Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2990

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
23/3058
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 7:2 lid 1 AwbArt. 25 AWRArt. 20 AWRArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM met discussie over waardering en proceskosten

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 2.824, gebaseerd op een waardering van een gebruikte Mercedes-Benz E-klasse Estate 250 BlueTEC. De Inspecteur sloot het gebruik van een taxatierapport uit en baseerde de waardering op een koerslijst. Belanghebbende betwistte dit en stelde onder meer dat de waardering onjuist was, dat het Unierecht werd geschonden en dat de proceskostenvergoeding onvoldoende was.

De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar belanghebbende ging in hoger beroep. Het Hof oordeelde dat nationale rechters het Unierecht mogen toepassen en dat het heffen van griffierecht niet in strijd is met het Unierecht zolang het geen onoverkomelijk obstakel vormt. Het verdedigingsbeginsel was niet geschonden omdat belanghebbende schriftelijk kon reageren.

Het Hof volgde belanghebbende in het gebruik van de koerslijstmethode en vond dat de naheffingsaanslag moest worden verminderd tot € 2.137. De bewijslast voor waardevermindering lag bij belanghebbende, die onvoldoende schade aannemelijk had gemaakt. De hoorplicht was niet geschonden. Proceskosten en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn werden toegekend. Het verzoek tot vergoeding van kosten voor het opvragen van de koerslijst werd afgewezen.

Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank en de Inspecteur vernietigd, en de naheffingsaanslag verminderd. De Staat werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht, immateriële schade en proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 2.137 en vergoedingen toegekend voor griffierecht, immateriële schade en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/3058
uitspraakdatum: 12 mei 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 oktober 2023, nummer ARN 22/1447, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Backoffice BPM(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.824.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 1.000, € 837 en € 365.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door [deskundige1] . Namens de Inspecteur zijn [naam1] en [naam2] verschenen. De zaken met de nummers 23/3057, 23/3058, 24/473, 24/1031, 24/1032 en 24/1033 zijn gelijktijdig en gezamenlijk behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een Mercedes-Benz, E-klasse, Estate 250 BlueTEC (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 571 aan BPM voldaan.
2.2.
In het bijgevoegde taxatierapport van [taxatiebedrijf] is de historische nieuwprijs van het voertuig vastgesteld op € 570.673 De handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat is aan de hand van referentieonderzoek vastgesteld op € 16.813. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 12.963 (99,5% van € 13.029) in mindering gebracht wegens schade aan de auto zodat een handelsinkoopwaarde van € 3.850 resteert. Het taxatierapport is opgesteld op 25 november 2019.
2.3.
Bij brief van 15 juli 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende in kennis gesteld dat hij voornemens is een naheffingsaanslag Bpm op te leggen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld op de kennisgeving van de naheffingsaanslag Bpm te reageren. Belanghebbende heeft hierop gereageerd en de aankoopfactuur van de auto en foto’s van de taxatie overgelegd.
2.4.
De Inspecteur heeft op 2 oktober 2020 de naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 2.824. De naheffing is gebaseerd op de opgevraagde aankoopfactuur en de originele grote foto’s die door de taxateur van belanghebbende zijn gemaakt. Deze gegevens zijn op 26 juni 2020 door de Inspecteur ontvangen. Omdat de Inspecteur op basis van de foto’s alleen gebruikssporen heeft vastgesteld die gebruikelijk zijn bij de leeftijd en kilometerstand van het voertuig, heeft de Inspecteur het gebruik van een taxatierapport om de afschrijving en handelsinkoopwaarde te bepalen uitgesloten. Er heeft geen schouw door Domeinen Roerende zaken (DRZ) plaatsgevonden. De Inspecteur heeft vervolgens de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 22.834 op basis van de (meest voordelige) koerslijst van belanghebbende (AutotelexPro). De naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Catalogusprijs
€ 61.002
BPM (CO2-uitstoot 199 gr/km)
9.671
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
70.673
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Autotelex)
22.834
Schade
-/- 0
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
22.834
Afschrijving
67,69%
Historische BPM (CO2-uitstoot 199 gr/km)
10.512
Afschrijving
-/- 7.116
= Verschuldigde BPM
3.396
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 571
Naheffingsaanslag
€ 2.824

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd:
De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
Belanghebbende is voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte niet gehoord, zodat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden.
Het opleggen van een naheffingsaanslag BPM ter zake van een naar Nederland overgebracht motorvoertuig is in strijd met artikel 110 VWEU Pro nu binnenlandse voertuigen per definitie zijn uitgesloten van een dergelijke heffingsmodaliteit.
De bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering van de verschuldigde BPM rust in het licht van artikel 110 VWEU Pro op de Inspecteur.
Vanwege schending van de hoorplicht in de bezwaarfase had de Rechtbank de zaken moeten terugwijzen naar de Inspecteur.
De onafhankelijkheid van DRZ ten opzichte van de Inspecteur is niet gewaarborgd en aan het door DRZ opgestelde taxatierapport van de Inspecteur worden ten onrechte minder hoge eisen gesteld dan aan een door belanghebbende in te brengen rapport (wapengelijkheid). In dit kader is verzocht 2 medewerkers te horen.
Ten onrechte is geen schade in aanmerking genomen.
De handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met 100% van de geraamde herstelkosten.
Voor de handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft.
De koerslijst methode moet worden gebruikt op basis van Xray.
Dat voor het berekenen van de afschrijving e artikel 10 lid 2 Wet Pro BPM de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van 128 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto (met een onbekende CO2-uitstoot) is verschuldigd.
De regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), waarbij de proceskostenvergoeding in beginsel een forfaitair karakter heeft, is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
Indien de Inspecteur het betaalde griffierecht dient te vergoeden, moet rente worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald.
De overschrijding van de redelijke termijn in beroep dient tot een hogere immateriële schadevergoeding te leiden.
Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.
De kosten van het opvragen van de Xray koerslijst van € 120 moeten worden vergoed.
3.3.
De Inspecteur stelt dat de Xray koerslijst te laat is overgelegd en daarom niet meer mee kan worden genomen (tardief).
3.4.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht
4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. [1] Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van Pro het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU Pro niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. [2]
Ad b. Vooraf heffen griffierecht
4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. [3]
4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. [4] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake. [5]
4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Ad c. Schending verdedigingsbeginsel
4.7.
Belanghebbende heeft gesteld dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, nu belanghebbende niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Zo dit beginsel in het onderhavige geval al van toepassing is [6] – het Hof kan dat in het midden laten – dan nog is van een schending daarvan geen sprake. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. [7] Dit betekent dat nu belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgenodigd schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus dat standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat belanghebbende ook wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek. [8]
Ad d en e. Naheffing van BPM en bewijslast
4.8.
Belanghebbende betoogt dat te weinig geheven BPM niet op grond van artikel 20 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorrijtuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Dit betoog is niet juist. [9]
4.9.
Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU Pro neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Volgens belanghebbende berusten stelplicht en – bij betwisting – bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren niet op hem. Ook dit betoog faalt. Op iemand die zich beroept op een vermindering van de verschuldigde BPM rust de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die daartoe kunnen leiden. Daarbij moet diegene wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren. [10] Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich dan niet tegen deze bewijslastverdeling. [11]
Ad f. Schending hoorplicht in bezwaarfase
4.10.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de gemachtigde is uitgenodigd voor een hoorgesprek en hij vervolgens heeft aangegeven niet te zullen verschijnen, zodat de hoorplicht niet is geschonden.
4.11.
Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op verzoek te horen (artikel 7:2, lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 25 AWR Pro). De wettelijke regeling over het horen van degene die bezwaar maakt, staat de inspecteur toe voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht een tijdstip en een locatie te kiezen. De vrijheid die de inspecteur in dit verband heeft, wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die beginselen brengen mee dat rekening moet worden gehouden met de redelijke belangen van de betrokkene(n) en van de inspecteur. De inspecteur moet die belangen tegen elkaar afwegen. Uitgangspunt daarbij is (a) dat het aan de inspecteur is om tijd en plaats van het hoorgesprek te bepalen, en (b) dat geen regel of beginsel meebrengt dat een hoorgesprek alleen kan worden gehouden op een plaats en tijdstip die de belanghebbende en diens gemachtigde uitkomen, bijvoorbeeld in verband met andere verplichtingen. [12]
4.12.
De Inspecteur heeft, nadat de gemachtigde een hoorgesprek op 17 mei 2021 heeft geannuleerd, een nieuw hoorgesprek gepland op 27 mei 2021. Uit de mail van de gemachtigde van belanghebbende van 19 mei 2021, waarin hij opmerkt op 27 mei 2021 verhinderd te zijn, volgt dat hij de uitnodiging heeft ontvangen. Deze mail heeft de Inspecteur eerst op 2 juli 2021 ontvangen. Bovendien heeft de gemachtigde in deze mail niet om uitstel van het hoorgesprek verzocht. Dit brengt mee dat de Inspecteur de gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld over de bezwaren te worden gehoord en hij bij het plannen van een hoorgesprek de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet heeft geschonden. Dat de gemachtigde vervolgens ervoor heeft gekozen niet te verschijnen, brengt dan niet mee dat de Inspecteur de hoorplicht niet is nagekomen. [13]
Ad g. Betrouwbaarheid DRZ en horen STA-medewerkers
4.13.
Belanghebbende betoogt dat DRZ niet onafhankelijk is maar een verlengstuk van de Belastingdienst waar hijzelf met zijn strafblad niet zou mogen werken. Daarmee wil belanghebbende niet zonder meer zeggen dat een rapportage van DRZ per definitie niet deugt maar die band met de Belastingdienst “wekt wel het vermoeden op” van ondeugdelijkheid. In dit kader verzoekt belanghebbende een aantal in het dossier genoemde STA-medewerkers als getuigen te horen.
4.14.
Het Hof laat bovenstaande grief onbesproken en wijst het verzoek STA-medewerkers te horen af. In onderhavige zaak is geen DRZ rapportage aanwezig, zodat de betrouwbaarheid van DRZ in onderhavige zaak geen rol kan spelen. Wat de STA-medewerkers eventueel in dit kader kunnen verklaren is derhalve ook niet relevant voor onderhavig geschil.
Ad. h Schade
4.15.
De Inspecteur heeft geen schade in aanmerking genomen omdat geen van de opgegeven schadeposities uit de overgelegde foto’s blijkt. Voor zover belanghebbende stelt dat dergelijke schade wel aanwezig is onder verwijzing naar het rapport van [taxatiebedrijf] , merkt het Hof het volgende op.
4.16.
De stelplicht en de bewijslast rusten op de belanghebbende die zich op de vermindering van de BPM beroept. [14] Dit betekent dat belanghebbende niet alleen de bewijslast heeft met betrekking tot de omvang van de gestelde schade en de invloed van die schade op de handelsinkoopwaarde van de onderhavige auto’s maar dat op haar, op grond van de hiervoor vermelde rechtspraak van de Hoge Raad, ook de bewijslast rust met betrekking tot, kort gezegd, de waarde van de te hanteren referentieauto’s, meer in het bijzonder de historische nieuwprijs daarvan en de handelsinkoopwaarde die door een handelaar wordt betaald bij aankoop van een particulier. Uit de overgelegde foto’s blijkt niet van meer dan normale gebruiksschade.
Ad i. Herstelkosten
4.17.
Nu geen schade in aanmerking wordt genomen, behoeft de grief onder i. geen bespreking.
Ad j. Ex-rental
4.18.
Belanghebbende heeft niet gemotiveerd gesteld dat de onderhavige auto een ‘ex-rental auto’ en/of daarmee vergelijkbare voertuig is. Niettemin stelt belanghebbende zich op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEU Pro voor de bepaling van de afschrijving dient te worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft (‘ex-rental’), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt, omdat dit de laagst mogelijke waarde is. Het betoog van belanghebbende faalt, omdat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. [15]
Ad k. Koerslijstmethode Xray
4.19.
Belanghebbende wenst te ‘switchen’ van de taxatiemethode naar de koerslijstmethode, waarbij wordt uitgaan van de handelsinkoopwaarde volgens koerslijst Xray en heeft daartoe op 9 februari 2026 een Xray koerslijst overgelegd.
4.20.
De Inspecteur stelt dat het overleggen van deze koerslijst tardief is. Het Hof volgt dit niet. Nu de koerslijst Xray op 9 februari 2026 is overgelegd en de dag erna aan het digitale dossier is toegevoegd, heeft de Inspecteur voldoende tijd gehad om op de lijst en het switchen naar de koerslijstmethode te reageren.
4.21.
Gedurende een gerechtelijke procedure kan worden gekozen voor een andere methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan. Nu de Inspecteur het switchen naar de koerslijstmethode en de daarvoor overgelegde Xray koerslijst op zichzelf niet heeft betwist, zal het Hof belanghebbende hierin volgen en de naheffingsaanslag verminderen tot € 2.137.
Ad l. Handelsinkoopwaarde: invloed van hogere CO2-uitstoot
4.22.
Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentievoertuig met een CO2-uitstoot van 189 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 199 gr/km heeft.
4.23.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig. [16] Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot kan immers veroorzaakt worden door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering. [17]
4.24.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen. [18] Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken. [19] Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.25.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat een hogere CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, heeft belanghebbende erop gewezen – hetgeen door de Inspecteur niet is betwist – dat de gebruikte koerslijst geen voorzieningen heeft ingebouwd die een koppeling maken tussen opties en de bijbehorende CO2-uitstoot. Dit brengt mee dat in deze koerslijst de catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde wel stijgen door het opvoeren van opties, maar dat de CO2-uitstoot daardoor niet meebeweegt. Ook andersom zal een handmatige aanpassing van de CO2-uitstoot op zichzelf geen gevolgen hebben voor de handelsinkoopwaarde, deze blijft namelijk gebaseerd op de ‘norm-uitstoot’ die standaard in het systeem staat, in plaats van de daadwerkelijke uitstoot van de auto, aldus belanghebbende. Dit betekent volgens belanghebbende echter niet, dat de getoonde handelsinkoopwaarde niet is gekoppeld aan de getoonde referentieauto inclusief de waarde van de toegevoegde opties.
4.26.
Uit deze toelichting zou kunnen worden afgeleid dat de getoonde handelsinkoopwaarde ook behoort bij een CO2-uitstoot die overeenstemt met de extra opties of andere uitvoering, waardoor de in koerslijst getoonde referentieauto in werkelijkheid dezelfde CO2-uitstoot heeft als de te registreren auto, hoewel een lagere CO2-uitstoot is weergegeven. [20] Bij een dergelijke gevolgtrekking zou belanghebbende kunnen worden gevolgd in zijn standpunt.
4.27.
Uit de toelichting van belanghebbende volgt dat de koerslijst geen verband legt tussen de CO2-uitstoot en de daarin opgenomen opties en uitvoering van de referentieauto. Dit maakt het gebruik van de koerslijst in het geval sprake is van een auto met een afwijkende CO2-uitstoot zonder nadere toelichting in wezen onmogelijk.
Ad m. Forfaitaire proceskostenvergoeding
4.28.
Belanghebbende heeft ook gesteld dat de Rechtbank de Inspecteur tot een te laag bedrag ter vergoeding van de proceskosten heeft veroordeeld.
4.29.
Bij het bepalen van de proceskostenvergoeding heeft de Rechtbank zich gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis. [21]
4.30.
Dit geldt ook als een onjuist bevonden standpunt van de inspecteur in strijd is met het Unierecht. [22] Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3 Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding. [23] In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden. Het enkele feit dat eventueel in strijd met het Unierecht te veel belasting is geheven, waarvan in het onderhavige geval overigens geen sprake is, is daartoe onvoldoende. [24]
4.31.
Indien en voor zover belanghebbende tevens heeft willen stellen dat de Rechtbank ten onrechte een factor 0,5 heeft gehanteerd in verband met het gewicht van de zaak, slaagt ook deze grief niet. [25]
Ad n. Hoogte immateriële schadevergoeding in beroep
4.32.
Bij overschrijding van de redelijke termijn worden spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade geldt als uitgangspunt een tarief van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. De mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden is in beginsel niet van belang. Dat is slechts anders in bijzondere gevallen. De omstandigheid dat eventueel in strijd met het Unierecht te veel belasting is geheven of dat meerdere malen artikel 110 VWEU Pro is geschonden, brengt – anders dan belanghebbende kennelijk betoogt – niet mee dat sprake is van een bijzonder geval zoals zojuist bedoeld. [26] Ook overigens is in het onderhavige geval niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden dan door de Rechtbank is toegekend.
Ad. o. Rentevergoeding griffierecht
4.33.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat aan belanghebbende het griffierecht moet worden vergoed vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van de uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening. [27]
4.34.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat dit oordeel onjuist is en dat op grond van het Unierecht rente moet worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop dat griffierecht wordt vergoed. Bovendien moet volgens belanghebbende een rentevoet worden toegepast die geldt voor handelstransacties. Het betoog van belanghebbende faalt. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie (HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250) dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. [28]
4.35.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.
Ad p. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
4.36.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In hoger beroep is de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 500, [29] te vergoeden door de Staat.
SlotsomGelet op vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Voor kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, geldt dat deze bij een gegrond (hoger) beroep als regel voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van (hoger) beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van (hoger) beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is niet voldoende. Hierbij moeten alle gegronde klachten die de belanghebbende voor het eerst in (hoger) beroep aanvoerde, in aanmerking worden genomen, omdat een veroordeling in de proceskosten immers slechts achterwege kan blijven als het instellen van beroep of hoger beroep uitsluitend uit zijn handelwijze voortvloeide.
5.2.
Het Hof is van oordeel dat de noodzaak tot het instellen van beroep en hoger beroep uitsluitend voortvloeit uit de handelswijze van belanghebbende. De gemachtigde is ermee bekend dat kan worden gewisseld naar de koerslijstmethode. Dat de gemachtigde tegen beter weten in, ondanks verschillende uitspraken op dit gebied, blijft volhouden dat de Xray koerslijst door de Inspecteur moet worden overgelegd, en eerst in hoger beroep zelf deze lijst overlegt, dient voor rekening en risico van belanghebbende te komen.
5.3.
Wel wordt een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). Opmerking verdient dat het Hof, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak, niet langer een punt toekent voor de zitting. [30]
5.4.
Opmerking verdient dat voornoemd bedrag op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4, Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dient te worden uitbetaald. [31]
Ad. q kosten opvragen Xray koerslijst
5.5.
Artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb kan een veroordeling in de kosten betrekking hebben op kosten van een deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Dit brengt niet met zich dat de kosten van € 120 voor de Xray koerslijst voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Het enkele feit dat [deskundige1] deze lijst heeft opgevraagd en doorgestuurd maakt nog niet dat sprake is van kosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Gesteld noch gebleken is dat [deskundige1] de koerslijst heeft gebruikt. Van een verslag van de zijde van [deskundige1] is geen sprake. Overigens blijkt ook niet uit objectieve stukken van deze eerst ter zitting bij het Hof gestelde kosten en dat deze kosten op belanghebbende drukken.
5.6.
Nu het hoger beroep gegrond is verklaard, wordt het griffierecht vergoed.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht;
  • vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;
  • vermindert de naheffingsaanslag BPM tot € 2.137;
  • gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548 vergoedt,
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 233,50; en
  • bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 12 mei 2026
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687.
2.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:936, r.o. 4.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6391, r.o. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.5.
3.HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.
4.HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
5.Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6391, r.o. 2.7.
6.Vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917, r.o. 4.2.3.
7.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1.
8.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.12.
9.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.6.
10.HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8.
11.HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.6; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8.
12.HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1739, r.o. 4.1.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.14.
13.HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1728, r.o. 2.3.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.15.
14.Hoge Raad, 21 september 2018, nr. 17/02947, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4.
15.HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6989, r.o. 4.5.
16.Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.
17.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
18.HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
19.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
20.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3011, r.o. 4.11.
21.HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.28.
22.HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
23.HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
24.HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, r.o. 2.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
25.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335, bijlage (richtsnoer proceskosten).
26.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6945, r.o. 4.11.
27.Vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
28.Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6988, r.o. 4.23.
29.Weliswaar is artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu het hogerberoepschrift vóór 1 januari 2024 is ingediend.
30.Vgl. ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7995, r.o. 5.1.
31.HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1.