Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2022 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €312.000. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €272.000 voor. Na een bezwaarprocedure en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelt belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
Het geschil betreft de juistheid van de WOZ-waarde, de naleving van informatieverplichtingen door de heffingsambtenaar, het al dan niet schenden van het motiveringsbeginsel en de toekenning van proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix met vergelijkingsobjecten overgelegd, waarin rekening is gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen. De rechtbank oordeelde dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en wees een proceskostenvergoeding af.
Het hof bevestigt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn. Wel is geoordeeld dat de heffingsambtenaar de grondstaffel in de bezwaarfase niet heeft verstrekt, wat een schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ inhoudt. Deze schending rechtvaardigt een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht. Het hof vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de proceskostenvergoeding afwijst en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van in totaal €408,15 aan proceskosten en €188 aan griffierecht. Het motiveringsbeginsel is niet geschonden en het verzoek om uitstel van de zitting is terecht afgewezen.