ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8463
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing vrijval optieverplichting en immateriële schadevergoeding redelijke termijn
Belanghebbende betwistte dat de inspecteur terecht een bedrag van € 76.557 als resultaat uit ter beschikkingstelling tot het belastbare inkomen heeft gerekend vanwege de vrijval van een optieverplichting. Tevens vorderde hij een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat de optieverplichting als schuld op de terbeschikkingstellingsbalans had moeten worden opgenomen en de vrijval daarvan als resultaat uit overige werkzaamheden terecht was belast. Ook was geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, mede omdat belanghebbende instemde met uitstel in de bezwaarprocedure.
Het Hof volgde de rechtbank in haar oordeel en verwierp de bezwaren van belanghebbende, waaronder het beroep op het vertrouwensbeginsel en de foutenleer. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd eveneens afgewezen omdat de totale duur van bezwaar- en beroepsfase niet de redelijke termijn overschreed.
De uitspraak bevestigt de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de waardering en belasting van optiepremies en de toerekening van het resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen. De proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt afgewezen.