ECLI:NL:GHDHA:2025:2395

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
BK-25/234 en BK-25/235
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 7:2 AwbArt. 8:31 AwbArt. 6.17 Wet IB 2001Art. 5.20 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aanslagen inkomstenbelasting en Zvw 2016 met geschil over aftrekposten en waardering onroerende zaken

Belanghebbende voerde in bezwaar en beroep tegen aanslagen inkomstenbelasting en Zvw 2016 diverse geschilpunten aan, waaronder de aftrek van afschrijvingskosten, auto- en onderhoudskosten, huisvestingskosten, het urencriterium, en de waardering van onroerende zaken in box 3. De Rechtbank Den Haag heeft de aanslagen verminderd door enkele aftrekposten toe te staan en de waardering van panden te corrigeren, maar heeft veel van de door belanghebbende opgevoerde kosten niet aanvaard wegens gebrek aan bewijs.

In hoger beroep bevestigt het Gerechtshof deze beoordeling. Het hof oordeelt dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken hoefde te overleggen, omdat stukken over andere jaren en naheffingsaanslagen niet relevant zijn. Wel is de hoorplicht geschonden doordat geen uitnodiging voor een hoorgesprek is verzonden, maar gezien de omstandigheden wordt hiervan afgezien.

De waardering van de onroerende zaken wordt vastgesteld op basis van WOZ-waarden met een correctie van 15% voor leegwaarderatio, en alleen het pand waarvan verhuur aannemelijk is, wordt als verhuurd erkend. De aftrek van zorgkosten voor psycholoog wordt afgewezen wegens ontbreken van medisch voorschrift. De immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend, waarbij de Staat en de Inspecteur ieder voor de helft aansprakelijk worden gehouden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en uitspraak Rechtbank bevestigd met toekenning immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/234 en BK-25/235

Uitspraak van 18 november 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: M. Jonkman)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 juli 2023, nummers SGR 21/302 en SGR 21/303.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft met dagtekening 11 april 2020 aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.982 waarbij een verrekening van verlies uit eerdere jaren heeft plaatsgevonden tot een bedrag van € 17.964 (de aanslag). Tevens heeft de Inspecteur met dezelfde dagtekening voor het jaar 2016 aan belanghebbende een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage inkomen van € 18.154. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur bij deze aanslag € 21 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 49. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de belastbare winst voor het jaar 2016 tot een bedrag van € 17.286 rekening houdend met een restant persoonsgebonden aftrek van € 190 en te verreken verliezen van € 17.096 komt het belastbaar inkomen uit werk en woning uit op € 0. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dient te worden vastgesteld op € 6.184.
- vermindert het bijdrage-inkomen voor de Zvw tot een bedrag van € 17.286.
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 454,45;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft op 19 februari 2024, 21 februari 2024, 15 november 2024, 20 november 2024 en 23 november 2024 nadere stukken ingediend.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft, nadat belanghebbende om uitstel had verzocht van de behandeling van 22 oktober 2024, plaatsgehad ter zitting van 4 december 2024. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft toen de zetel, bestaande uit mr. I. Reijngoud, mr. S.E. Postema en mr. L.D.M.A. Reijs, gewraakt. Het Hof heeft de behandeling van de zaken geschorst tot de wrakingskamer uitspraak zal hebben gedaan. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.7.
De kamer voor wrakings- en verschoningsverzoeken van het Hof heeft bij uitspraak van 14 januari 2025 het verzoek om wraking afgewezen.
1.8.
Belanghebbende heeft vervolgens een vooraankondiging verzoek om voorlopige voorziening ingediend op 16 januari 2025 en op 21 januari 2025 het verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Op 23 januari 2025, 25 februari 2025 en 18 maart 2025 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend. Belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting van de voorzieningenrechter van 10 februari 2025. Op verzoek van belanghebbende is deze zitting uitgesteld.
1.9.
Het verzoek om voorlopige voorziening is vervolgens op 20 maart 2025 ter zitting behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Op 24 maart 2025 hebben belanghebbende en zijn gemachtigde bij de Inspecteur inzage genomen in het IB/PVV-dossier en Zvw-dossier van belanghebbende over het jaar 2016. De gemachtigde heeft op 24 maart 2025 een bijlage bij het proceskostenformulier ingezonden en op 27 maart 2025 en 29 maart 2025 nadere stukken ingediend en de Inspecteur heeft op 24 maart 2025 een nader stuk met bijlage ingediend.
1.10.
Op 9 april 2025 heeft het Hof belanghebbende bericht dat het de behandeling van het hoger beroep voortzet onder de nieuwe zaaknummers BK-25/234 en BK-25/235 omdat de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden onder BK-23/734 en BK-23/735.
1.11.
Belanghebbende heeft op 19 mei 2025, 2 juni 2025, 25 juni 2025 en 4 juli 2025 nadere stukken ingediend. In zijn bericht van 19 mei 2025 heeft belanghebbende tevens om uitstel van de mondelinge behandeling verzocht hetgeen het Hof heeft afgewezen.
1.12.
Belanghebbende heeft op zijn verzoek, ingediend op 18 juni 2025, op 23 juni 2025 inzage gehad bij het Hof waar ter inzage lagen het fysieke dossier dat het Hof van de Rechtbank heeft ontvangen (nummers SGR 21/302 en SGR 21/303) en een print van het digitale dossier bij het Hof (BK-23/734 en BK-23/735, thans BK-25/234 en BK-25/235). Op verzoek van belanghebbende zijn hem kopieën daaruit verstrekt.
1.13.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 juli 2025. Beide partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Ieder der partijen is de gelegenheid gegeven gedurende een periode van drie maanden na deze zitting met elkaar het gesprek aan te gaan omtrent een allesomvattend compromis. Een zodanig compromis is niet tot stand gekomen.
1.14.
Na de sluiting van de zitting zijn van belanghebbende berichten ontvangen op 15 juli 2025, 1 augustus 2025, 6 augustus 2025, 15 augustus 2025, 21 augustus 2025, 16 september 2025, 1 oktober 2025 en 8 oktober 2025. Van de Inspecteur is op 7 oktober 2025 een bericht ontvangen. Deze berichten hebben geen aanleiding gegeven het onderzoek te heropenen en zijn buiten beschouwing gelaten. Op 16 oktober 2025 is belanghebbende hiervan in kennis gesteld en is meegedeeld dat het Hof voornemens is schriftelijk uitspraak te doen op 21 oktober 2025. Belanghebbende heeft dezelfde dag een verzoek tot wraking van de zetel ingediend, welk verzoek door de kamer voor wrakings- en verschoningsverzoeken bij uitspraak van 17 november 2025 is afgewezen.
1.15.
Belanghebbende heeft voorts naast het verzoek om wraking een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Nu heden uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan is het belang aan dat verzoek komen te ontvallen.

Feiten

2.1.
Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] .
Aanslagregelende fase
2.2.
Belanghebbende heeft aan de Inspecteur vier maal een aangifte IB/PVV 2016 gezonden, eerstelijk met dagtekening 2 september 2017 (de aangifte). Hierbij is een inkomen uit werk en woning aangegeven van € 15.753 negatief en een inkomen uit sparen en beleggen van € 35.817 negatief.
2.3.
Nadien heeft hij aangiftes ingediend op 11 september 2017, op 4 februari 2019 en op 7 januari 2021. De laatste aangifte is ingediend na het opleggen van de aanslagen.
2.4.
In de aangifte van 4 februari 2019 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 15.753 negatief.
Bij de winst uit onderneming heeft belanghebbende een omzet aangegeven van € 32.780 en bedrijfslasten van € 46.860, daarnaast heeft belanghebbende aangegeven dat hij aan het urencriterium heeft voldaan.
In de jaarstukken bij de aangifte is het bedrag van € 46.860 als volgt gespecificeerd:
Afschrijvingen immateriële vaste activa € 3.100
Afschrijving gebouwen en terreinen € 24.000
Auto en transportkosten € 3.454
Huisvestingskosten € 11.669
Onderhoudskosten € 1.158
Verkoopkosten € 3.479
Bij het bepalen van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is € 661.796 aan onroerende zaken aangegeven en € 701.459 aan schulden.
2.5.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van de eerste drie aangiften belanghebbende op 16 december 2019 een verzoek om informatie gezonden.

“Inkomen uit werk en woning (box 1)

Winst uit onderneming: opbrengsten
U vermeldt in uw jaarstukken een bedrag van € 32.780 als netto omzet. Om deze netto omzet te kunnen beoordelen, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:
-specificatie van de netto omzet;
-facturen van de netto omzet.
Winst uit onderneming: afschrijvingen en overige bedrijfskosten
U vermeldt in uw jaarstukken een bedrag van € 46.860 als het totaal van de bedrijfslasten. Om dit bedrag te kunnen beoordelen, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:
-specificatie en berekening van de afschrijving overige immateriële vaste activa;
-specificatie en berekening van de afschrijving gebouwen en terreinen;
-specificatie en facturen van de auto en transportkosten;
-specificatie en facturen van de huisvestingskosten;
-specificatie en facturen van de onderhoudskosten overige vaste activa;
-specificatie en facturen van de verkoopkosten.
Winst uit onderneming: buitengewone lasten
U vermeldt in uw jaarstukken een bedrag van € 3.350 als overige buitengewone lasten. Om deze te kunnen beoordelen, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:
-specificatie van de overige buitengewone lasten;
-facturen van de overige buitengewone lasten.
Winst uit onderneming: urencriterium
Bij het bepalen van de winst uit onderneming is zelfstandigenaftrek toegepast. Dat kan als u voldoet aan een aantal voorwaarden. Een van die voorwaarden is dat u als ondernemer voor de inkomstenbelasting voldoet aan het urencriterium.
Om te kunnen beoordelen of u voldoet aan het urencriterium, verzoek ik u mij gespecificeerde overzichten te sturen van:
- de werkzaamheden in de onderneming en de tijd die u daaraan hebt besteed
- de overige verrichte werkzaamheden en de tijd die u daaraan hebt besteed
Als de persoon waarmee u verbonden was winst kreeg als ondernemer en daarbij was sprake van een samenwerkingsverband dat gericht was op het verrichten van diensten, verzoek ik u mij ook stukken toe te sturen waaruit blijkt dat een soortgelijk samenwerkingsverband zou hebben bestaan met anderen dan de verbonden persoon.

Voordeel uitsparen en beleggen (box 3)

Bezittingen en schulden: onroerende zaken
In de aangifte wordt een bedrag vermeld van € 676.221 voor overige onroerende zaken. Om te kunnen beoordelen of het juiste bedrag voor deze onroerende zaken is aangegeven, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:
-een opsomming van deze onroerende zaken;
-de stukken waaruit de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak/zaken valt op te maken op 1 januari 2016;
-een toelichting op de manier waarop de waarde van diverse onroerende zaken is berekend;
-een overzicht van de op de onroerende zaken betrekking hebbende schulden.

Persoonsgebonden aftrek

Giften
U vermeldt in het aangiftebiljet € 300 voor giften. Om te kunnen beoordelen of u recht hebt op een aftrek van giften en voor welk bedrag, verzoek ik u mij om de betalingsbewijzen toe te sturen om de gemaakte en drukkende kosten aannemelijk te maken.”
2.6.
Bij brief van 26 februari 2020 heeft de Inspecteur meegedeeld voornemens te zijn te zullen afwijken van de aangifte.
2.7.
Bij brief van 4 maart 2020 heeft belanghebbende gereageerd op het verzoek van de Inspecteur en diverse stukken overgelegd.
2.8.
Bij brief van 7 april 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende uitgebreid gemotiveerd geïnformeerd over zijn voornemen om bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2016 op de volgende punten van de aangifte af te wijken en het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 18.154 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 9.982:
-er wordt geen afschrijving op goodwill in aanmerking genomen (goodwill blijkt zelfgekweekt);
-er wordt geen inhaalafschrijving op gebouwen in aanmerking genomen;
-er worden geen auto- en transportkosten in aanmerking genomen;
-bij de huisvestingskosten wordt een bedrag van € 886 niet aftrek toegelaten;
-er worden geen onderhoudskosten overige materiële vaste activa, geen verkoopkosten en geen buitengewone lasten in aanmerking genomen;
-de Insp. acht het niet aannemelijk dat aan het urencriterium is voldaan;
- de MKB-winstvrijstelling wordt gecorrigeerd;
- de waarde van de onroerende zaken in Box 3 wordt vastgesteld op € 749.000 en de schulden in box 3 worden verminderd met € 212.600 omdat de schuld met betrekking tot het bedrijfspand volgens de Insp. tot het ondernemingsvermogen behoort.
“Overzicht afwijking(en) van het inkomen uit werk en woning
- Afschrijving overige immateriële vaste activa € + 3.100
- Afschrijving gebouwen en terreinen € +24.000
- Auto- en transportkosten € + 3.454
- Huisvestingskosten € + 886
- Onderhoudskosten overige materiele vaste activa € + 1.158
- Verkoopkosten € + 3.479
- Overige buitengewone lasten € + 3.350
-MKB-winstvrijstelling €- 5.520
Totaalbedrag van de afwijking(en) € +33.907”

“Voordeel uit sparen en beleggen (box 3)

Bezittingen: waarde overige onroerende zaken
Het pand [adres 1] hoeft niet in box 3 aangegeven te worden, omdat deze tot het ondernemingsvermogen van [naam eenmanszaak] behoort.
Uit mijn informatie blijkt dat de waarden van de andere panden in box 3 op 1 januari 2016 als volgt moeten zijn.
[adres 2] € 179.000 (aangifte € 177.000)
[adres 3] € 181.000 (aangifte € 189.000)
[adres 4] € 170.000 (aangifte € 183.000)
[adres 5]
€ 219.000(aangifte € 224.000)
Totaal waarde overige onroerende zaken € 749.000
U hebt bij de waarden van overige onroerende zaken box 3 op 1 januari 2016 een bedrag aangegeven van € 676.221. Dit betekent dat het bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend te laag is. Ik heb dan ook besloten op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 72.779.
Schulden: schulden overige onroerende zaken
Het pand [adres 1] hoeft niet in box 3 aangegeven te worden, omdat deze tot het ondernemingsvermogen van [naam eenmanszaak] behoort (zie bij bezittingen). De schuld op dit pand van € 212.600 behoort dan uiteraard ook tot het ondernemingsvermogen van [naam eenmanszaak] en niet in box 3.
Aangegeven aftrekbare schulden box 3 € 698.459
Niet in box 3 aftrekbare schuld € 212.600
Vastgestelde aftrekbare schulden box 3 € 485.859
Voor het totaal bedrag van de aftrekbare schulden heeft u in het aangiftebiljet 2016 een bedrag aangegeven van € 701.459 op 1 januari 2016. Dit betekent dat het bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend te laag is. Ik heb dan ook besloten op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 212.600.”
Overzicht afwijking(en) van het voordeel uit sparen en beleggen
- Bezittingen: waarde overige onroerende zaken € + 72.779
-Schulden
€ +212.600
Totaalbedrag van de afwijking(en) € +285.379
2. Berekening

Belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)

Het berekende inkomen uit werk en woning volgens de aangifte € - 15.753
Totaalbedrag van de afwijking(en)
€ + 33.907
Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning voor pga € 18.154

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

Het aangegeven bedrag waarover het voordeel uit
sparen en beleggen wordt berekend € - 35.817
Totaalbedrag van de afwijking(en)
€ +285.379€ 249.562
Het forfaitaire rendement 4% x 249.562
Het voordeel uit sparen en beleggen € 9.982
Vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 9.982”
2.9.
Bij brief van 8 april 2020 verzoekt belanghebbende de Inspecteur om bij het vaststellen van de aanslag rekening te houden met een bedrag aan zorgkosten van € 1.140.
2.10.
Met dagtekening 11 april 2020 zijn de aanslagen IB/PVV 2016 en Zvw 2016 opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op nihil vanwege te verrekenen verliezen uit voorgaande jaren en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 9.982. De aanslag Zvw 2016 is opgelegd naar een bijdrage inkomen van € 18.154. Daarbij is € 21 aan belastingrente in rekening gebracht.
Bezwaarfase
2.11.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen op 28 april 2020.
2.12.
Bij brief van 30 juli 2020 heeft de Inspecteur meegedeeld voornemens te zijn uitspraak op bezwaar te doen en is hij gemotiveerd ingegaan op de verschillende winstposten. Over de waardering van de panden in box 3 heeft hij vermeld:
“Op de door u verstrekte pagina's staan de volgende onroerende zaken opgenomen:
Onroerende zaak met [adres 1] . WOZ-waarde: € 227.000;
Onroerende zaak met [adres 2] . WOZ-waarde: € 177.000 met een erfpachtcanon van € 700 en een door u aangebrachte correctie inzake huurbescherming van 38%;
Onroerende zaak met [adres 3] . WOZ-waarde: € 189.000 met een erfpachtcanon van € 700 en een door u aangebrachte correctie inzake huurbescherming van 38%;
Onroerende zaak met [adres 4] . WOZ-Waarde: € 183.000 met een erfpachtcanon van € 700 en een door u aangebrachte correctie inzake huurbescherming van 38%;
Onroerende zaak met [adres 5] . WOZ-Waarde: € 224.000 met een erfpachtcanon van € 750 en een door u aangebrachte correctie inzake huurbescherming van 38%;
(…)
Ik verzoek u mij kenbaar te maken welke bedragen u in het jaar 2016 aan jaarlijkse erfpachtcanon verschuldigd was én heeft betaald per pand, onderbouwd met schriftelijke bescheiden. Tevens verzoek ik u mij nader te onderbouwen op welke wijze u tot een aanvullende correctie van 38% bent gekomen. Ik verzoek u hierbij volledig te zijn en mij te voorzien van een integrale berekening van de door u opgenomen bedragen In uw aangifte en ook hier uw berekening te onderbouwen met schriftelijke bescheiden.”
In de brief heeft de Inspecteur verder belanghebbende verzocht contact op te nemen teneinde een hoorgesprek in te plannen en nadere informatie te geven ter beoordeling van het bezwaar.
2.13.
Nadat een inhoudelijke reactie uitbleef heeft de Inspecteur op 13 augustus 2020 een rappel gestuurd aan belanghebbende. Nadat belanghebbende duidelijk heeft gemaakt de brief van 13 augustus 2020 als niet verzonden te beschouwen, heeft de Inspecteur bij brief op 18 augustus 2020 geantwoord dat het rappel van 13 augustus 2020 gestand blijft.
2.14.
Belanghebbende heeft op 16 augustus 2020 bij de directeur van de Belastingdienst een klacht ingediend tegen mevrouw […] , de behandelende inspecteur in de bezwaarfase. De klacht is op 29 september 2020 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de Inspecteur bij brief van 2 december 2020 belanghebbende wederom verzocht om nadere informatie te versturen en contact op te nemen om een hoorgesprek in te plannen. Nadat belanghebbende geen poging heeft gedaan om een hoorgesprek in te plannen en inhoudelijk te reageren, heeft de Inspecteur op 7 januari 2021 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
2.15.
Belanghebbende heeft op 7 januari 2021 opnieuw een aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 aan de Inspecteur gezonden.
Bij het bepalen van de belastbare winst zijn de volgende posten aangegeven:
netto omzet € 32.780
afschrijvingen immateriële vaste activa € 0
afschrijving gebouwen en terreinen € 6.375
auto en transportkosten € 3.454
huisvestingskosten € 15.569
onderhoudskosten € 1.158
verkoopkosten € 3.479
overige buitengewone lasten € 0
financiële baten en lasten € - 887
saldo winstberekening € 1.858
zelfstandigenaftrek € 1.858
MKB winstvrijstelling € 0
belastbare winst € 0
Bij het bepalen van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is in deze aangifte voor een bedrag van € 449.221 aan onroerend goed aangegeven. De aftrekbare schulden bedragen in deze aangifte € 485.859.
Beroepsfase
2.16.
Op 13 januari 2021 heeft belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar pro forma beroep ingesteld bij de Rechtbank. Dit beroep heeft belanghebbende op 14 januari 2021, 18 januari 2021 en 23 februari 2021 aangevuld. De Rechtbank heeft vervolgens de mondelinge behandeling vastgesteld op 21 december 2021. Op verzoek van de Inspecteur is de zitting uitgesteld. De nieuwe zittingsdatum werd 25 januari 2022; tijdens deze zitting heeft belanghebbende de behandelend rechter gewraakt. Bij uitspraak van 7 maart 2022 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank het verzoek tot wraking toegewezen. Voorts heeft de wrakingskamer bepaald dat het onderzoek ter zitting opnieuw aanvang neemt en door een andere rechter behandeld moet worden. Nadat de zitting vervolgens is uitgesteld op verzoek van de Inspecteur, vond de zitting plaats op 8 augustus 2022. Ter zitting heeft belanghebbende de nieuwe rechter gewraakt. Op de volgende zitting van 23 januari 2023 heeft belanghebbende de nieuwe rechter wederom gewraakt. Op 6 februari 2023 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze procedure niet in behandeling zal worden genomen.
2.17.
De Inspecteur heeft op 3 mei 2023 bij de Rechtbank een nader stuk ingediend waarbij hij mede naar aanleiding van de aangifte van 7 januari 2021 per geschilpunt toelicht wat zijn standpunt is en tot de conclusie komt dat een hogere afschrijving (€ 180) en hogere huisvestingskosten (€ 830) in aanmerking kunnen worden genomen en hij de waarde van de onroerende zaken in Box 3 vermindert tot € 684.500. De Inspecteur schrijft onder meer:

“Materiele geschilpunten

Immateriële activa, correctie € 3.100
In het op 7 januari 2021 ingediende aangiftebiljet is deze aftrek komen te vervallen. Ik ga er van uit dat deze correctie niet meer in geschil is.

Afschrijving gebouwen, correctie € 24.000

In de brief ontvangen op 4 maart 2020 (bijlage 8 bij het verweerschrift) geeft belanghebbende aan:
"De afschrijvingen van het bedrijfspand zijn - sinds de u bekende zakelijke in gebruik name in 2009 - op basis van het voorzichtigheid beginsel in het jaarrekeningenrecht vastgesteld op ca 1,5% per jaar. Uitgangspunt voor de Hoge Raad is 3% per jaar en deze afschrijvingen zijn gebaseerd op activering van dit materiele actief op de balans. In 2016 is een inhaalinschrijving toegepast van 8 jaar van in totaal 24.000 euro. Ik verwijs u voor de aannemelijkheid naar het goed koopmansgebruik in de wet, de toepasselijkheid bij andere ondernemingen en de jurisprudentie ter zake.”
Hieruit blijkt dat belanghebbende heeft gekozen voor een afschrijvingspercentage van 1,5%. In de aangifte IB/PVV 2009 van belanghebbende is voor het bedrijfspand een aanschafwaarde van € 212.000 en een restwaarde van € 200.000 aangegeven. De afschrijving op jaarbasis op basis van deze uitgangs-punten bedraagt dan € 180 (€ 12.000 x 1,5%). Ik merk hierbij op dat de WOZ-waarde van het bedrijfspand in 2016 € 227.000 bedraagt. De door belang-hebbende berekende restwaarde in 2009 van € 200.000 is - gelet op de WOZ-waarde in 2016 - niet onredelijk.
In het op 7 januari 2021 ingediende aangiftebiljet bedraagt de afschrijving € 6.375. Dit is circa 3% van de aanschafwaarde. Hierbij is geen rekening gehouden met de restwaarde. In hetzelfde aangiftebiljet geeft belanghebbende een restwaarde aan van € 112.500.
De boekwaarde van het pand in de aangifte IB/PVV 2015 bedraagt € 206.500. De boekwaarde in het aangiftebiljet d.d. 7 januari 2021 bedraagt € 201.643. Een verschil van € 4.875 dat ik niet kan volgen.
Goed koopmansgebruik schrijft voor dat de jaarwinst dient te worden bepaald volgens een bestendige gedragslijn. Deze gedragslijn kan worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. Een motief voor een stelselwijziging kan zijn een relevante wijziging in de jurisprudentie, bijvoorbeeld als de Hoge Raad omgaat. Belanghebbende lijkt hier naar te verwijzen maar maakt niet duidelijk op grond van welke jurisprudentie een afschrijvingspercentage van 3% is voorgeschreven én waarom dit in deze situatie zou moeten worden toegepast.
Ten aanzien van dit geschilpunt stel ik vast dat bij aanschaf is gekozen voor een afschrijvingspercentage van 1,5 en een restwaarde van € 200.000. Uitgaande van de bestendige gedragslijn die goed koopmansgebruik voorschrijft, bedraagt de (maximum) jaarlijkse afschrijving € 180. Een stelselwijziging die een afschrijvingspercentage van 3 en een restwaarde van € 112.500 rechtvaardigt, acht ik niet aannemelijk gemaakt.
Nu de afschrijvingskosten geheel zijn gecorrigeerd, dient alsnog een bedrag van € 180 als afschrijving in aanmerking te worden genomen.

Autokosten, correctie € 3.454

In de brief ontvangen op 4 maart 2020 in bijlage 4 (bijlage 8 bij het verweerschrift) zijn bankafschriften overgelegd waarbij de kosten als volgt zijn te specificeren:
• Benzinekosten e.d. € 1.348,99
• NS € 788,63
• Taxi ( [buitenlandse plaats] ) € 35,45
• […] autogarage € 623,00
• […] (huur) € 1.550,47
• […] (chauffeursdiensten) € 265,00
Totaal € 4.611,54
In algemene zin merk ik op dat belanghebbende geen auto tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend. In zoverre kunnen de benzinekosten, de garagekosten en de huurkosten niet in aanmerking worden genomen. Eventueel kan een kilometervergoeding van € 0,19 in aanmerking worden genomen voorde privéauto, maar dan dient zakelijk gebruik aannemelijk te worden gemaakt. Door het ontbreken van een overzicht van zakelijke kilometers met onderliggende stukken waaruit de zakelijkheid van de reis blijkt, zijn zakelijke vervoerskosten niet aannemelijk gemaakt.
Dit geldt evenzeer voor kosten van de NS, Taxi en chauffeursdiensten. De zakelijkheid van deze kosten zijn niet aannemelijk gemaakt. Hierbij geldt voor de kosten van de NS en de chauffeursdiensten dat deze zijn betaald van een bankrekening die ten name van de erven [naam] staat. Zonder nadere onderbouwing kan ik niet vaststellen dat deze kosten ten laste van de onderneming zijn gekomen.
In het nader stuk van 13 januari 2023 stelt belanghebbende zich op het standpunt dat uit de brief van 1 november 2017 volgt dat de geclaimde vooraftrek door de inspecteur omzetbelasting is geaccepteerd. Ik ben hiervoor al (kort) ingegaan op deze stelling. Ik verwijs u naar bijlage 31. Over dit stuk merk ik het volgende op [4]:
[Noot 4: ”Bijlage 31, punt 2.7 tot en met 2.15”]
Op 2 september 2017 is van belanghebbende een suppletie aangifte omzetbelasting over het tijdvak 2016 ontvangen. Op 27 oktober 2017 zijn hierover door de inspecteur omzetbelasting nadere vragen gesteld. Vervolgens heeft belanghebbende zijn brief van 1 november 2017 verzonden. Op 16 november heb ik belanghebbende geïnformeerd dat zijn suppletieverzoek wordt aangehouden lopende de procedure bij het Gerechtshof.
Op 2 mei 2019 heb ik belanghebbende nadere vragen gesteld met betrekking tot de suppletie aangifte 2016. In zijn brief van 6 mei 2019 verklaart belanghebbende:
"De voorbelasting van 934 euro in 2016 zijn kosten, waaronder indirecte kosten volgens vaste jurisprudentie, die rechtstreeks toe te rekenen zijn aan toekomstige belastbare handelingen in 2017 en de oprichting van [A B.V.] , gevestigd in het bedrijfspand, in het vierde kwartaal van 2018 die in de jaren hierna ook belastbare handelingen verricht. Om die reden is de voorbelasting van deze kosten aftrekbaar."
Op 10 mei 2019 antwoordt de inspecteur omzetbelasting:
"Met betrekking tot de voorbelasting van € 934 stelt u dat deze zien op indirecte kosten die rechtstreeks toe te rekenen zijn aan toekomstige belastbare handelingen in 2017 en de oprichting van [A B.V.] . U bent daarom van mening dat de voorbelasting van deze kosten aftrekbaar zijn.
Ik ben van mening dat u niet heeft aangetoond dat deze kosten zien op belaste prestaties, mede gezien het feit dat u niet heeft geantwoord op mijn vraag of het bedrag van € 13.418 ziet op vrijgestelde of verlegde omzet.
Mocht u hierover geen duidelijkheid verschaffen dan zal ik de voorbelasting niet accepteren. Daarnaast wil ik u erop attenderen dat de oprichtingskosten die u heeft gemaakt voor de oprichting van [A B.V.] niet voor aftrek in aanmerking komen bij de eenmanszaak."
In verband met het uitblijven van een reactie is de voorbelasting niet geaccepteerd. De stelling van belanghebbende dat deze voorbelasting is geaccepteerd, is derhalve niet juist. Er kan in casu geen sprake zijn van opgewekt vertrouwen. Overigens stel ik mij hierbij op het standpunt dat de inspecteur inkomstenbelasting de zakelijkheid van de ten laste van de winst gebracht kosten mag beoordelen.
Resumerend stel ik mij op het standpunt dat:
- de zakelijkheid van deze kosten niet aannemelijk is gemaakt;
- niet aannemelijk is gemaakt dat de kosten welke zijn betaald van de bankrekening ten name van de erven [naam] lasten voor de onderneming zijn geweest en
- er geen sprake is van gewekt vertrouwen.

Huisvestingskosten € 15.569

In het op 7 januari 2021 ingediende aangiftebiljet bedragen deze kosten € 15.569. In eerder ingediende aangiften bedroegen deze kosten € 11.669. Hiervan is een bedrag van € 10.783 als kosten geaccepteerd. Bij een nadere beoordeling van de financieringskosten stel ik vast dat een bedrag van € 18,09 (vertragingsrente) en € 50 (omzettingskosten) alsnog in aanmerking dienen te worden genomen.
Voorts heb ik geconstateerd dat een tweetal energienota's zijn bijgesloten van € 1.171,06 (notadatum 6 juni 2017) en € 905,68 (notadatum 11 april 2016). Niet valt af te leiden welke energiekosten precies op 2016 betrekking hebben. Ik stel voor de volgende energiekosten voor 2016 alsnog in aanmerking te nemen:
€ 905,68 x 101/360 € 254,09
€ 1.171,06 x 156/360 € 507,45
Totaal € 761,54
Resumerend dient er alsnog een bedrag van € 830 (€ 68,09 + € 761,54) als huisvestingskosten in aanmerking te worden genomen. Het totaal aan geaccepteerde huisvestingskosten bedraagt dan € 11.613 (€ 10.783 + € 830).
Het verschil aan huisvestingskosten tussen € 15.569 en € 11.613 is niet aannemelijk gemaakt door belanghebbende.

Onderhoudskosten € 1.158

In de brief ontvangen op 4 maart 2020 in bijlage 3 (bijlage 8 bij het verweerschrift) zijn bankafschriften overgelegd waaruit de bijdragen aan de WE tot een totaalbedrag van € 1.669,89 voor het pand aan de [adres 1] zouden moeten blijken. Uit de bankafschriften blijkt dat de bankrekening ten name van de erven [naam] staat.

Verkoopkosten € 3.479

In de brief ontvangen op 4 maart 2020 is aangegeven dat het hier voorbereidingen overige bedrijfskosten betreft. De kosten zijn als volgt toegelicht:
• Vaste huurkosten voor het verblijf voor voorbereidende werkzaamheden en het studieatelier in [buitenlandse plaats] (pro rata 25%) € 780
• Voorbereidingskosten jaarrekening en nieuw werkkapitaal financiering € 302
• Directe reiskosten t.b.cv. de zakelijke omzetgerelateerde activiteiten in Nederland € 3.474
Uit de bankafschriften blijken de volgende betalingen:
12 x € 325 € 3.900,00
[…] Administratiekantoor € 302,50
Transavia € 1.860,00
Vueling € 415,94
Transavia € 102,00
Ryanair € 1.072,35
Ryanair € 24,29
Totaal € 7.677,08
Onduidelijk is of de uitgaven hebben plaatsgevonden ten behoeve van de onderneming van belanghebbende. In zoverre is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zakelijke kosten. Daarnaast is een deel van de kosten betaald van een bankrekening die ten name van de erven [naam] staat.

Zelfstandigenaftrek

In de brief ontvangen op 4 maart 2020 (bijlage 8 bij het verweerschrift) heeft
belanghebbende het aantal aan de onderneming bestede uren berekend op 1.920
uren. Dit aantal is als volgt berekend:
Omzet (€ 32.780/C 25) 1.320
Aangifte en administratieve werkzaamheden 80
Bezwaarprocedure en correspondentie 120
Reis- en verblijftijd nieuwe commerciële activiteiten 400
Door belanghebbende is geen urenregistratie en/of specificatie overgelegd. Het bedrag van € 25 per uur heeft belanghebbende -zo stelt hij- ontleend aan de hoogte van het gebruikelijk loon. Het gaat er echter om hoeveel uren belanghebbende aan de onderneming heeft besteed. Door de omzet te delen door het door belanghebbende gestelde uurloon op basis van het gebruikelijk loon, is het aantal aan de onderneming bestede uren niet aannemelijk gemaakt.
De reis- en verblijftijd voor nieuwe commerciële activiteiten is niet nader onderbouwd, nog daargelaten of dat wel activiteiten zijn die ten dienste van de eenmanszaak (onderneming) zijn gemaakt. Naar mijn mening zijn ook deze uren voor het urencriterium niet aannemelijk gemaakt.

Berekening belastbare winst

Vastgestelde fiscale winst € 21.110
Hogere afschrijving € 180
Hogere huisvestingskosten
€ 830
€ 1.010-/-
Nader vast te stellen fiscale winst € 20.100
MKB-winstvrijstelling
€ 2.814-/-
Belastbare winst € 17.286

Box 3

In het op 7 januari 2021 ingediende aangiftebiljet zijn de volgende panden tot de
rendementsgrondslag gerekend:
Aangifte betaalde correctie erfpachtcanon leegwaarderatio
[adres 2] € 177.000 € 700 38%
[adres 3] € 189.000 € 700 38%
[adres 4] € 183.000 € 700 38%
[adres 5]
€ 224.000€ 750 38%
€ 773.000
De WOZ-waarden zijn gecorrigeerd met een aftrek van 17x de erfpachtcanon en een aftrek van 38% voor de leegwaarderatio. Uit de overgelegde stukken heb ik niet kunnen vaststellen dat er sprake is van een jaarlijkse erfpachtcanon. In zoverre is de aftrek op basis van de jaarlijkse erfpachtcanon niet aannemelijk gemaakt.
De correctie van 38% in verband met de verhuur van de panden heb ik niet kunnen vaststellen, aangezien de jaarlijkse huur van de panden mij niet bekend is. Weliswaar blijkt uit een aantal bladen een verhuurprijs, maar deze huurbedragen hebben geen betrekking op het jaar 2016 en ik heb niet kunnen vaststellen op welke woningen deze huurovereenkomsten betrekking hebben.
Bovendien wordt er gesproken over een huurverhoging per 1 januari 2016. In hoeverre deze is doorgevoerd, is eveneens niet duidelijk.
Uit de overgelegde stukken acht ik het aannemelijk dat er sprake is van verhuur van de woningen [adres 2] en [adres 3] . Deze woningen zijn vóór 2016 al verhuurd en ik heb vast kunnen stellen dat de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie van de bewoners niet is gewijzigd.
Op het adres [adres 5] bestonden er in 2016 inschrijvingen. Gelet hierop neem ik ook voor dit pand verhuur voor het jaar 2016 aan.
Voor de woning [adres 4] acht ik verhuur echter niet aannemelijk gemaakt. In de gemeentelijke basisadministratie stond in 2016 op dit adres niemand ingeschreven. Door belanghebbende is een verklaring overgelegd van mevrouw [B] , d.d. 12 juli 2021, waarin zij verklaart in de periode 1 mei 2015 - oktober 2018 de woning aan de [adres 4] te hebben gehuurd.
Mevrouw [B] geeft aan de woning op de einddatum te hebben verlaten. Dit sluit niet aan bij de mij ter beschikking staande gegevens. Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat mevrouw [B] in de periode 18 mei 2017 – 23 oktober 2018 stond ingeschreven op het adres [adres 4] en vanaf 23 oktober 2018 - 15 maart 2019 op het adres [adres 5] .
Resumerend stel ik mij op het standpunt dat de correctie in verband met de jaarlijkse erfpachtcanon niet aannemelijk is gemaakt. Een hogere correctie dan15% in verband met de verhuur van de woningen [adres 2] en [adres 3] en [adres 5] is niet aannemelijk gemaakt. Verhuur van de woning [adres 4] is niet aannemelijk gemaakt.
Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bereken ik als volgt:
Bezittingen:
Banksaldo € 9
Aandelen € 308
Vorderingen en contant geld € 10.541
Overige onroerende zaken:
• [adres 2] € 177.000
• [adres 3] € 189.000
• [adres 5]
€ 224,000
€ 590.000 x 85% € 501.500
• [adres 4]
€ 183.000
€ 695.358
Schulden:
€ 488.859 -/- € 3.000 € 485.859 -/-
Heffingvrij vermogen € 24.437 -/-
Rendementsgrondslag € 185.062
x4%
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 7.402.

Giften

Uit de bankafschriften blijkt dat de giften zijn betaald van de bankrekening ten name van de erven [naam] . Zonder nadere onderbouwing kan ik niet vaststellen of deze giften ten laste van belanghebbende zijn gekomen.

Persoonlijke kosten

Op 8 april 2020 (bijlage 10 van het verweerschrift) verzoekt belanghebbende rekening te houden met persoonlijke aftrek tot een bedrag van € 1.140. Hierbij is een factuur overgelegd ad € 600 in verband met de behandeling door een psycholoog (alternatieve zorg). In hoeverre hier sprake is van specifieke zorgkosten is niet duidelijk. In het aangiftebiljet d.d. 7 januari 2021 zijn dergelijke kosten niet in aanmerking genomen. In algemene zin merk ik op dat kosten van een psycholoog aftrekbaar zijn voor zover deze zorg plaatsvindt door een medicus of onder toezicht van een medicus. Dit laatste is niet gebleken.

Te verrekenen verliezen

In het op 7 januari 2021 ingediende aangiftebiljet zijn de te verrekenen verliezen uit voorgaande jaren aangegeven tot een bedrag van € 100.000. Volgens mijn gegevens bedragen de te verrekenen verliezen tot en met 31 december 2015 € 93.304.
Berekening belastbaar inkomen uit werk en woning
Berekende belastbare winst € 17.286
Restant persoonsgebonden aftrek
€ 190-/-
Te verrekenen verliezen € 17.096 -/-
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 0”
2.18.
Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 8 mei 2023.
2.19.
In de uitspraak van 4 juli 2023 heeft de Rechtbank de belastbare winst en het bijdrage-inkomen verminderd omdat de Inspecteur ermee heeft ingestemd dat alsnog € 850 aan kosten in aanmerking worden genomen (zie de brief van de Inspecteur van 3 mei 2023 hiervoor onder 2.17). De belastbare winst voor het jaar 2016 heeft de Rechtbank vastgesteld op € 17.286, rekening houdend met een restant persoonsgebonden aftrek van € 190 en te verreken verliezen van € 17.096, komt het belastbaar inkomen uit werk en woning uit op € 0. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 6.184, omdat de Rechtbank alsnog rekening heeft gehouden met de verhuurde staat van het pand [adres 4] (correctie 15%) te [woonplaats] .
2.20.1.
Belanghebbende heeft tevens hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank van 4 juli 2023, SGR 21/2752, betreffende een verzoek om dwangsom bij niet tijdig beslissen op een verzoek om WOB dossierinzage in de databank Fraude Signaleringsvoorziening (FSV). De Rechtbank heeft geoordeeld dat de dwangsomregeling niet van toepassing is op besluiten op grond van de WOB of WOO. Het hoger beroep is door het Hof ter behandeling doorgezonden aan de Raad van State. Belanghebbende heeft bij de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
2.20.2.
Voorts heeft belanghebbende beroep ingediend bij de Rechtbank Rotterdam (geregistreerd onder nummer ROT 23/1265) betreffende, naar belanghebbende heeft meegedeeld, een verzoek inzage databank FSV. In die procedure is door belanghebbende een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Voorts zijn ook nog, naar belanghebbende heeft meegedeeld, nieuwe procedures aanhangig over de FSV bij de Rechtbank Rotterdam ROT 25/0762 en bij de Rechtbank Den Haag.
Hoger beroepsfase
2.21.
De wrakingskamer van het Hof heeft op 14 januari 2025 het verzoek van belanghebbende om wraking afgewezen:
“9. Voorop wordt gesteld dat de (voorlopige) afwijzing van het verzoek om tijdens de zitting een tussenbeslissing te nemen over de op de zaak betrekking hebbende stukken, moet worden aangemerkt als een procedurele beslissing. Procedurele beslissingen vormen in beginsel geen grond voor wraking. Het middel van wraking kan niet een verkapt rechtsmiddel zijn tegen - de voor verzoeker onwelgevallige - (procedurele) beslissingen van de rechter. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een (procedurele) beslissing kan in beginsel geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (procedurele) beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten — bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (Hoge Raad 25 september 2018, ECL1:NL:HR:2018:1413). Dat daarvan in deze zaak sprake is, is niet gebleken. Overigens heeft de voorzitter te kennen gegeven dat de meervoudige belastingkamer van het hof later nog zal toetsen of aan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen is voldaan.
10. Anders dan verzoeker kennelijk meent, levert de omstandigheid dat de voorzitter verzoeker als eerste in de gelegenheid heeft gesteld een toelichting te geven op zijn nader stuk geen zwaarwegende aanwijzing op voor de conclusie dat de betrokken raadsheren vooringenomen zijn en evenmin dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.”
2.22.
Op 24 maart 2025 heeft inzage plaatsgevonden door belanghebbende en zijn gemachtigde op het kantoor van de Inspecteur in het dossier IB/PVV 2016 en Zvw 2016. De Inspecteur heeft daarbij inzage verstrekt in de uitworpredenen van de aangifte IB/PVV 2016 (schermafdruk uitworpredenen; bijlage bij brief Inspecteur van 24 maart 2025):
“BSN/sofinummer […] [belanghebbende] 2016- 3 jaar Geboortedatum [geboortedatum]
Soort Aangifte winst met bijlage 1B/PPV/ Kenmerk Definitieve aanslag BIN Jaar 2016
Relevante risico’s omschrijving Bundel
H462 Beoordeel bezittingen onroerende zaken box3 in aangifte %% Ja
H901 Afwijkende behandeling uitworp gewenst (AR:3) Ja
W411 Aangifte uit segment MKB; teamnummer
(%%2);aandachtscate Ja
Uitworpreden
H462 Beoordeel bezittingen onroerende zaken box3: in aangifte 676221 ; in RIS-WOZ 1000000 (incl. aandeel kinderen 0) (AR:4)
Uitworpreden
H901 Afwijkende behandeling uitworp gewenst (AR3)
Uitworpreden
W411 Aangifte uit segment MKB; teamnummer (38): aandachtscategorie (2D)”
De Inspecteur heeft de uitworpredenen toegelicht in voormelde brief van 24 maart 2025 met bijlage:
“Uit het afschrift van de uitworpredenen blijkt een drietal uitworpredenen:
- H462 Beoordeel bezittingen onroerende zaken Box 3
Toelichting: De aangifte is uitgeworpen omdat de in de aangifte opgenomen bezittingen lager zijn dan de gegevens die zijn opgenomen in RIS_WOZ (renseignementen gemeente).
- H901 Afwijkende behandeling uitworp gewenst
Toelichting: De aangifte is uitgeworpen omdat een medewerker handmatig een uitworpbewering ("uitworp gewenst") heeft opgevoerd. Hierdoor wordt de aangifte geselecteerd voor behandelen. Om voor mij onbekende reden staat in het systeem geen nadere toelichting over de reden van opvoeren hiervan maar het is mij bekend dat de reden voor deze uitworp is gelegen in een eerdere discussie binnen de omzetbelasting over het zakelijke gebruik van het bedrijfspand. Ik verwijs hiervoor ook naar de tijdens de zitting bij de rechtbank hierover afgelegde verklaring (opgenomen in rechtsoverweging 30 van de uitspraak van 4 juli 2023). Oplevering van de aangifte heeft plaatsgevonden aan dezelfde collega die ook het jaar 2014 in behandeling heeft genomen.
- W411 Aangifte uit segment MKB
Toelichting: De belastingplichtige is ondernemer of digra en behoort tot het klantsegment MKB.”
2.23.
Belanghebbende heeft op 27 maart 2025 en 31 maart 2025 nadere stukken ingezonden met zijn weergave van de inzage en een overzicht van mogelijke codes van uitworp.
2.24.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 2 april 2025, BK-23/734 en BK-23/735 het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen:
“5.2. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij een dubbele nationaliteit heeft en wil nagaan of die dubbele nationaliteit een rol heeft gespeeld bij de uitworp van zijn aangiften IB en Zvw 2016 en aanleiding is geweest om inhoudelijke vragen over de aangiftes te stellen en dat stukken daarover moeten zijn overgelegd wil een inhoudelijk oordeel kunnen worden geveld over de betreffende aanslagen. Partijen hebben naar aanleiding van het verzoek van de voorzieningenrechter de afspraak gemaakt dat verzoeker en zijn gemachtigde op het kantoor van de Inspecteur inzage nemen in het dossier IB en Zvw 2016 en de uitworpredenen die aanleiding zijn geweest voor de uitworp van de genoemde aangiften.
Blijkens berichten van de Inspecteur van 24 maart 2025 en van belanghebbende van 27 maart 2025 en 29 maart 2025 heeft die inzage op die dag plaatsgevonden en hebben verzoeker en zijn gemachtigde een aantal stukken uit het dossier gekopieerd. De na de zitting door partijen ingediende nadere stukken hebben betrekking op dit dossier IB en Zvw 2016 en zal de voorzieningenrechter laten toevoegen aan het dossier in de bodemprocedure. Voor zover het onderhavige verzoek betrekking heeft op inzage in dat dossier ontbeert het feitelijke grondslag omdat inzage inmiddels heeft plaatsgevonden.
5.3.
Voor zover verzoeker verzoekt om de Inspecteur meer of anders op te dragen, wijst het Hof dat verzoek af. Het is uiteindelijk aan de bodemrechter te oordelen of de Inspecteur in de bij het Hof aanhangige hoger beroepen over de aanslagen IB en Zvw 2016 alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd op grond van artikel 8:42 AWB Pro en of de Inspecteur en/of verzoeker stukken moeten inbrengen in de procedure. Het geven van een oordeel hierover neemt een te groot voorschot op de behandeling van het bodemgeschil. Het karakter van een voorlopige voorziening verzet zich daartegen. Ook op die grond dient het verzoek te worden afgewezen.

Proceskosten

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de AWB. De bodemrechter zal beoordelen of een vergoeding moet worden toegekend voor de inzage in het dossier bij de Inspecteur.“
2.25.
Belanghebbende heeft een verweerschrift overgelegd dat in de procedure bij de Rechtbank Rotterdam is ingediend door de Minister van Financiën, Belastingdienst Amsterdam Midden- en Kleinbedrijf, van 11 april 2023. In dit verweerschrift is vermeld dat belanghebbende op 26 augustus 2020 een verzoek heeft gedaan om inzage van gegevens die van hem zijn opgenomen in de databank FSV. Tevens is vermeld dat belanghebbende bij brief van 19 november 2020 is meegedeeld dat persoonsgegevens en adresgegevens van hem in de databank FSV zijn opgenomen en dat deze zijn:
Naam
[belanghebbende]
Adres
[adres 6]
[adres 7]
BSN
[…]
Rekeningnummer/IBAN
[…]
Het verzoek om inzage in de databank FSV is in die brief door het Ministerie van Financiën afgewezen. Belanghebbende heeft op 1 februari 2021 wederom een verzoek tot inzage gedaan. Onder verwijzing naar de afwijzing van het verzoek van november 2020 is dit verzoek op 17 maart 2021 afgewezen.
2.26.
Op pagina 21 van het in 2.25 genoemde verweerschrift is vermeld dat verdergaand inzicht is gegeven bij brief van 22 maart 2022 namelijk in de datum van opname en afdoening in 2010, de aantekeningen e.d.
“In de beslissing van 15 juni 2022 (bijlage 5) is op pagina 4 en 5 een hele tabel (
Hof:niet overgelegd) opgenomen waarbij (in het kort) nog de volgende gegevens zijn verstrekt:
De datum van opname: 6-5-2010
De datum van afdoening: 29-7-2010
Competente eenheid: 116 (Den Haag MKB (verzorgingsgebied Midden­ West)
Aantekeningen:
Komt uit Dagboek PIT, tabblad aangiftefraude, Idnr. […] .
Lopend bij FIOD: Nee, Kantoor: Den Haag HR
[belanghebbende] (...)
Behandelaar PIT: ;
Opvoerder PIT:
Op 31 maart 2022 heeft de Minister aan belanghebbende een brief gezonden waarin is toegelicht waarom t persoonsgegevens van belanghebbende in de FSV-databank stonden:
“Waarom stonden uw persoonsgegevens in de FSV?
Om deze vraag te beantwoorden, hebben we in de FSV en andere systemen gekeken. Niet elke registratie in de FSV leidde tot controle of onderzoek. Het is goed mogelijk dat u niets hebt gemerkt.
De informatie die we in de FSV hebben gevonden in de velden belastingjaar, jaar van registratie in de FSV, soort belasting, organisatie of 'project' staat hieronder. Meer informatie stond niet in deze velden.
Belastingaangifte
Als in een belastingaangifte mogelijk onjuiste gegevens voorkwamen,-registreerden we dat soms in de FSV. Welke gegevens niet klopten, hebben wij niet altijd in de FSV geregistreerd.
In uw situatie stond in de FSV dat dit betrekking had op:
Belastingjaar 2000
Uw registratie is overgenomen uit Dagboek PIT. Dit systeem bestaat niet meer, verdere informatie ontbreekt in de FSV. Om welke belasting het ging, zoals inkomstenbelasting of btw (omzetbelasting), stond niet in de registratie in de FSV vermeld.”
In het verweerschrift is tevens vermeld
“In februari 2020 is FSV ontoegankelijk gemaakt voor de medewerkers. Vanaf dat moment ondersteunde de FSV niet langer bij het oorspronkelijk doel: het uitoefenen van de opgedragen wettelijke (toezicht)taken. (…)
De gegevens uit de FSV worden sinds 27 februari 2020 niet meer door de Belastingdienst gebruikt en zijn enkel nog toegankelijk voor de behandelaren van FSV-verzoeken. De gegevens staan in een beveiligde omgeving voor nader onderzoek, onder andere door de Autoriteit Persoonsgegevens. (…),”
“Hierbij wil ik tevens opmerken dat de gegevens uit de FSV niet zijn gebruikt voor automatische besluitvorming en/of profilering. De FSV was een applicatie waarin risicosignalen werden geregistreerd, zonder dat het systeem zelf automatische handelingen uitvoerde. Voor een verdere behandeling van een geregistreerd signaal was steeds een menselijke
handeling nodig. De FSV was ook niet gekoppeld aan andere systemen,
zodatook niet langs die weg sprake was van het gebruiken van de in de FSV opgeslagen gegevens voor automatische besluitvorming. Dit is ook onderzocht door KPMG. In het rapport van 10 juli 2020 concludeert de KPMG dat geen aanwijzingen zijn gevonden dat een FSV registratie heeft geleid tot een vergrote selectiekans in de massale automatische toezicht processen noch dat de FSV-registratie werd gebruikt als middel om op structurele wijze zelfstandige lijsten te genereren die dienden als selectiecriteria in de reguliere of massale toezicht processen.
In het algemeen wordt iedere aangifte inkomensheffing op de aanwezigheid van risico's beoordeeld. Daartoe wordt gebruik gemaakt van een geautomatiseerde selectiemodule. De uitkomst van deze beoordeling kan ertoe leiden dat een behandelvoornemen wordt opgenomen: 'uitworp gewenst'. Dat betekent dat de aangifte wordt geselecteerd voor handmatige behandeling. Bij betrokkene zijn geen aangiften uitgeworpen voor handmatige
behandeling.”
Het verweerschrift strekt tot afwijzing van het verzoek van belanghebbende om inzage.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De op de zaken betrekking hebbende stukken
14. Eiser stelt dat verweerder het gehele dossier dat vanaf 2013 bij de Belastingdienst over hem is opgebouwd dient te overleggen. Daartoe behoort ook de correspondentie over naheffingsaanslagen omzetbelasting en stukken die eiser op 23 juli 2021 aan verweerder heeft toegestuurd ter onderbouwing van zijn op 7 januari 2021 ingediende aangifte. Eiser stelt dat verweerder deze stukken had moeten doorsturen aan de rechtbank. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, heeft hij volgens eiser de verplichting van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er geen andere op deze zaken betrekking hebbende stukken zijn dan de stukken die hij heeft overgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding die verklaring in twijfel te trekken. Daarbij komt dat, anders dan eiser meent, de stukken over de naheffingsaanslagen die in de vorige procedures zijn beoordeeld, geen op onderhavige zaken betrekking hebbende stukken. Die naheffingsaanslagen zijn immers in onderhavige zaken niet aan de orde. Voor zover eiser bewijsstukken die hij daar heeft overgelegd ook relevant acht voor onderhavige zaken, ligt het op zijn weg die over te leggen. Stukken die betrekking hebben op andere jaren, zijn evenmin stukken die betrekking hebben op de aanslagen. Die stukken behoeven dan ook niet door verweerder te worden overgelegd. Met betrekking tot de door eiser aan verweerder op 23 juli 2021 overlegde stukken, merkt de rechtbank op dat op dat moment de zaken al aanhangig waren gemaakt bij de rechtbank en eiser derhalve zelf de stukken ook bij de rechtbank had moeten indienen, wanneer eiser wenst dat de rechtbank kennisneemt van die stukken.
Tijdigheid stukken
16. De rechtbank heeft op 3 mei 2023 een nader stuk van verweerder ontvangen waarin verweerder per post die nog in geschil is zijn standpunt toelicht. Daarbij is verweerder ook op een aantal posten eiser tegemoet gekomen. Eiser heeft het standpunt ingenomen dat het nadere stuk van verweerder wegens strijd met de goede procesorde tardief verklaard moet worden. Ter zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat dit niet geldt voor de onderdelen waar verweerder eiser tegemoet is gekomen. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding het nader stuk van verweerder buiten beschouwing te laten, reeds omdat eiser in zijn nader stuk van 8 mei 2023 op dit nader stuk van verweerder heeft gereageerd.
Kostenaftrek
17. De rechtbank zal nu per kostenpost beoordelen of de kosten in aftrek komen en voor welk bedrag. Ten aanzien van de posten “afschrijving immateriële vaste activa” en “buitengewone lasten” begrijpt de rechtbank dat deze correcties niet meer in geschil zijn nu eiser in zijn aangifte van 7 januari 2021 deze posten niet meer heeft opgenomen en hier ook in de beroepsfase geen gronden tegen heeft aangevoerd.
18. Omdat het allemaal posten zijn die tot aftrek zouden leiden, rust de bewijslast op eiser. Die bewijslast houdt het volgende in, eiser moet aannemelijk maken dat (i) de kosten zijn gemaakt (bijvoorbeeld de uitgaven zijn gedaan) en (ii) dat de kosten zijn gemaakt in het kader van de onderneming. Indien bepaalde wettelijke voorwaarden gelden voor een bepaalde kostenaftrek, moet aannemelijk worden gemaakt dat aan die voorwaarden is voldaan. Indien eiser in de bewijslast is geslaagd en verweerder stelt dat de kosten onzakelijk zijn, rust de bewijslast op verweerder. Van eiser mag echter worden gevergd dat onderbouwd wordt waarvoor de kosten zijn gemaakt, opdat verweerder niet in een onmogelijke bewijspositie komt.
Afschrijving gebouwen
19. Eiser heeft eerst een bedrag aan afschrijvingen gebouwen aangegeven van € 24.000 waarover in de brief van 4 maart 2020 is opgemerkt dat hierbij is uitgegaan van een afschrijving van 1,5% per jaar en dit een inhaalafschrijving van acht jaar betreft. In de aangifte van 7 januari 2021 is een bedrag van € 6.375 in aanmerking genomen en in zijn reactie op het nader stuk van verweerder van 3 mei 2023 stelt eiser dat de afschrijving op het bedrijfspand € 3.413 dient te bedragen, wat eiser heeft gebaseerd op een aanschafwaarde van € 212.500, een restwaarde van € 113.500 en een afschrijvingspercentage van 3%. Verweerder heeft aangevoerd dat eiser in de aangifte 2009 heeft opgenomen dat de aanschafwaarde € 212.000 bedraagt en de restwaarde € 200.000. Daar maakt verweerder uit op dat de afschrijving jaarlijks (1,5% x € 12.000 =) € 180 bedraagt.
20. De rechtbank stelt voorop dat goed koopmansgebruik voorschrijft dat de jaarwinst dient te worden bepaald volgens een bestendige gedragslijn, en dat deze gedragslijn alleen gewijzigd kan worden indien goed koopmansgebruik dat rechtvaardigt. Eiser heeft niets gesteld wat een stelselwijziging rechtvaardigt. De rechtbank is van oordeel dat de gedragslijn die is ingezet bij de aangifte over het jaar 2009 gevolgd moet worden, en komt op een afschrijving per jaar van € 180.
Autokosten, onderhoudskosten en verkoopkosten
21. Eiser heeft ter onderbouwing van de autokosten, onderhoudskosten en verkoopkosten bankafschriften overgelegd van bankrekeningen die niet op naam van eiser staan en daarbij het standpunt ingenomen dat deze kosten door hem zijn gemaakt in het kader van zijn onderneming en zakelijk zijn. Hiermee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt hij de door hem geclaimde kosten heeft gemaakt en dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van de onderneming. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen onderbouwing heeft gegeven waaruit blijkt dat de op de door hem overlegde bankafschriften vermelde kosten ten laste zijn gekomen van de onderneming van eiser.
Huisvestingskosten
22. Eiser heeft in zijn op 7 januari 2021 ingediende aangifte een bedrag van € 15.569 aan huisvestingskosten vermeld. In zijn eerder ingediende aangiften stond een bedrag van € 11.669 vermeld als huisvestingskosten. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslagen een bedrag van € 10.783 als huisvestingskosten in aanmerking genomen. In zijn nader stuk van 3 mei 2023 stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser nog recht heeft op een aanvullende aftrek van € 830. De rechtbank sluit zich daarbij aan, waardoor de aftrekbare huisvestingskosten in totaal € 11.613 bedragen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag aan huisvestingskosten hoger dient te worden vastgesteld dan € 11.613.
Urencriterium
23. Eiser heeft gesteld dat aan het urencriterium is voldaan, maar tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder heeft eiser geen nadere onderbouwing van zijn stelling gegeven. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er recht bestaat op zelfstandigenaftrek. Er is geen urenadministratie of ander bewijsmiddel overgelegd waaruit de gestelde bestede uren zouden kunnen worden afgeleid.
Aftrek zorgkosten
24. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) zijn aftrekbaar, uitgaven voor genees- en heelkundige hulp. De door eiser geclaimde uitgaven hebben betrekking op bezoeken aan een psycholoog. Uit de door eiser overgelegde onderbouwing blijkt echter niet deze kosten aanvullend in aftrek dienen te worden toegestaan. Uit de door eiser overlegde stukken blijkt niet dat deze kosten op hem hebben gedrukt. Eiser heeft namelijk geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze kosten niet door de ziektekostenverzekeraar zijn vergoed. Überhaupt kan niet worden vastgesteld of eiser de kosten bij de ziektekostenverzekeraar heeft gedeclareerd. Verweerder heeft deze kosten daarom terecht niet in aanmerking genomen bij het opleggen van de aanslagen.
Box 3
25. Tussen partijen is de waarde van de onroerende zaken in Box 3 in geschil. Het gaat daarbij om de panden gelegen aan de [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] (de panden). Eiser heeft in zijn aangifte deze waarden gecorrigeerd met een aftrek van 17 maal de erfpachtcanon en een aftrek van 38% wegens de toepassing van de leegwaarderatio. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de correctie in verband met de erfpachtcanon niet aannemelijk is gemaakt omdat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is van een jaarlijkse erfpachtcanon. Voorts stelt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het pand aan de [adres 4] in het onderhavige jaar werd verhuurd. Daarnaast stelt verweerder met betrekking tot de overige panden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de correctie wegens toepassing van de leegwaarderatio meer dan 15% dient te bedragen.
26. Aangezien eiser een lagere waarde voor de panden in aanmerking wenst te nemen dan de WOZ-waarde rust de bewijslast dat er van een lagere waarde dient te worden uitgegaan op eiser. Ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde heeft eiser notariële akten, kadastrale uittreksels, huurovereenkomsten en verklaringen van een huurster overlegd. Met deze stukken en hetgeen eiser verder heeft opgemerkt heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er jaarlijks een bedrag aan erfpachtcanon wordt betaald voor de panden. Met betrekking tot de [adres 4] heeft eiser met de door de huurster ondertekende verklaring en de bevestiging van het nutsbedrijf waaruit blijkt dat zij op 19 mei 2015 een energiecontract is aangegaan aannemelijk gemaakt dat de woning in 2016 werd verhuurd. Dat de huurster in 2016 niet op de [adres 4] stond ingeschreven doet daar niet aan af.
27. Uit de door eiser overlegde stukken blijkt niet duidelijk welke huurprijzen er werden gehanteerd voor de panden. De rechtbank ziet derhalve geen reden om van een hogere correctie uit te gaan dan de door verweerder voorgestane correctie van 15%. De waarde van de onroerende zaken dient derhalve te worden vastgesteld op (€ 773.000 x 85%=)657.050. Rekening houdend met de overige vermogensbestanddelen in Box 3 bedragen de bezittingen van eiser voor het jaar 2016 (€ 9 + € 308 + € 10.541 =) € 667.908. In zijn aangifte van 7 januari 2021 heeft eiser een bedrag aan schulden opgevoerd van € 485.859, wat gelijk is aan het standpunt van verweerder, de rechtbank gaat ervan uit dat dit tussen partijen niet meer in geschil is. Na aftrek van de schuldendrempel en het heffingsvrije vermogen bedraagt de rendementsgrondslag € 154.612 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 6.184.
Schending beginselen van behoorlijk bestuur
28. Naar het oordeel van de rechtbank is van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur of enig ander rechtsbeginsel geen sprake. Van machtsmisbruik is de rechtbank eveneens niet gebleken. De rechtbank heeft ook geen grond om aan te nemen dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld. Daarbij merkt de rechtbank op dat belastingheffing voortvloeit uit de wet. De aanslagen zijn daarom zogenoemde gebonden beschikkingen, waarbij verweerder geen discretionaire bevoegdheid heeft.
FSV
29. Eiser stelt dat hij door de opname van zijn persoonsgegevens in de databank FSV ten onrechte is bestempeld als fraudeur en dat sprake is van etnisch profileren vanwege zijn dubbele nationaliteit. Volgens eiser vormen deze omstandigheden reeds aanleiding voor gegrondverklaring van het beroep.
30. De stelling van eiser dat het onderzoek naar zijn aangifte IB/PVV 2016 voortkomt uit etnisch profileren verwerpt de rechtbank. In de gedingstukken zijn geen aanwijzingen te vinden dat eiser vanwege zijn afkomst is gediscrimineerd. De rechtbank acht aannemelijk dat, zoals verweerder heeft gesteld, een eerdere discussie tussen partijen over het zakelijk gebruik van het bedrijfspand met adres [adres 1] de directe aanleiding vormde voor het stellen van vragen over de aangifte IB/PVV 2016. De controle van de in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 opgenomen aftrekposten heeft dus niet plaatsgevonden op basis van een criterium dat jegens eiser leidt tot schending van een grondrecht zoals schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. De uitworp van eisers aangifte brengt ook niet mee dat de controle van de aangifte van eiser heeft plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat de aanslag moeten worden vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank is ook geen sprake van een door de Hoge Raad genoemde situatie waarin is gehandeld op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van de resultaten van het onderzoek van de aangiften onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.1
31. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 19, 21 en 26 dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
32. De rechtbank vindt aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) als volgt vastgesteld. De reiskosten voor de zittingen op 25 januari 2022 en 8 augustus 2022 bedragen uitgaande een retourreis van 84 kilometer en een vergoeding van € 0,28 per kilometer in totaal € 47,04. De reiskosten naar de voor de zitting van 23 januari 2023 bedragen overeenkomstig het verzoek van eiser € 14,36 voor kosten met het openbaar vervoer. De verletkosten bedragen voor de zitting van 25 januari 2022 € 108, voor de zitting van 8 augustus 2022 € 117,05 en voor de zitting van 23 januari 2023 € 168. Daarmee komt het totaal aan reis- en verletkosten € 454,45. De kosten met betrekking tot een bezoek aan de Hoge Raad komen niet voor vergoeding in aanmerking. Er wordt geen kostenvergoeding toegekend voor het verschijnen op de zitting van 23 mei 2023, reeds omdat deze zitting enkel heeft plaatsgevonden wegens het wrakingsverzoek ter zitting van 23 januari 2023. De wrakingskamer heeft geoordeeld dat met dit wrakingsverzoek sprake was van misbruik van recht. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het gepast – zo nodig met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit – geen proceskostenvergoeding toe te kennen voor het verschijnen op de daaropvolgende zitting. Voor de aanwezigheid van de gemachtigde wordt geen proceskostenvergoeding toegekend, nu gemachtigde ter zitting heeft verklaard dat hij zich niet beroepsmatig bezig houdt met het verlenen van rechtsbijstand.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of:
a. a) de Rechtbank de aanslag tot het juiste bedrag heeft vastgesteld,
b) de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd,
c) de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld dan wel sprake is van discriminatoir handelen van de Inspecteur.
Belanghebbende beantwoordt de vragen a) en b) ontkennend en c) bevestigend en de Inspecteur in tegenovergestelde zin.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, met uitzondering van de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding en het griffierecht, tot vermindering van de aanslag tot een naar een inkomen uit werk en woning van nihil en een inkomen uit sparen en beleggen van eveneens nihil. f. Daarnaast verzoekt belanghebbende om schadevergoeding, een immateriële schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn alsmede een proceskostenvergoeding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Op de zaak betrekking hebbende stukken: juridisch kader
5.1.1.
Op grond van artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de inspecteur gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de belastingrechter te zenden. Deze bepaling strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in (hoger) beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, BNB 2018/164).
5.1.2.
Met op de zaak betrekking hebbende stukken die de inspecteur op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient over te leggen, is gedoeld op alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn bij de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Hiertoe behoren derhalve ook stukken die bij diens besluitvorming een rol hebben gespeeld maar die door hem uiteindelijk niet zijn gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, BNB 2018/164).
5.1.3.
Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb Pro en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, BNB 2008/161).
5.1.4.
Indien de inspecteur verzuimt te voldoen aan de verplichting om op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 Awb Pro aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim (HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129).
Op de zaak betrekking hebbende stukken: beoordeling
5.2.1.
De Rechtbank is in overweging 15 van haar uitspraak terecht tot het oordeel gekomen dat de stukken over de naheffingsaanslagen die in de vorige procedures zijn beoordeeld en stukken over andere belastingjaren geen op de onderhavige zaken betrekking hebbende stukken zijn omdat die naheffingsaanslagen en die andere belastingjaren in het onderhavige geding niet aan de orde zijn. De Rechtbank is terecht ervan uitgegaan dat voor zover belanghebbende bewijsstukken die hij daar heeft overgelegd ook relevant acht voor de onderhavige zaken, hij de gelegenheid heeft gehad om deze over te leggen. Ook de door belanghebbende na het instellen van beroep aan de Inspecteur op 23 juli 2021 toegezonden stukken en de bijlagen bij het nadere stuk van 23 november 2024 zijn om die reden geen op de zaak betrekking hebbende stukken die door de Inspecteur hadden moeten zijn overgelegd.
5.2.2.
Voor zover belanghebbende stelt dat artikel 8:42 Awb Pro ook ziet op alle stukken die zijn overgelegd in het kader van door belanghebbende gedane verzoeken op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming, de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet open overheid en op grond daarvan gevoerde procedures over gegevens die van hem zijn of waren opgenomen in de databank FSV, handelt het eveneens om niet op de onderhavige aanslagen betrekking hebbende stukken, aangezien niet aannemelijk is geworden dat die stukken (afgezien van hetgeen hierna onder 5.2.3 wordt besproken) de Inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan.
5.2.3.
Voor zover belanghebbende stelt dat de gegevens die van hem zijn of waren opgenomen in de databank FSV (zie 2.25 en 2.26) tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren omdat deze gegevens ten tijde van de aanslagregeling aan de Inspecteur ter beschikking stonden voor inzage voordat in februari 2020 de inzage werd stopgezet, is die stelling juist. De aanslagen zijn echter opgelegd op 11 april 2020 en het bezwaarschrift is ingediend op 28 april 2020. De inzagemogelijkheid voor de Inspecteur was toen al stopgezet. De Inspecteur heeft voorts gesteld dat hij geen informatie van de Minister heeft gekregen over de brieven die aan belanghebbende zijn verzonden met de gegevens van belanghebbende die in de databank FSV zijn of waren opgenomen (zie de in 2.26 genoemde brieven). Belanghebbende heeft het Hof inzicht gegeven in de inhoud van de brieven die de Minister heeft verzonden en waarin is vermeld welke gegevens volgens de Minister van belanghebbende zijn of waren opgenomen in de databank FSV.
5.2.4.
Zoals hiervoor onder 5.1.1 is overwogen, is met artikel 8:42 Awb Pro beoogd dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Die beoordeling dient, als het gaat om de over belanghebbende in de FSV opgenomen gegevens, plaats te vinden volgens de kaders die de Hoge Raad in zijn arrest van 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748 heeft gegeven. De door belanghebbende en de Inspecteur overgelegde en tot de gedingstukken behorende gegevens bieden daartoe voldoende grondslag. Om die reden zullen aan het verzuim van de Inspecteur met toepassing van artikel 8:31 Awb Pro geen gevolgen worden verbonden.
Schending hoorplicht
5.3.1.
Bij brieven van 31 juli 2020, 13 augustus 2020 en 2 december 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende om informatie gevraagd over de door hem in aftrek gebrachte bedragen en waarderingsmethode van de panden in box 3 en heeft hij hem gevraagd een voorstel te doen voor het voeren van een hoorgesprek. De eerste brief heeft belanghebbende niet inhoudelijk beantwoord, de tweede brief heeft hij als niet verzonden beschouwd en de derde brief heeft hij pas inhoudelijk beantwoord door na de datum voor beantwoording een nieuwe aangifte in te dienen. Belanghebbende heeft geen voorstel gedaan voor een datum voor een hoorgesprek. Belanghebbende heeft slechts een of meerdere klachten ingediend tegen de Inspecteur die ongegrond zijn verklaard.
5.3.2.
De Inspecteur heeft belanghebbende echter geen uitnodiging gezonden met een datum, tijd en plaats voor een hoorgesprek. In zoverre is het hoorrecht geschonden (vgl. HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114, HR 16 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59 en HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:524). In hoger beroep doet zich de vraag voor, nu de feiten in bezwaar niet vaststonden en belanghebbende in hoger beroep nogmaals erop heeft gewezen dat het hoorrecht is geschonden, welke gevolgen aan deze schending zijn te verbinden. In dit stadium van het geding is het echter niet meer geraden om de zaken terug te wijzen naar de Inspecteur voor het alsnog houden van een hoorgesprek dan wel hangende het hoger beroep het houden van een hoorgesprek te gelasten. De volgende omstandigheden zijn daarvoor van belang. De bezwaarfase (zie 2.12 tot en met 2.14) is voorbijgegaan zonder dat een inhoudelijke reactie van belanghebbende is gevolgd op de herhaalde verzoeken van de Inspecteur om informatie te verstrekken en een voorstel te doen voor het voeren van een hoorgesprek. Belanghebbende heeft in beroep en hoger beroep tijdens de zittingen de gelegenheid gehad zijn grieven mondeling toe te lichten. Hij heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep de gelegenheid gehad zijn zienswijze kenbaar te maken alsmede bewijsstukken in te dienen (onder meer van de door hem in aftrek gebrachte bedragen). Belanghebbende heeft op 24 maart 2025 inzage gehad in het dossier IB/PVV 2016 en Zvw 2016 bij de Inspecteur en de Inspecteur heeft belanghebbende laten zien wat de uitworpredenen waren voor de aangifte voor dat jaar. De gemachtigde heeft ter zitting in hoger beroep aangedrongen op een allesomvattend gesprek met als mogelijk doel alle geschilpunten definitief tot een einde te brengen. Het Hof heeft partijen aan het eind van de zitting in de gelegenheid gesteld om gedurende drie maanden met elkaar in overleg te treden om zo met elkaar een en ander, waaronder de grieven van belanghebbende, te bespreken om te bezien of zij tot een oplossing kunnen komen. Niet is gebleken dat vervolgens enig gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden is van het houden van een hoorgesprek, gelet op de tussen partijen bestaande verhoudingen, in het geheel niets te verwachten. Derhalve is het, gelet op deze uitzonderlijke omstandigheden, volstrekt niet zinvol de Inspecteur thans nog op te dragen een hoorgesprek met belanghebbende te houden en zal met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro aan de schending van de hoorplicht voorbij worden gegaan.
Afschrijvingskosten gebouwen
5.4.1.
In de aangifte van belanghebbende van 7 januari 2021 is een bedrag aan afschrijvingskosten voor gebouwen van € 6.375 aangegeven. Belanghebbende beroept zich op het rechtszekerheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel en is van mening dat een afschrijvingspercentage van 3% een bepleitbare en consistente gedragslijn is.
5.4.2.
De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat het pand bij de ingebruikname in 2009 in de aangifte 2009 IB/PVV een aanschafwaarde had van € 212.000 en een restwaarde van € 200.000, met een afschrijvingspercentage van 1,5%. Hieruit volgt een jaarlijkse afschrijving van € 180. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat dient te worden afgeweken van de gekozen gedragslijn in de aangifte IB/PVV 2009.
Autokosten, onderhoudskosten en verkoopkosten
5.5.
Aangezien de stelplicht en bewijslast voor de kosten op belanghebbende rusten, dient belanghebbende aannemelijk te maken dat de in aftrek gebrachte kosten zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming. Belanghebbende voert onder meer aan dat er kosten moeten worden gemaakt om een bepaalde mate van omzet te kunnen realiseren. Buiten algemene veronderstellingen en schattingen heeft belanghebbende geen bewijsstukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat de aangevoerde kosten door belanghebbende zijn gemaakt in het kader van zijn onderneming.
Huisvestingskosten
5.6.
De Rechtbank heeft de huisvestingskosten vastgesteld op een bedrag van € 11.613. In de aangifte van belanghebbende van 7 januari 2021 is een bedrag aan huisvestingskosten van € 11.669 opgenomen. In het nadere stuk van belanghebbende van 23 november 2024, stelt belanghebbende dat een nader bedrag van € 975 in aftrek moet worden gebracht wegens de huur van een kantoor in [buitenlandse plaats] . Eerder zijn deze kosten door belanghebbende aangemerkt als verkoopkosten. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat deze kosten ten laste van de winst kunnen worden gebracht. Het betoog van belanghebbende treft geen doel.
Urencriterium
5.7.
Aan de hand van documenten vanuit de opdrachtgevers van belanghebbende, heeft belanghebbende getracht te onderbouwen dat hij voldoet aan het urencriterium. De documenten bevatten echter geen daadwerkelijke specificatie van de uren die zijn besteed aan ondernemingsactiviteiten. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, nu geen urenadministratie of andere bewijsmiddelen zijn overgelegd waaruit de gestelde bestede uren kunnen worden afgeleid, belanghebbende de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet heeft kunnen weerleggen.
Zorgkosten
5.8.1
Op grond van artikel 6.17, lid 1, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn aftrekbaar uitgaven voor genees- en heelkundige hulp. Belanghebbende heeft om aftrek verzocht van € 1.140 aan zorgkosten. De uitgaven hebben betrekking op bezoeken aan een psycholoog. Gelet op hetgeen in het nader stuk van 23 november 2024 is vermeld is aannemelijk dat de zorgverzekeraar deze kosten niet heeft vergoed.
5.8.2.
Volgens vaste jurisprudentie is alleen sprake van geneeskundige hulp en is aftrek van de kosten van een psycholoog alleen mogelijk als de behandeling geschiedt op voorschrift van en/of onder begeleiding van een naar Nederlandse begrippen als genees- en heelkundige aan te merken hulpverlener (HR 22 oktober 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9872, BNB 1980/319). Gesteld noch gebleken is dat de psycholoog die belanghebbende heeft bezocht BIG-geregistreerd is. Belanghebbende heeft geen gegevens overgelegd waaruit volgt dat de bezoeken geschiedden op grond van bedoeld medisch voorschrift en/of onder genoemde begeleiding. De kosten kunnen daarom niet in aftrek worden gebracht.
Box 3
5.9.1.
Belanghebbende en de Inspecteur verschillen van mening over de waarde van de onroerende zaken die behoren tot de grondslag van box 3. De panden [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] behoren tot de grondslag voor box 3.
5.9.2.
Op grond van artikel 5.20, lid 4, Wet IB 2001 kan de waardering van andere dan eigen woningen worden verminderd in het geval van erfpacht, mits de canon jaarlijks verschuldigd is. Uit de notariële akten die belanghebbende heeft overgelegd blijkt dat de canon voor 50 jaar is afgekocht, zodat derhalve geen vermindering plaatsvindt, ongeacht de mogelijke boekhoudkundige verwerking van de canon.
5.9.3.
Voor het pand aan de [adres 4] heeft belanghebbende, onder meer aan de hand van een verklaring van de huurder alsmede een energiecontract, voldoende aannemelijk gemaakt dat het pand in 2016 is verhuurd. Voor de overige panden is dit niet voldoende aannemelijk gemaakt.
5.9.4.
Gezien het in 5.9.2 en 5.9.3 overwogene is er geen aanleiding voor een hogere correctie dan 15% op de waarde die is voorgesteld door de Inspecteur.
5.9.5.
Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat bij de aanslagregeling voor een eerder jaar de Inspecteur de door belanghebbende toegepaste correcties voor erfpacht alsmede de door belanghebbende toegepaste correctie van 38% voor verhuur zonder meer zou hebben aanvaard dan wel in het algemeen bij andere belastingplichtigen een hogere aftrek zou aanvaarden, heeft hij die stelling niet met enig bewijs onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439). Voor in rechte te beschermen vertrouwen is derhalve meer vereist dan de enkele door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de Inspecteur bij het regelen van een aantal primitieve aanslagen IB/PVV de aangiften heeft gevolgd; nodig zijn een of meer andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling van de aanslagen berustte op een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur (zie HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, BNB 2023/40, r.o. 3.2.1). Belanghebbende heeft zulke omstandigheden niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.
5.9.6.
De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de waarde van de onroerende zaken dient te worden vastgesteld op (€ 773.000 x 85%=) € 657.050. Rekening houdend met de overige vermogensbestanddelen in box 3 bedraagt de waarde van de bezittingen van belanghebbende voor het jaar 2016 (€ 9 + € 308 + € 10.541=) € 667.908. In zijn aangifte van 7 januari 2021 heeft belanghebbende een bedrag aan schulden opgevoerd van € 485.859, wat gelijk is aan het standpunt van de Inspecteur. De Rechtbank is ervan uitgegaan dat dit bedrag tussen partijen niet meer in geschil is. In hoger beroep zijn partijen tegen dat oordeel niet opgekomen en evenmin tegen de conclusie van de Rechtbank dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 6.184 bedraagt.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
5.10.
Belanghebbende verzoekt het Hof om aan de hand van alle gedingstukken te beoordelen of er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de Inspecteur. Voor zover hier al sprake is van een grief dient die te worden verworpen, aangezien belanghebbende niet heeft aangeduid waarin de kennelijk door hem vermoede schendingen bestaan, zodat de grief feitelijke grondslag ontbeert.
FSV
5.11.1.
Vooropgesteld wordt dat, indien een belastingplichtige in zijn aangifte een aftrekpost opvoert dan wel een bepaalde waardering toepast en bij de aanslagregeling wordt geconstateerd dat hij op die aftrek (gedeeltelijk) geen recht heeft, of deze waardering niet juist is, het niet onrechtmatig is indien de inspecteur besluit om een en ander in een databank op te nemen en op basis van die gegevens wordt besloten de aangiften van de belastingplichtige over latere jaren te gaan controleren. Dit is zelfs het geval indien de gegevensverwerking in die databank op zichzelf beschouwd onrechtmatig is (HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, overweging 5.3, eerste alinea).
5.11.2.
Het bovenstaande kan anders zijn indien de controle van de aangifte voortvloeit uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat jegens de belastingplichtige leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. Als dat het geval is, kan dat betekenen dat de controle van de aangifte van de belastingplichtige heeft plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van hetgeen bij die controle aan het licht is gekomen onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In dat uitzonderlijke geval komt aan de inspecteur niet de bevoegdheid toe om de aangifte van de belastingplichtige te corrigeren naar aanleiding van die bij de controle aan het licht gekomen punten (overweging 5.3, tweede alinea van het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad).
5.11.3
Het hiervoor genoemde uitzonderlijke geval doet zich hier niet voor. Uit de door belanghebbende overgelegde informatie (zie 2.25 en 2.26) blijkt dat de naam van belanghebbende, het BSN-nummer, een bankrekeningnummer, een postbusadres en een adres van belanghebbende zijn of waren opgenomen in de databank FSV. Er is geen nationaliteit van belanghebbende opgenomen, laat staan een dubbele nationaliteit zodat belanghebbendes stelling onjuist is. Uit de aanwezige informatie blijkt, anders dan belanghebbende stelt, dat in de FSV met betrekking tot belanghebbende geen informatie is opgenomen over zijn afkomst of nationaliteit, dan wel andere informatie die leidt tot een schending van zijn grondrechten. De rechtmatigheid van de controle door de Inspecteur wordt derhalve niet aangetast omdat gebruik zou zijn gemaakt van een databank waarin (met betrekking tot belanghebbende) dergelijke gegevens zijn opgenomen.
5.11.4.
Belanghebbende heeft op 24 maart 2025 inzage gehad in de uitworpredenen van de aangiften IB/PVV 2016 en Zvw 2016. Op grond van de brief van 24 maart 2025 en de daarbij overgelegde schermafdruk met uitworpredenen uit het systeem van de Belastingdienst is aannemelijk dat de aangifte is uitgeworpen wegens a) een verschil tussen de waarde van de daarin opgenomen bezittingen en de gemeentelijke renseignementen van WOZ-waarden, b) een eerdere discussie voor de omzetbelasting over het zakelijke gebruik van het bedrijfspand en c) het feit dat belanghebbende ondernemer binnen het klantsegment MKB was.
5.11.5.
Op basis daarvan is aannemelijk dat de controle van de aangiften IB/PVV 2016 niet is voortgevloeid uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat jegens belanghebbende leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. De uitworp van belanghebbendes aangiften IB/PVV 2016 en Zvw 2016 leidt dan ook niet tot het oordeel dat de controle van de aangiften van belanghebbende heeft plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat de aanslagen moeten worden vernietigd. De enkele omstandigheid dat gegevens van belanghebbende zijn opgenomen in de databank FSV, leidt op zichzelf niet tot een vermindering of vernietiging van de aanslagen (vgl. HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748 en HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:14). De blote stelling van belanghebbende dat later bekend is geworden dat in de databank FSV een oude registratie is overgenomen die inhoudt dat in het verleden sprake zou zijn geweest van aangiftefraude maakt – zo zij al aannemelijk zou zijn – dit oordeel niet anders. Daaruit volgt immers evenmin dat op enig moment een criterium is aangelegd dat jegens belanghebbende leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. Het is bovendien de taak van de Inspecteur om zo nodig aangiftes aan een inhoudelijk onderzoek te onderwerpen en hij hoeft zich bij dat onderzoek niet te beperken tot de uitworpredenen, zelfs al zou de registratie in FSV over aangiftefraude in een bepaald jaar niet juist zijn geweest.
5.11.6.
Gelet op het vorenoverwogene is er geen aanleiding te oordelen dat tijdens het onderzoek van de aangifte IB/PVV 2016 en Zvw 2016 door de Inspecteur niet is gehandeld overeenkomstig hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, laat staan dat hier sprake zou zijn van de door de Hoge Raad in de in 5.11.5 genoemde arresten genoemde situatie waarin is gehandeld op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van de resultaten van het onderzoek van de aangiften onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
5.11.7.
Overigens kan het enkele feit dat gegevens van de belastingplichtige worden opgeslagen in een bestand, dat vervolgens een rol speelt bij de selectie van diens aangifte voor controle, op zichzelf bezien niet leiden tot een vermindering van de aanslag of toekenning van een schadevergoeding, zelfs indien de gegevensverwerking in dat bestand op zichzelf beschouwd onrechtmatig is (vgl. HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, r.o. 5.3).
Immateriële schadevergoeding
5.12.1.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5.12.2.
Het verzoek is voor het eerst in hoger beroep gedaan. In een dergelijk geval moet de periode vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur tot de uitspraak van het Hof als één geheel worden bezien. Voor de berechting van een zaak in bezwaar, beroep en hoger beroep is op grond van vaste rechtspraak (vergelijk HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562, BNB 2015/43 en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140) in beginsel een duur van vier jaar redelijk. Belanghebbende heeft op 28 april 2020 bezwaar gemaakt tegen de onderhavige aanslag. Tussen de datum van het bezwaarschrift en het moment dat het Hof uitspraak zou doen op 21 oktober 2025 is de redelijke termijn met een jaar en afgerond zes maanden overschreden, hetgeen betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 1.500. Het feit dat belanghebbende in de aankondiging van de uitspraak per brief - zulks in overeenstemming met hetgeen bij de sluiting van het onderzoek ter zitting reeds was aangezegd - aanleiding heeft gezien enige dagen voor de aanvang van een nieuwe zesmaandstermijn (opnieuw) een wrakingsverzoek te doen, vormt een bijzondere omstandigheid die aanleiding vormt de redelijke termijn in dit geval te verlengen met het tijdsverloop dat met de behandeling van dat wrakingsverzoek gemoeid was.
5.12.3.
De overschrijding van de redelijke termijn dient gedeeltelijk te worden toegerekend aan de bezwaarfase (3 maanden) en de overige maanden aan de beroepsfase en de hoger beroepsfase. Daarom zal de Inspecteur worden veroordeeld tot vergoeding van € 250 en de Rechtspraak (de Staat, de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van een bedrag van € 1.250.
5.12.4.
Voor zover belanghebbende verzoekt om andere vormen van schadevergoeding wijst het Hof dit verzoek af, reeds omdat een deugdelijke onderbouwing van de schade en het vereiste verband met de voorliggende besluiten ontbreekt.
Slotsom
5.13.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Gelet op al het vorenoverwogene is er aanleiding de Inspecteur en de Staat, de minister van Justitie en Veiligheid, te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep, welke op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Besluit proceskosten en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld, op:
- Reiskosten van belanghebbende per openbaar vervoer voor de zitting van 4 december 2024, de zitting van 20 maart 2025, de inzage bij het Hof op 23 juni 2025 en de zitting van 15 juli 2025: 8 x € 8,30 en de inzage bij de Belastingdienst 2 x € 2,80, is € 72.
- Verletkosten. Belanghebbende gaat uit van 7 uren per zitting waarvan 3 uren reistijd en zitting en 4 uren voorbereiding maal een tarief van € 106. Belanghebbende heeft echter zijn voorbereidingswerkzaamheden onvoldoende gespecificeerd om te kunnen vaststellen dat sprake is van tijdverzuim waarvoor ingevolge het Besluit verletkosten kunnen worden toegekend, aangezien het lezen van stukken daaronder bijvoorbeeld niet valt (vgl. HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2082). Inzake het te hanteren tarief is door belanghebbende geen onderbouwing verstrekt. Het Hof acht een tarief van € 50 per uur redelijk gelet op de door belanghebbende in zijn aangifte vermelde omzet voor 2016.
Het Hof stelt de te vergoeden verletkosten daarom vast op: drie uren x € 50, is € 150 per zitting alsmede drie uren x € 50 voor de inzage bij de Belastingdienst en twee uren x € 50 voor inzage bij het Hof, in totaal € 700.
- Voor de bijstand door de heer Jonkman kan geen proceskostenvergoeding volgens het puntensysteem worden toegekend, omdat hij ter zitting bij de Rechtbank heeft verklaard dat hij zich niet beroepsmatig bezig houdt met het verlenen van rechtsbijstand en een dergelijke proceskostenvergoeding tot slechts die vorm van rechtsbijstand is beperkt. Hij is ook niet aan te merken als een deskundige. Voor het vergoeden van verletkosten dient enig inzicht te bestaan in gemiste omzet dan wel het loon dat wordt gemist (bijvoorbeeld een salarisspecificatie of een factuur). Die gegevens zijn voor wat betreft de heer Jonkman niet voorhanden. Wel zal een vergoeding voor reiskosten per openbaar vervoer worden toegekend voor de zitting van 4 december 2024, de zitting van 20 maart 2025 en de zitting van 15 juli 2025: 6 x € 2,24 en de inzage bij de Belastingdienst 2 x € 6,90, is € 27,24.
6.2.
Mede gelet op het door de Hoge Raad in zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2 geformuleerde overgangsrecht dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 136 te worden vergoed.
6.3.
Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de Inspecteur als aan de rechtspraak is toe te rekenen, zal de vergoeding van deze bedragen deels moeten plaatsvinden door de Inspecteur en deels door de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie), waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt (zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2).

Beslissing

Het Gerechtshof:
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, tot een gedeelte van € 1.250;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, tot een gedeelte van op € 400;
- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, tot een gedeelte van € 250;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, tot een gedeelte van € 400;
- gelast de Inspecteur en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden, elk voor een bedrag van € 68.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, T.A. de Hek en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De uitspraak is bij afwezigheid van mr. Vonk ondertekend door mr. De Hek.
De griffier, de voorzitter,
Y. Postema T.A. de Hek
De beslissing is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.