : het heeft heel lang geduurd en veel moeite gekost om betaling daarvan te krijgen.
3.21
Als de niet-tijdige betaling van het loon aan de werkgever is toe te rekenen heeft de werknemer aanspraak op wettelijke verhoging. Daarbij heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om de maximale wettelijke verhoging te matigen. Het hof zal de wettelijke verhoging matigen tot 30% (zijnde € 3.401,77, te vermeerderen met wettelijke rente) en [de werkneemster] veroordelen een bedrag van € 1.133,92 (€ 4.535,69 -/- € 3.401,77) terug te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente. Het is namelijk onmiskenbaar dat [de werkneemster] niet op tijd haar loon heeft gehad vanwege het onterechte ontslag op staande voet. Dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven kan aan Intence worden toegerekend, zodat een matiging naar nihil niet aan de orde is. Tegelijkertijd is er geen sprake van kwaadwilligheid, waarbij Intence willens en wetens zonder enige grond niet heeft betaald en heeft [de werkneemster] ook aanspraak op de wettelijke rente. Matiging tot 30% komt het hof daarom redelijk voor.
De billijke vergoeding
3.22
Intence is het niet eens met de toegekende billijke vergoeding en subsidiair bestrijdt zij de hoogte van de toegekende billijke vergoeding.
terechte toekenning van een billijke vergoeding
3.23
Volgens Intence ligt de lat voor toekenning van een billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever hoog: toekenning daarvan is alleen aan de orde in uitzonderlijke situaties. Daarvan is hier volgens haar geen sprake. [de werkneemster] heeft zich niet geconformeerd aan het oordeel van de bedrijfsarts over het verrichten van vervangend werk, waarover een discussie ontstaat waaraan zij zich wilde onttrekken door zich ziek te melden. In die context is gesproken over de gevolgen van zo’n ziekmelding. Haar gedragingen en uitlatingen op 12 juni 2025 heeft [de werkneemster] onderstreept door zich in het gesprek op 13 juni 2025 verwijtend en beschuldigend uit te laten. Als de geestelijke gesteldheid van [de werkneemster] bij haar gedrag en uitlatingen moet worden betrokken, dan betekent dat tegelijk dat zij niet de geestelijke gesteldheid heeft voor de uitoefening van de functie. Meegewogen moet worden dat [de werkneemster] de ernstige psychische klachten voor Intence verborgen heeft gehouden en dat Intence dus op de ontoelaatbare uitlatingen en het als extreem ervaren gedrag van [de werkneemster] heeft gereageerd met ontslag op staande voet, zonder te weten van die psychische klachten. Tot op zekere hoogte maakt dat het gegeven ontslag op staande voet, hoewel onjuist, wel begrijpelijk, aldus Intence.
[de werkneemster] heeft gewezen op het onterechte (en onbegrijpelijke) ontslag op staande voet, de herhaalde weigering van de ziekmelding, de dreiging met een loonsanctie, de weigering haar eerder naar huis te laten gaan en het volharden in de stelling dat [de werkneemster] onder geen beding terug kon. Daarmee heeft Intence in ernstige mate bijgedragen aan de escalatie van de situatie en de duurzame en ernstige verstoring van de arbeidsverhouding. Een billijke vergoeding is dus op zijn plaats volgens [de werkneemster] .
3.24
Het gaat hier om de billijke vergoeding van artikel 7:671b lid 9 aanhef en onder c BW, die speelt in een situatie wanneer de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Intence. De rechter kan in zo’n geval een billijke vergoeding toekennen, maar daartoe is hij niet verplicht. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich alleen zal voordoen in uitzonderlijke gevallen (het zogenaamde ‘muizengaatje’).
3.25
Het hof meent dat terecht een billijke vergoeding is toegekend. Vooropgesteld wordt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is ontbonden vanwege een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (de zgn. g-grond). Daarbij heeft de kantonrechter geoordeeld dat de ontbinding in zekere mate in verband staat met de arbeidsongeschiktheid van [de werkneemster] , maar dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst ondanks het opzegverbod bij ziekte in het belang van [de werkneemster] is. Dat wordt gebaseerd op de combinatie van de psychische klachten en de ondubbelzinnige opstelling van Intence om [de werkneemster] onder geen beding meer terug te willen vanwege de gebeurtenissen op 12 en 13 juni 2025. Tegen deze oordelen zijn geen bezwaren aangevoerd, zodat hof dat dus tot uitgangspunt moet nemen.
3.26
Als de arbeidsovereenkomst is ontbonden op de g-grond dan is voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever nodig dat de werkgever de verstoorde arbeidsverhouding heeft veroorzaakt door zich laakbaar te gedragen of door grovelijk de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst niet na te komen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de werkgever met opzet aanstuurt op beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zich niet heeft ingespannen om de verslechterde verhoudingen te herstellen of op ernstige wijze zijn uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende
(re-integratie-)verplichtingen niet nakomt. Het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van Intence zit naar het oordeel van het hof in een aantal omstandigheden. Allereerst was Intence er wel degelijk van op de hoogte dat de arbeidsongeschiktheid [de werkneemster] werd veroorzaakt door psychische problemen. De terugkoppelingen van de bedrijfsarts kunnen redelijkerwijs niet anders worden begrepen. 12 juni 2025 was ook de eerste dag waarop [de werkneemster] de re-integratie-uren verder zou opbouwen, waarvan Intence zich bewust had moeten zijn: [de leidinggevende] heeft immers zelf het opbouwschema op papier gezet. Op het moment dat [de werkneemster] zich ziek probeerde te melden past het dan niet om de ziekmelding (herhaaldelijk) te weigeren maar had Intence [de werkneemster] moeten doorsturen naar de bedrijfsarts ter toetsing van haar actuele belastbaarheid. Dat had Intence in elk geval moeten doen na ontvangst op 12 juni 2025 van de e-mail van [de werkneemster] waarin zij expliciet klaagde over het niet aankunnen van de urenopbouw en waarin zij verzocht om een second opinion van een andere bedrijfsarts. Pas na het oordeel van de bedrijfsarts had Intence eventueel een loonstop kunnen opleggen. Verder is de stelling van Intence in hoger beroep dat [de werkneemster] de discussie over de inhoud van haar vervangend werk probeerde te ontvluchten met een ziekmelding, onjuist. Uit de ontslag op staande voet-brief in combinatie met de klachtbrief van [de leidinggevende] (productie 4 verweerschrift eerste aanleg) is op te maken dat de escalatie van het gesprek op 12 juni 2025 juist ontstond door de (eerste) weigering van de ziekmelding. Hoe dan ook, tegen de achtergrond van de bekende psychische problemen was de stap naar het geven van een ontslag op staande voet onterecht. Dat wil overigens niet zeggen dat [de werkneemster] maar alles moest kunnen zeggen over [de leidinggevende] en Intence, want dat is niet zo. De kantonrechter heeft haar gedrag namelijk grensoverschrijdend genoemd en dat is verder niet bestreden. Tegelijkertijd speelt mee dat haar uitlatingen en gedragingen gelet op de psychische klachten niet (volledig) aan [de werkneemster] toe te rekenen zijn.
3.27
Het ligt voor de hand dat het handelen van Intence op 12 juni 2025 in grote mate heeft bijgedragen aan de verstoring van de arbeidsverhoudingen, zeker als daarbij de weigering wordt betrokken om [de werkneemster] eerder naar huis te laten gaan. Daar komt bij dat Intence niet onderbouwd heeft of, en zo ja welke, pogingen zij heeft ondernomen om de situatie te de-escaleren. Volgens Intence was daarvoor het gesprek op 13 juni 2025 bedoeld, wat zij in het beroepschrift als ‘tweede kans-gesprek’ bestempelt. Er is geen verslag van het gesprek en de lezingen over hoe dat gesprek ging, lopen sterk uiteen. Zelfs als de lezing van Intence zou worden gevolgd (het aandringen op het maken van excuses door [de werkneemster] , het door [de werkneemster] maken van verwijten en het beledigen in plaats van het tonen van reflectie) dan nog had van Intence een pas op de plaats mogen worden verwacht in plaats van het geven van ontslag op staande voet. Daar komt bij dat Intence bleef hameren op de onmogelijkheid van terugkeer, zelfs toen via de brief van GGz Online bekend werd dat het gedrag van [de werkneemster] werd veroorzaakt door ernstige onderliggende psychische problematiek. Voorstelbaar was geweest, in een situatie waarin [de werkneemster] tot aan de ziekmelding naar tevredenheid functioneerde en gelet op de door Intence benoemde moeilijkheid om aan beveiligers te komen, dat Intence toen een andere afweging had gemaakt. Het gevolg van de opstelling van Intence is ook geweest dat de verstoring van de arbeidsverhouding door de kantonrechter zo ernstig werd bevonden dat het nodig was de ontbinding uit te spreken, met voorbijgaan aan de ontslagbescherming tijdens ziekte die [de werkneemster] rechtens toekwam. De slotsom is dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Intence, waarvoor een billijke vergoeding op zijn plaats is.
hoogte van de billijke vergoeding is terecht
3.28
Intence is het niet eens met de hoogte van de billijke vergoeding: die is buitenproportioneel hoog. Daartoe wijst zij op de gezichtspunten die de Hoge Raad (HR) heeft genoemd. Bij de begroting van de billijke vergoeding mag volgens Intence niet meewegen dat Intence expliciet niet meer wilde dat [de werkneemster] te werk werd gesteld omdat dat samenhing met haar gedrag op 12 en 13 juni 2025. Verder speelt het verzwijgen door [de werkneemster] van relevante informatie en haar verantwoordelijkheid naar andere werknemers. Er had rekening gehouden moeten worden met de verdere duur van de arbeidsovereenkomst, een andere rechtmatige manier van beëindigen en op welke termijn die dan had kunnen plaatsvinden. Ook [de werkneemster] had een belangrijk aandeel in de verstoring (door haar opstelling op 12 en 13 juni 2025) waardoor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd zou zijn geweest, uiterlijk per 1 december 2025. Dan zou alleen het loon c.a. tot 1 december 2025 en de transitievergoeding zijn verschuldigd. De kantonrechter heeft verder ten onrechte inkomensverlies aangenomen tot 24 maart 2027, uitgaande van het volmaken van twee jaar arbeidsongeschiktheid, want daarvoor is geen feitelijke basis te vinden. Bovendien moet het recht op WW-uitkering dan wel ZW-uitkering dat [de werkneemster] vanaf 1 december 2025 toekomt naar de mening van Intence in mindering worden gebracht op het te verwachten inkomensverlies. Het gaat daarbij om een bedrag van € 43.942,38 bruto.
[de werkneemster] betwist de standpunten van Intence.
3.29
Het hof acht de hoogte van de toegekende billijke vergoeding terecht. Daarvoor is het volgende van belang. De HR heeft in de New Hairstyle-beschikking overwogen dat in zijn algemeenheid geldt dat de billijke vergoeding moet worden bepaald op een wijze die, en op een niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De rechter moet in de motivering van zijn oordeel inzicht geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid. Hierbij mag ook rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt. Er zijn door de HR ook een aantal (niet-limitatieve) gezichtspunten geformuleerd voor de begroting van de billijke vergoeding. [7] Daarbij kan de billijke vergoeding mede strekken tot genoegdoening voor de werknemer wegens het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en gelden als middel om een werkgever te wijzen op de noodzaak het gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen. Ook speelt mee dat de omvang van de toe te kennen billijke vergoeding zich naar zijn aard moeilijk laat motiveren. [8] Het gaat er bij het vaststellen van de billijke vergoeding uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding weegt het hof de volgende omstandigheden mee.
- de verwachte verdere duur van de arbeidsovereenkomst
3.3
Als de gebeurtenissen van 12 en 13 juni 2025 (als belangrijkste oorzaak van de verstoring van de arbeidsverhouding) worden weggedacht dan is de redelijke verwachting dat de arbeidsovereenkomst nog tot 1 april 2027 geduurd zou hebben. Het hof maakt die inschatting allereerst op basis van de onweersproken stelling van Intence ter zitting dat de gemiddelde duur van een dienstverband bij haar drie tot vijf jaar is. Medio juni 2025 was [de werkneemster] al drie jaar in dienst en begonnen met re-integratie-werkzaamheden, die nog enige tijd in beslag zouden hebben genomen voordat zij weer volledig arbeidsgeschikt zou zijn. Niet gebleken is verder dat er enige kritiek was op het functioneren of dat er anderszins omstandigheden speelden die tot een eerdere beëindiging van de arbeidsovereenkomst zouden hebben geleid. Intence heeft gemeend dat zij, het ontslag op staande voet weggedacht, de arbeidsovereenkomst had kunnen ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding maar daar gaat het hof niet in mee. Zonder de gebeurtenissen van 12 en 13 juni 2025 is een verstoring van de arbeidsverhouding niet aan de orde, nog los van het oordeel dat bij het wél aannemen van een verstoorde arbeidsverhouding het opzegverbod bij ziekte een belemmering voor ontbinding zou zijn geweest. De kantonrechter passeert immers dat opzegverbod vanwege het ondubbelzinnig vasthouden door Intence aan beëindiging, dat dateert van na medio juni 2025. Ontbinding op de ter zitting nog aangevoerde h-grond (andere omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren) acht het hof kansloos. Intence baseert die ontbinding op het nutteloos worden van de arbeidsovereenkomst omdat uit de brief van GGz Online de ongeschiktheid van [de werkneemster] voor de functie blijkt. Daarbij wordt over het hoofd gezien dat, als de gebeurtenissen van 12 en 13 juni 2025 worden weggedacht, Intence niet de beschikking zou hebben gehad over de brief van GGz Online. Bovendien volgt uit wat hiervoor is overwogen in 3.14 tot en met 3.19 dat de arbeidsovereenkomst niet nutteloos is gebleken. Het hof neemt daarom aan dat [de werkneemster] vijf jaar in dienst zou zijn gebleven, tot 1 april 2027.
- het verwachte inkomensverlies
3.31
Uitgaande van 1 april 2027 als te verwachten einddatum schat het hof in dat het inkomensverlies dat [de werkneemster] leidt door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2025 uitkomt op afgerond € 45.000 bruto. Allereerst ziet het hof geen concrete aanknopingspunten om te veronderstellen dat de arbeidsongeschiktheid twee jaar zou hebben geduurd. [de werkneemster] zou op 12 juni 2025 beginnen met opbouwen en dan zou, rekening houdend met mogelijke horten en stoten, bij een normaal verloop van re-integratie volledige werkhervatting per 1 mei 2026 haalbaar moeten zijn geweest. Dat betekent dat zij op basis van de cao over de periode 1 december 2025 tot 22 maart 2026 recht zou hebben gehad op 90% loondoorbetaling bij ziekte (3,75 maand x € 2.340,12 bruto per maand) en van 22 maart 2026 tot 1 mei 2026 op 85% (1,25 maand x € 2.210,12 bruto per maand). Van 1 mei 2026 tot 1 april 2027 (11 maanden) zou [de werkneemster] recht hebben gehad op het normale salaris van
€ 2.600,14 bruto per maand. Daarnaast zou op grond van de algemeenverbindendverklaarde cao recht hebben bestaan op een loonindexatie per periode 1 in 2026 (ten minste 2,5%), een verhoging met een periodiek in maart 2026 en een eindejaarsuitkering over 2026.
-andere inkomsten
3.32
De HR heeft geoordeeld dat als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst, het dan voor de hand ligt dat hij in dat verband niet alleen rekening houdt met nadelen (verlies van loon) maar ook met eventuele voordelen (zoals het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven) die daarmee voldoende samenhangen. In welke mate de aldus vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, zal mede afhangen van de aanwezigheid van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een werkloosheidsuitkering. Uiteindelijk komt het immers aan op een beoordeling van alle omstandigheden in het licht van hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd. [9]
3.33
Na 1 december 2025 heeft [de werkneemster] een ZW-uitkering ontvangen tot 1 februari 2026 van 75% (2 maanden x € 1.950,11 bruto per maand) en daarna van 70% (€ 1.820,10 bruto per maand). Intence heeft bepleit om de maximale duur van de ZW-uitkering (24 maanden) in mindering te brengen, waarbij zij echter over het hoofd ziet dat voor [de werkneemster] na 1 december 2025 gelet op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 22 maart 2025 nog slechts maximaal recht bestaat op 15,75 maanden ZW-uitkering. Verder schat het hof in dat [de werkneemster] per 1 augustus 2026 hersteld zal zijn en dus tot die datum is aangewezen op een ZW-uitkering. Aanwijzingen daarvoor zijn te vinden in de brief van GGz Online, waaruit volgt dat [de werkneemster] opnieuw behandeld wordt maar ook dat de arbeidsongeschiktheid mede in stand gehouden wordt door deze rechtszaak. De verwachting is dat door deze uitspraak die oorzaak wegvalt, zodat [de werkneemster] snel in staat is om (verdere) stappen te zetten naar herstel. Daar komt bij dat [de werkneemster] er ter zitting nog op heeft gewezen dat de stroperige afwikkeling van het dienstverband en van datgene waartoe de kantonrechter Intence heeft veroordeeld ook heeft bijgedragen aan het voortduren van de arbeidsongeschiktheid. Ter zitting is echter door haar bevestigd dat Intence inmiddels aan (vrijwel) alle betalingsverplichtingen heeft voldaan, zodat ook die omstandigheid als oorzaak van (voortdurende) arbeidsongeschiktheid wegvalt. Dat betekent dat het hof op het verwachte inkomensverlies een bedrag van € 14.820 bruto aan (te verwachten) ZW-uitkering in mindering brengt (twee maanden x € 1.950,11 bruto + zes maanden x € 1.820,10 bruto). Er is niets gesteld over of en hoe snel [de werkneemster] daarna ander werk zal kunnen vinden, en welk inkomen zij daarmee zal kunnen verdienen. Het hof gaat er daarom vanuit dat zij vanaf 1 augustus 2026 aangewezen zal zijn op een WW-uitkering. Die WW-uitkering brengt het hof niet in mindering op het verwachte inkomensverlies omdat [de werkneemster] haar WW-rechten vanaf dan al opsoupeert alsook dat zij geen recht op een langere WW-uitkeringsduur opbouwt, wat wel zo zou zijn als de arbeidsovereenkomst niet voortijdig was geëindigd.
-verwijt en gevolgen
3.34
Het hof heeft in 3.26 al overwogen dat, hoewel het gedrag van [de werkneemster] door de kantonrechter grensoverschrijdend is geacht, dat niet (volledig) aan haar toe te rekenen is. Er is dus geen reden om daarmee rekening te houden bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding. Tegelijkertijd spelen de gevolgen van het ontslag een rol bij de billijke vergoeding, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt. Als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van Intence is de verwachting dat de arbeidsongeschiktheid (met de daarbij behorende belasting) langer zal hebben geduurd dan zonder dat handelen, terwijl [de werkneemster] daarnaast verstoken is gebleven van re-integratie-inspanningen door Intence vanwege het onterechte ontslag op staande voet en het einde van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2025. Bovendien is [de werkneemster] door toedoen van Intence haar arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kwijtgeraakt, die haar de nodige financiële zekerheid bood.
conclusie
3.35
Het hof komt op grond van weging van al het voorgaande tot de conclusie dat aan [de werkneemster] terecht een billijke vergoeding van € 35.500 bruto is toegekend. Omdat het bezwaar van Intence tegen deze beslissing van de kantonrechter niet opgaat, slaagt ook het bezwaar tegen de proceskostenveroordeling in het tegenverzoek bij de kantonrechter niet.
conclusie
3.36
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van Intence grotendeels niet slaagt, zodat zij in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld.
3.37
Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als ze zouden worden bewezen.

De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 13 oktober 2025, behalve de beslissing onder 6.2, voor zover daarin de wettelijke verhoging met een maximum van 40% is toegekend, die hierbij in zoverre wordt vernietigd;
4.2
veroordeelt Intence tot betaling aan [de werkneemster] van de wettelijke verhoging van 30% over de bedragen als genoemd in 6.2 van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 13 oktober 2025;
4.3
veroordeelt [de werkneemster] tot terugbetaling aan Intence van € 1.133,92 wegens te hoge wettelijke verhoging, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van betaling door Intence aan [de werkneemster] tot aan de dag van de volledige voldoening door [de werkneemster] aan Intence;
4.4
veroordeelt Intence in het hoger beroep tot betaling van de volgende proceskosten van [de werkneemster] :
€ 373 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [de werkneemster] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.5
bepaalt dat deze proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.6
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gewezen door mrs. G.A. Diebels, M.E.L. Fikkers en H.M.J. van den Hurk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.

Voetnoten

1.HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:213.
2.Zie bijv. Hof Amsterdam 9 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3303 voor buitengerechtelijke vernietiging.
3.HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3424.
4.Zie bijv. ook Hof Amsterdam 9 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3303.
6.HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1136.
7.HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (
8.HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (
9.HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193 (