Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3920

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
200.361.056/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:686a lid 1 BWArt. 6 WmmArt. 6 EVRMArt. 7:611 BWArt. 43 cao Beroepsgoederenvervoer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over billijke vergoeding, transitievergoeding en loonaanspraken na ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding

De arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever werd door de kantonrechter ontbonden wegens verstoorde arbeidsverhoudingen, waarbij werkgever ernstig verwijtbaar handelde. De kantonrechter kende een billijke vergoeding van €35.000,- bruto toe en bepaalde de ontbindingsdatum op 1 december 2025.

Werknemer stelde in hoger beroep aanspraak te maken op een hogere billijke vergoeding, een correctere berekening van de transitievergoeding en aanvullende loonaanspraken, waaronder vergoeding van structurele overuren tegen 130%, correctie van verlofdagen en betaling van een vaste bonus. Het hof weegt de feiten en stelt vast dat de billijke vergoeding redelijk is, gezien de omstandigheden en het dienstverband.

Het hof wijst enkele aanspraken van werknemer af, zoals vergoeding van reistijd en pauzes bij cursussen en extra werktijd voor opstart- en afmeldprocedures. Wel wijst het hof correcties toe voor onterecht afgeboekte verlofuren en niet-uitbetaalde vakantiedagen. Ook wordt werkgever opgedragen een deskundige aan te wijzen om de loonberekeningen te controleren en waar nodig te corrigeren, met kosten voor rekening van werkgever.

De zaak wordt aangehouden voor een eindbeslissing na nadere uitlatingen van partijen over de deskundige en de financiële afwikkeling. De tussenbeschikking benadrukt het belang van een correcte en volledige financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst zonder onnodige kosten voor werknemer.

Uitkomst: Het hof wijst een tussenbeschikking toe waarin correcties op loonberekeningen worden bevolen en de zaak wordt aangehouden voor nadere afwikkeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
team Handel, Leeuwarden
zaaknummer gerechtshof: 200.361.056/01
zaaknummer rechtbank: 11649517
beschikking van 15 juni 2026
in de zaak van
[werknemer],
wonend in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.M. Hetterscheidt,
en
[werkgeefster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
advocaten: mr. M. Saes en mr. L.A.W. Nooijen.
Het hof noemt partijen hierna [werknemer] en [werkgeefster] .

1.De zaak in het kort

1.1.
De kantonrechter heeft op verzoek van [werkgeefster] de arbeidsovereenkomst met [werknemer] ontbonden wegens verstoorde verhoudingen. [werkgeefster] is veroordeeld tot betaling van onder meer een billijke vergoeding omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daarnaast heeft de kantonrechter bedragen toegewezen voor een aantal nevenverzoeken van [werknemer] en enkele van zijn aanspraken afgewezen.
[werknemer] vindt dat hij recht heeft op méér en op hogere bedragen dan zijn toegewezen.
1.2.
Het hof kan nog niet tot een eindbeslissing komen. Dat legt het hof hierna uit.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1.
[werknemer] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, op 18 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. [1] Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift;
  • het verweerschrift;
  • de nagekomen bijlagen van [werknemer] van 13, 19 en 21 mei 2026.
2.2.
Op 22 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.De processtukken

3.1.
Het hof weigert de producties van [werknemer] die na 15 mei 2026 en dus te laat zijn ingediend, met uitzondering van productie 62. Voor de termijnoverschrijding van overige te laat ingediende producties is geen reden gegeven die een uitzondering rechtvaardigt.
3.2.
Het hof weigert ook het verzoek van beide partijen om als in hoger beroep herhaald en ingelast te beschouwen de door de kantonrechter geweigerde delen van pleitaantekeningen in eerste aanleg, die in verband met tijdoverschrijding niet zijn voorgedragen. Als partijen daarmee iets hadden willen stellen of betwisten, dan hadden zij dat (binnen de grenzen van de maximale omvang van processtukken) in hun beroepschrift of verweerschrift moeten opnemen.
3.3.
Mr. Hetterscheidt heeft ter zitting bij het hof bevestigd dat de laatste bladzijde van haar beroepschrift (genummerd 23, met de verzoeken A tot en met F na haar handtekening op de pagina ervoor) niet tot het procesdossier behoort.

4.De feiten

4.1.
[werknemer] is [in] 2022 bij [werkgeefster] in dienst getreden als vrachtwagenchauffeur. Vanaf 2023 is tussen partijen onvrede ontstaan. [werknemer] had kritiek op onder meer de planning, de hoeveelheid overwerk en de betaling voor het overwerk. [werkgeefster] had kritiek op de communicatie van [werknemer] , waarvan enkele voorbeelden zijn gegeven in het ontbindingsverzoek met bijgevoegde stukken waar dat uit blijkt, en zijn betrokkenheid bij incidenten op de weg. Bij de stukken zit een filmpje waarop is te zien dat [werknemer] met zijn vrachtauto over de vluchtstrook rijdt en vervolgens scherp invoegt naar links, de rijbaan op, waarbij hij een andere, daar rijdende, vrachtauto afsnijdt en vervolgens scherp moet afremmen in verband met daarvoor langzaam rijdende of stilstaande auto’s. [werkgeefster] heeft hem daarop aangesproken en een aantal officiële waarschuwingen gegeven. Ook is een verbetertraject gestart. Volgens [werknemer] is sprake van pestgedrag. Eind 2024 is mediation ingezet. Dat heeft niets opgeleverd. Vanaf 18 februari 2025 is [werknemer] vrijgesteld van werk.
4.2.
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst op verzoek van [werkgeefster] ontbonden en, omdat [werknemer] terecht aanvoerde dat [werkgeefster] een ernstig verwijt valt te maken van de verstoorde verhouding die reden was voor de ontbinding, de ontbindingsdatum zonder aftrek van proceduretijd bepaald op 1 december 2025. [werkgeefster] is veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 35.000,- bruto. Hierbij legt [werkgeefster] zich neer.

5.De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1.
[werknemer] klaagt over de feitenvaststelling door de kantonrechter. Het hof heeft hiervoor zelf de van belang zijnde feiten vastgesteld. Het is aan de rechter om een selectie te maken van de feiten die voor de uitspraak van belang zijn. Daarmee heeft [werknemer] geen belang meer bij zijn klacht op dit punt.
Dat belang heeft hij ook niet bij zijn bezwaar tegen de conclusie van de kantonrechter dat ook volgens [werknemer] samenwerking niet meer mogelijk was. In zijn beroepschrift geeft hij immers ook aan dat hij tot het inzicht kwam dat voortzetting van de arbeidsrelatie niet realistisch was, gezien de opstelling van [werkgeefster] .
5.2.
[werknemer] maakt in hoger beroep aanspraak op ruim € 174.000,- bruto als billijke vergoeding. Verder moet bij de omvang van zijn salaris rekening worden gehouden met de structurele overuren die vergoed moeten worden tegen 130%, de structurele bonus van
€ 40,- per vier weken en 8% vakantiegeld daarover. Daarom klopt de hoogte van de transitievergoeding niet, aldus [werknemer] . Verder is de berekening van het aantal structurele overuren ten onrechte mede gebaseerd op 80 verlofdagen in plaats van 92,75. Dat leidt ook tot hogere vergoedingen voor posten die de kantonrechter heeft toegewezen. Ook komt [werknemer] op tegen enkele posten die zijn afgewezen, waaronder vergoeding van de daadwerkelijke (buitengerechtelijke) advocaatkosten, en vermeerdert hij zijn verzoeken in hoger beroep met een aantal posten, waaronder de daadwerkelijke advocaatkosten in hoger beroep.
Het hof zal de verschillende onderdelen hieronder thematisch bespreken.
geen hogere billijke vergoeding
5.3.
De kantonrechter overwoog dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt doordat [werknemer] regelmatig onvrede uitte over de gang van zaken, zich niet gehoord voelde en zich op niet passende wijze ging uiten. [werkgeefster] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door onvoldoende moeite te doen om te proberen die verstoorde arbeidsrelatie te herstellen.
In het kader van de bepaling van de billijke vergoeding overwoog de kantonrechter dat zij zich goed kon voorstellen dat de arbeidsovereenkomst ook zonder het ernstig verwijtbaar handelen van [werkgeefster] binnen zes tot negen maanden was geëindigd, gelet op de al langer bestaande strubbelingen tussen partijen en de onvrede over het functioneren van [werknemer] . Ook bij een deugdelijk verbetertraject of open mediation zou de arbeidsovereenkomst nog maar kort duren, gelet op de onbehoorlijke wijze waarop [werknemer] communiceert, ook als zijn klachten terecht zouden zijn. De kantonrechter heeft de kansen op de arbeidsmarkt meegewogen, en ook de korte duur van het dienstverband en de opzegtermijn van vier maanden waarin [werknemer] tot rust kan komen. Voor aanvullende immateriële schadevergoeding was geen reden en een billijke vergoeding van € 35.000,- bruto oordeelde de kantonrechter redelijk.
5.4.
Dat bedrag komt neer op ruim zes maanden bruto salaris. Dat moet volgens [werknemer] bij een beoordeling naar de huidige omstandigheden (‘ex nunc’) vijf jaarsalarissen zijn. Daarvoor wijst hij op de slechte arbeidsmarkt en de volgens hem slechte uitvoering die [werkgeefster] aan de bestreden beschikking heeft gegeven. Bovendien stelt hij dat de verstoorde arbeidsverhouding geheel te wijten is aan [werkgeefster] , nadat hij op zijn rechten gewezen had. Voor het daarop volgende pestgedrag is de toegewezen billijke vergoeding niet afschrikwekkend genoeg, aldus [werknemer] .
5.5.
Een aantal van de verwijten die [werknemer] aan [werkgeefster] maakt worden weersproken en zijn niet nader door [werknemer] onderbouwd. [werknemer] heeft wel terecht kritiek geuit op de verloning van overuren. Het hof kan zich ook goed voorstellen dat [werknemer] niet gelukkig was met de door hem gevraagde werkgeversverklaring ten behoeve van het verkrijgen van een hypotheek. Daarin had [werkgeefster] vermeld dat zij streefde naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat was geen pestgedrag maar feitelijk juist en het strookt met het doel van zo’n verklaring: het bieden van zekerheid aan derden over de financiële situatie. Daarvoor zijn gegevens zoals proeftijd en plannen voor reorganisatie of, zoals in dit geval, een voorgenomen beëindiging nu eenmaal van belang.
5.6.
Voor een hogere billijke vergoeding ziet het hof geen reden. [werkgeefster] wijst er, op zichzelf ook terecht, op dat de kantonrechter geen uitkering of in redelijkheid te verwerven loon in mindering heeft gebracht. Het hof gaat ervan uit dat de toegekende billijke vergoeding ook strekt tot compensatie van eventueel lager loon bij een nieuwe werkgever. Gebleken is dat er voldoende vraag is naar vrachtwagenchauffeurs, maar dat de geboden lonen iets lager liggen dan [werknemer] bij [werkgeefster] verdiende voor vervoer van gevaarlijke stoffen. De financiële afwikkeling na de uitspraak van de kantonrechter heeft wat voeten in de aarde gehad, gelet op het commentaar dat namens [werknemer] is aangevoerd tegen de berekeningen door [werkgeefster] . Dat heeft voor een deel te maken met wat [werknemer] precies aan de kantonrechter had gevraagd en wat was toegewezen, en voor een deel aan weinig welwillendheid bij [werkgeefster] om rekening te houden met wat daarbij over het hoofd is gezien en nu in hoger beroep concreter wordt gevraagd. Maar weinig welwillendheid bij de nakoming van de financiële gevolgen van de bestreden beschikking is niet hetzelfde als ernstige verwijtbaarheid met betrekking tot de grond voor ontbinding.
ten onrechte afgeboekte verlofuren
5.7.
[werknemer] stelt dat hij in 2024 een vierdaagse cursus volgde die op de vijfde werkdag is afgesloten met een examen. [werkgeefster] heeft daarvoor 36 uren vergoed en vier verlofuren ingehouden.
Ter zitting bij het hof is niet gebleken dat die inhouding met instemming van [werknemer] heeft plaatsgevonden. Daarom dienen die vier uren weer bij het vakantietegoed van [werknemer] te worden opgeteld.
5.8.
[werknemer] had voorafgaand aan de vrijstelling van werk per 18 februari 2025 zeven vakantiedagen aangevraagd voor een periode heel kort na die 18e februari, zoals [werkgeefster] ter zitting heeft erkend. Van deze dagen heeft [werknemer] als gevolg van het conflict met [werkgeefster] niet kunnen genieten.
De kantonrechter heeft het verzoek van [werknemer] om die dagen alsnog uit te betalen afgewezen omdat [werknemer] niet heeft aangegeven dat hij zijn verlofaanvraag wilde intrekken en vrijstelling van werk niet automatisch betekent dat geen verlof kan worden opgenomen.
Het hof begrijpt echter dat [werknemer] door het gebeuren rond de 18e van slag af was en niet in staat was kort daarna zelf te bedenken dat hij wellicht zijn vakantiedagen kon intrekken. [werkgeefster] heeft het onderwerp ‘verlof tijdens vrijstelling van werk’ ook niet uit eigen beweging aangeroerd en dat had in de omstandigheden van dit geval wel van haar als goed werkgever verlangd mogen worden, helemaal nu geen einddatum werd gegeven voor de vrijstelling die uiteindelijk nog tot 1 december 2025 heeft geduurd.
Het hof telt daarom zeven dagen bij het uit te betalen vakantietegoed op.
voor cursussen geen vergoeding van reistijd en pauzes en geen opslag voor cursusuren
5.9.
Op zaterdag 1 februari 2025 heeft [werknemer] een cursus gevolgd waarvoor [werkgeefster] de reiskosten heeft betaald en loon zonder zaterdagopslag over het aantal cursus- en examenuren. Niet vergoed is de reistijd en de pauze.
Het hof heeft partijen ter zitting gewezen op artikel 43 van Pro de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg, die gold over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025 en die met ingang van 24 april 2024 algemeen verbindend is verklaard. [2] Uit genoemd artikel volgt dat reistijd en pauzes niet worden vergoed en dat geen opslag geldt voor cursusuren op zaterdag en zondag. De cao heeft een standaardkarakter. Partijen hebben niet aangevoerd dat deze cao niet van toepassing is.
De aanspraak van [werknemer] op dit punt wordt daarom afgewezen.
5.10.
[werknemer] wenst ook een vergoeding voor een op zaterdag 1 april 2023 gevolgde cursus. De kantonrechter heeft die claim als onvoldoende onderbouwd van de hand gewezen. [werknemer] heeft in hoger beroep geen nadere uitleg verschaft en volstaat met verwijzing naar wat hij daar in de kantonprocedure over heeft aangevoerd.
Dat is ook voor het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting van [werkgeefster] bij de kantonrechter, niet voldoende. De vordering wordt op dit punt afgewezen.
ook geen recht op loon over 10 minuten opstart- en afmeldtijd per werkdag
5.11.
Volgens [werknemer] was hij dagelijks 10 minuten werktijd kwijt voordat de boardcomputer aangaat of nadat die uitgezet wordt. Hij onderwierp dan de vrachtwagen aan uiterlijke inspectie, zette de wagen op spanning of haalde deze van de spanning af, en verrichtte papierwerk. Het recht op vergoeding staat ook in het Handboek chauffeurs, aldus [werknemer] .
[werkgeefster] heeft betwist dat nog sprake is van papierwerk sinds de vrachtwagens zijn voorzien van een boardcomputer. De werkdag van een chauffeur start en eindigt met het aan- en uitzetten van die boardcomputer. Het ‘op spanning zetten’ of ‘van spanning halen’ is geen werk van enige betekenis, aldus [werkgeefster] . Het Handboek was verouderd en is inmiddels op dit punt aangepast.
[werknemer] heeft niet duidelijk kunnen maken welk papierwerk van hem werd verlangd. Het invullen van papieren rittenstaten is met de komst van boardcomputers vervallen. Dat daadwerkelijk sprake was van ‘meerwerk’ zoals gesteld of van een toezegging aan [werknemer] om dagelijks 10 minuten extra te betalen is niet gebleken.
Ook faalt het beroep van [werknemer] op het gelijkheidsbeginsel, in welk verband hij opmerkt dat kantoorpersoneel bij binnenkomst in- en uitklokt. [werknemer] heeft geen kantoorfunctie zodat alleen al daarom van gelijkheid geen sprake is. Verder zet een chauffeur ‘de klok’ aan zodra hij in de cabine stapt.
Het hof wijst de aanspraak op 10 minuten extra werktijd af.
de hoogte van het loon over overuren
5.12.
De kantonrechter heeft uitgerekend dat [werknemer] gemiddeld 43,2 overwerkuren per loonperiode van 4 weken maakte tot de vrijstelling van werk per 18 februari 2025. Tegen deze berekening is geen bezwaar gemaakt. De kantonrechter oordeelde dat sprake is van structureel overwerk en dat [werknemer] daarom ook recht had op de vergoeding daarvoor, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en de wettelijke verhoging, zoals door [werknemer] verzocht over de vrije dagen tot 18 februari 2025 en gedurende de vrijstelling van werk in de periodes 3 tot en met 6 van 2025.
5.13.
Volgens [werknemer] heeft [werkgeefster] heeft deze overuren verloond tegen 100% maar moet dat, zo stelt hij in hoger beroep, 130% zijn, te vermeerderen met vakantietoeslag en te berekenen tot 1 december 2025 (petitum onder J).
Dat het loon over de gewerkte overuren 130% moet zijn komt het hof juist voor: eerdergenoemde algemeen verbindend verklaarde cao bepaalt in artikel 29 lid 3 dat Pro overuren – met inachtneming van (
hof:het hier niet relevante) artikel 30 – worden vergoed door het uurloon vermeerderd met een toeslag van 30%.
Volgens [werkgeefster] heeft zij de uren à € 25,05 plus 8% vakantiegeld verloond, te zien op de salarisstroken onder ‘Uren overwerk 130%’, ‘Uren overwerk 150%’ en ‘Extra uren’. De advocaat van [werknemer] heeft hierover al kritische opmerkingen gemaakt in haar mail van 30 september 2025 aan de advocaat van [werkgeefster] . Ook het hof kan niet beoordelen of [werkgeefster] aldus correct heeft afgerekend.
Het hof merkt op dat [werkgeefster] in haar uitleg in productie 76 toevoegt dat zij het gemiddelde bedrag aan overwerk ook heeft verwerkt over de periodes 7 en 8. Bezien moet worden of de bedoelde vergoeding correct is berekend tot 1 december 2025. Voor zover dat niet het geval blijkt, dient het verschuldigde vermeerderd te worden met wettelijke rente vanaf 20 oktober 2025, de datum van indiening van het beroepschrift voor zover op die datum opeisbaar, of per latere datum van opeisbaarheid tot voldoening en te vermeerderen met wettelijke verhoging, gematigd tot 10%.
Het hof komt hierop onder 5.21 e.v. terug.
overurenvergoeding over vrije dagen tot 18 februari 2025
5.14.
De kantonrechter is voor het aantal verlof- en wettelijke vrije dagen tot de vrijstelling van werk uitgegaan van 80 dagen, terwijl dat volgens werknemer 92,75 moet zijn en volgens [werkgeefster] 82,75.
Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat een voldoende stevige onderbouwing van het door [werknemer] gestelde aantal ontbreekt, en dat is ook nog het geval in hoger beroep. Er is echter geen reden om van minder dagen uit te gaan dan [werkgeefster] zelf erkent. En onder verwijzing naar randnummer 5.7. telt het hof daar nog 4 uur bij op, zodat het aantal dagen (bij een 40-urige werkweek) uitkomt op 83,25.
Ook hierop komt het hof onder 5.21 e.v. terug.
overurenvergoeding gedurende vrijstelling van werk in loonperiode 2 van 2025
5.15.
[werknemer] heeft zijn verzoek in hoger beroep vermeerderd met de structurele overwerkvergoeding over de dagen die hij in loonperiode 2 van 2025 vrijgesteld was van werk. Die periode loopt van 27 januari tot en met 23 februari 2025. In zijn petitum onder letter G noemt [werknemer] dan de dagen 24 tot en met 28 februari 2025 (dus periode 3), maar in zijn toelichting op de vermeerdering van eis in randnummer 78 van zijn beroepschrift gaat het om 18 tot en met 21 februari 2025 in periode 2. Anderzijds verwijt hij [werkgeefster] in de toelichting op beroepsgrond 7 dat zij in de loonberekening, die is gemaakt na de beschikking van de kantonrechter, uren meeneemt vanaf 18 februari 2025, wat in strijd zou zijn met overweging 3.19 van de kantonrechter. Die overweging gaat echter over de niet betwiste berekening van het gemiddelde aantal overuren, welke berekening de basis vormt van de veroordeling tot bijbetaling.
Kortom, het is niet helemaal duidelijk wat [werknemer] nu bedoelt, maar als het zo is dat [werkgeefster] nog niet de structurele overurenvergoeding – tegen het juiste tarief en met vakantietoeslag – heeft betaald over de eerste dagen van de vrijstelling in periode 2, dan moet dat alsnog gebeuren. En dan met wettelijke rente over het verschuldigde bedrag vanaf 20 oktober 2025, de datum van indiening van het beroepschrift, tot voldoening en te vermeerderen met wettelijke verhoging, gematigd tot 10%.
Ook hierop komt het hof onder 5.21 e.v. terug.
nabetaling vaste bonus vanaf periode 7 van 2025 tot 1 december 2025
5.16.
.Een andere post waarmee [werknemer] zijn verzoek heeft vermeerderd betreft de bonus van € 40,- per loonperiode van vier weken vanaf loonperiode 7 van 2025 tot
1 december 2025, waarbij hij in zijn petitum onder letter I verzoekt de bedragen te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en wettelijke verhoging.
In het personeelshandboek staat echter op pagina 12 dat over bonussen geen vakantietoeslag wordt berekend. Ook de wet verplicht daar in dit geval niet toe. Het hof is van oordeel dat de hier bedoelde bonus niet valt onder het loonbegrip in artikel 6 van Pro de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wmm). De bonus is blijkens het personeelshandboek immers aan een voorwaarde verbonden, te weten dat de werknemer tijdens de periode van vier weken zijn werkzaamheden zonder nadelige gevolgen voor de werkgever heeft verricht. Daarmee valt die bonus onder de uitzondering van artikel 6 lid 1 aanhef Pro en onder letter d van de Wmm. [3]
5.17.
[werkgeefster] stelt in haar pleitnotitie dat de bonusbedragen zijn meegenomen in de salarisspecificaties die zij als bijlage 77 heeft overgelegd. Het hof ziet daarin op de salarisstrook over periode 7 van 2025 het bonusbedrag inclusief 20% wettelijke verhoging staan waartoe de kantonrechter [werkgeefster] onder 4.9 heeft veroordeeld. Dat is de bonus tot en met periode 6 van 2025 (zie randnummer 152 van het verweerschrift in eerste aanleg van [werknemer] en de overwegingen 3.27 - 3.29 van de kantonrechter). Dat de bonusbedragen ook over loonperiode 7 van 2025 tot 1 december 2025 zijn voldaan, ziet het hof niet in de stukken.
Als dat juist is, zal [werkgeefster] de daarmee gemoeide bedragen alsnog moeten uitbetalen, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 20 oktober 2025, de datum van indiening van het beroepschrift voor zover op die datum opeisbaar, of per latere datum van opeisbaarheid tot voldoening en te vermeerderen met wettelijke verhoging, gematigd tot 10%.
de transitievergoeding
5.18.
Volgens [werknemer] is de transitievergoeding onjuist berekend omdat de 43,2 structurele overuren per vier weken zijn meegewogen tegen 100% loonwaarde in plaats van 130%. [werkgeefster] volstaat met de opmerking dat zij heeft betaald waartoe de kantonrechter haar heeft veroordeeld, maar gaat voorbij aan het gemotiveerde standpunt van [werknemer] .
Het hof volgt de berekening van het bruto maandloon door [werknemer] in randnummer 35 van zijn beroepschrift die, inclusief overwerk, bonus en vakantietoeslag, uitkomt op
€ 5.452,09 bruto per maand. Omdat de laatste dag van de arbeidsovereenkomst 30 november 2025 was, komt de transitievergoeding uit op € 6.815,- bruto (zie productie 45 van [werknemer] , minus 1 dag).
De kantonrechter heeft, gelet op artikel 7:686a lid 1 slot BW, terecht de ingangsdatum van de wettelijke rente over de transitievergoeding bepaald op 1 januari 2026, anders dan [werknemer] in hoger beroep verzoekt.
de (buitengerechtelijke) kosten van de advocaat van werknemer
5.19.
De kantonrechter heeft het verzoek van [werknemer] om [werkgeefster] te veroordelen in zijn werkelijke proceskosten afgewezen omdat geen sprake was van de daarvoor vereiste uitzonderlijke omstandigheden. [werknemer] is het daarmee niet eens, maar ook het hof oordeelt dat geen sprake is van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen van [werkgeefster] door het zonder enige grond aanspannen van een procedure. Bij het aannemen daarvan past bovendien ook terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro. [4] Het hof ziet ook niet in dat artikel 7:611 BW Pro hiervoor grondslag biedt. Los van de omstandigheden rondom de verstoorde verhouding en de ernstige verwijtbaarheid van [werkgeefster] met betrekking tot het ontstaan en voortbestaan daarvan, is geen sprake van schending van de norm van goed werkgeverschap en een daaruit voortvloeiende verplichting schadevergoeding te betalen.
5.20.
[werknemer] maakt subsidiair aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten omdat zijn advocaat voorafgaand aan het indienen van de nevenverzoeken in de kantonprocedure ook loonvorderingen heeft moeten opstellen en de berekening van de structurele overwerkvergoeding ingewikkeld was. Verder heeft hij ook na de beschikking van de kantonrechter kosten gemaakt om buiten rechte betaling te krijgen van posten die geen deel uitmaakten van het geding in eerste aanleg, en die hij uiteindelijk aan het hof heeft voorgelegd met zijn vermeerdering van verzoek.
Het hof ziet aanleiding de buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen conform de hiervoor binnen de rechtspraak geldende staffel, waarvan de omvang afhankelijk is van de uiteindelijk toe te wijzen hoofdsom. Het hof neemt daartoe alle posten samen en dat leidt tot een hoofdsom van om en nabij € 13.620,- bruto. Daarbij hoort volgens de staffel een bedrag van € 911,20 voor buitengerechtelijke kosten. Het hof zal dit bedrag toewijzen.
hoe nu verder
5.21.
[werknemer] heeft er recht op dat de financiële afwikkeling van zijn arbeidsovereenkomst correct verloopt, zonder dat hij nog veel kosten moet maken omdat zijn advocaat uren moet besteden aan controle van de ook voor het hof weinig inzichtelijke berekeningen van [werkgeefster] . Het komt het hof geraden voor dat op kosten van [werkgeefster] een deskundige op het gebied van loonadministratie wordt aangewezen die in ieder geval aan de hand van de volgende criteria en opmerkingen nagaat welke correcties of aanvullingen moeten worden uitgevoerd op de (na de bestreden beschikking herziene) loonspecificaties.
1. de transitievergoeding bedraagt niet € 6.418,40 maar € 6.815,- bruto met wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2026 (zie 5.18);
2. [werknemer] heeft nog recht op uitbetaling van 7,5 niet-genoten vakantiedagen (zie 5.7 en 5.8);
3. de overurenvergoeding bedraagt 130% van het uurloon en dient betaald te worden over 83,25 verlof- en wettelijke vrije dagen in de periode tussen 1 maart 2022 en
18 februari 2025 (zie 5.14) en die vergoeding dient vermeerderd te worden met 8% vakantietoeslag en met 50% wettelijke verhoging, vermeerderd met wettelijke rente vanaf opeisbaarheid tot voldoening;
4. de overurenvergoeding dient ook betaald te worden over de dagen 18 tot en met 21 februari 2025, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en wettelijke rente daarover vanaf 20 oktober 2025, de datum van indiening van het beroepschrift, tot voldoening en te vermeerderen met wettelijke verhoging, gematigd tot 10% (zie 5.15);
5. gecheckt moet worden of [werkgeefster] de juiste overurenvergoeding met 8% vakantietoeslag en 50% wettelijke verhoging heeft betaald over loonperiode 3 tot en met 6 van 2025 (zie 5.13) en
de correcte overurenvergoeding met 8% vakantietoeslag over de daarna opeisbaar geworden loonperiodes 7 en volgende, en als dat niet zo is, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 oktober 2025, de datum van indiening van het beroepschrift voor zover op die datum opeisbaar, of per latere datum van opeisbaarheid tot voldoening en te vermeerderen met wettelijke verhoging, gematigd tot 10% (zie eveneens 5.13);
6. indien [werkgeefster] nog niet de bonus van € 40,- per vier weken heeft uitbetaald over loonperiode 7 van 2025 tot einde dienstverband, dient zij dat alsnog te doen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 oktober 2025, de datum van indiening van het beroepschrift voor zover op die datum opeisbaar, of per latere datum van opeisbaarheid tot voldoening en te vermeerderen met wettelijke verhoging, gematigd tot 10%.
5.22.
Het hof kan zich ook voorstellen dat [werkgeefster] zelf de hiervoor bedoelde herberekening laat maken en dat deze dan met de onderliggende stukken ter controle wordt voorgelegd aan de deskundige. Het is het meest praktisch en minst tijdrovend wanneer partijen in gezamenlijk overleg zelf een onafhankelijke salarisadministrateur aanwijzen die de hiervoor bedoelde taak (al dan niet met voorwerk van [werkgeefster] ) op zich neemt.
Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over de vraag of zij voor deze route hebben kunnen kiezen en wie zij tot deskundige hebben aangewezen. Zodra deze de taak heeft volbracht kunnen partijen dan het resultaat aan het hof laten zien waarna het hof eindbeschikking zal geven.
Mochten partijen onverhoopt de veel langere weg via een door het hof te benoemen deskundige willen bewandelen, dan kunnen zij zich bij akte uitlaten over de vraag wie zij als deskundige benoemd willen zien, waarvoor het hof bij voorkeur een gezamenlijk voorstel ontvangt.
De kosten van de deskundige komen in beide gevallen voor rekening van [werkgeefster] .
5.23.
Het hof verwijst de zaak naar maandag 6 juli 2026 of zoveel eerder als mogelijk is voor akte uitlating van partijen zoals bedoeld in overweging 5.22.
5.24.
De zaak wordt aangehouden voor het overige.

6.De beslissing

Het hof stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de onder 5.22 gestelde vragen uiterlijk op
maandag 6 juli 2026en houdt de zaak aan voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E.L. Fikkers, G.A. Diebels en P. Kruit, en is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.

Voetnoten

2.Zie Staatscourant 23 april 2024 nr 6172.
3.Vgl. ook Hof ’s-Hertogenbosch 15 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3893.
4.Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.