Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1924

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
22-002905-21
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 189 SrArt. 225 SrArt. 420bis SrArt. 420ter SrArt. 420quater Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak witwassen en veroordeling voor valsheid in geschrift en deelname criminele organisatie in Ennetcom-zaak

De zaak betreft hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam in de Ennetcom-zaak, waarin de verdachte werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie, witwassen, valsheid in geschrift en het vernietigen van bewijs. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte vrijgesproken van het witwassen en het vernietigen van bewijs, omdat niet kon worden vastgesteld dat de gewiste berichten verband hielden met reeds gepleegde misdrijven en het berichtenverkeer zich niet leent voor inbeslagneming.

Wel is de verdachte veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie gericht op valsheid in geschrift en voor het medeplegen van valsheid in geschrift door het opmaken van valse facturen om omzet buiten de boekhouding te houden. De straf is bepaald op een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 1 jaar, mede vanwege een ernstige overschrijding van de redelijke termijn van bijna vier jaar.

Het hof heeft uitgebreid de formele verweren besproken, waaronder de volledigheid van het dossier, het gelijkheidsbeginsel, de rechtmatigheid van het rechtshulpverzoek aan Canada en de verwerking van de Ennetcomdata. Hoewel sprake was van een onherstelbaar vormverzuim wegens het ontbreken van een rechterlijke machtiging voor het verkrijgen van de Ennetcomdata, heeft het hof geen aanleiding gezien tot niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting of strafvermindering. De verdachte is niet in haar belangen geschaad.

De bewijsvoering toont aan dat de verdachte bewust valse facturen opmaakte en een schaduwadministratie bijhield om omzet te verbergen, en daarmee deelnam aan een criminele organisatie. Het hof verwierp het standpunt dat Ennetcom witwaspraktijken faciliteerde via de omzet, omdat niet kon worden vastgesteld dat de betalingen afkomstig waren uit enig misdrijf. De strafrechtelijke beoordeling en motivering zijn uitvoerig toegelicht, evenals de toepassing van internationale verdragen en het EVRM.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van witwassen en vernietiging bewijs, veroordeeld tot 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf voor deelname criminele organisatie en valsheid in geschrift.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002905-21
Parketnummer: 10-960008-18
Datum uitspraak: 11 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1984,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 19 april 2016 in Nijmegen en/of Arnhem en/of [plaats] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) , althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het
- nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt (WvSr 189 lid 1 sub 2) en/of,
- opzettelijk voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e aan te tonen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, verbergt, vernietigt, wegmaakt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt, dan wel door het opzettelijk verstrekken van gegevens of inlichtingen aan derden die inbeslagneming belet, belemmert of verijdelt (WvSr artikel 189 lid 1 sub Pro 3) en/of
- witwassen (WvSr 420bis en/of 420ter en/of 420quater);
- valselijk opmaken of vervalsen van enig geschrift dat is bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken (WvSr 225 lid 1 en/of 225 lid 2).
2.
Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 19 april 2016 in Nijmegen en/of Arnhem en/of [plaats] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (o.a. [medeverdachte hierna bedrijf 1] ( [KvK nummer 1] ) en/of [bedrijf 2] ( [KvK nummer 2] )) en/of [bedrijf 3] ), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
één of meer (kopieën van) facturen, te weten:
-Factuur van [bedrijf 1] met nummer [factuurnummer 1] , met factuurdatum 20 december 2015,
-Factuur van [bedrijf 3] met nummer [factuurnummer 2] , factuurdatum 4 januari 2016,
-Factuur van [bedrijf 1] met nummer [factuurnummer 3] , met factuurdatum 11 oktober 2015,
en/of
-één of meer opgave(s) omzetbelasting over periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 (op naam van) van [bedrijf 1] ,
(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst,
immers heeft/hebben zij en/of haar mededaders,
(telkens) valselijk op/in die factuur/facturen en/of opgave(s) omzetbelasting onjuist(e) (geld)bedragen en/of geleverde aantallen goederen en/of omzet vermeld en/of doen vermelden,
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 19 april 2016 in Nijmegen en/of Arnhem en/of [plaats] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (o.a. [bedrijf 1] ( [KvK nummer 1] ) en/of [bedrijf 2] ( [KvK nummer 2] )) en/of [bedrijf 3] ), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk,
heeft/hebben gebruikt en/of heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben doen afleveren en/of voorhanden heeft gehad (telkens),
één of meer (kopieën van) facturen, te weten:
-Factuur van [bedrijf 1] met nummer [factuurnummer 1] , met factuurdatum 20 december 2015,
-Factuur van [bedrijf 3] met nummer [factuurnummer 2] , factuurdatum 4 januari 2016,
-Factuur van [bedrijf 1] met nummer [factuurnummer 3] , met factuurdatum 11 oktober 2015,
en/of
-één of meer opgave(s) omzetbelasting over periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 van [bedrijf 1] ,
zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen,
terwijl zij wist(en) en/althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift/geschriften bestemd is/zijn voor gebruik, als ware(n) dit/deze echt en onvervalst,
bestaande dat gebruik en/of afleveren en/of voorhanden hebben hierin dat [bedrijf 4] ( [KvK nummer 3] ) en/of [bedrijf 1] ( [KvK nummer 1] ) en/of [bedrijf 2] ( [KvK nummer 2] ) en/of [bedrijf 5] ( [KvK nummer 4] ) en/of [bedrijf 3] en/of zijn mededader(s) voornoemde factu(u)r(en) heeft/hebben gebruikt en/of voorhanden heeft/hebben gehad voor het doen van (een) opgave(s) omzetbelasting bij de Belastingdienst en/of (die) opgave(s) omzetbelasting heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben doen afleveren aan/bij ((een) medewerker(s) van) de Belastingdienst,
bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) in/van één of meer van voormelde geschriften (telkens) hierin – zakelijk weergegeven –
(telkens) valselijk op/in die factuur/facturen en/of opgave(s) omzetbelasting onjuist(e) (geld)bedragen en/of geleverde aantallen goederen en/of omzet zijn vermeld en/of doen worden vermelden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Inleiding

De verdachte was werkzaam bij de medeverdachte [bedrijf 1] (Ennetcom), waarvan de medeverdachte [medeverdachte] (via een holding) bestuurder en aandeelhouder was. De medeverdachte was daarnaast bestuurder en aandeelhouder van een aantal andere rechtspersonen in het binnen- en buitenland, waaronder [bedrijf 3] , gevestigd in Dubai.
Ennetcom verkocht BlackBerry’s, waarmee versleutelde e-mailberichten konden worden verzonden via PGP- en S/MIME-versleuteling, inclusief bijbehorende simkaarten waarmee deze toestellen (gedurende een beperkte periode) gebruikt konden worden. De meeste (reguliere) functies op deze telefoons – zoals de camera, de microfoon en de bel- en sms-functie – waren uitgeschakeld. De berichten werden na 24 dan wel 48 uur automatisch gewist en daarnaast kon men de helpdesk van Ennetcom de inhoud van de telefoon laten wissen ('wipen'). De verzonden e-mailberichten werden omgeleid via een server (Blackberry Enterprise Server, hierna: BES), die fysiek bij een bedrijf in Toronto (Canada) was ondergebracht. Voor de verkoop van deze telefoons en de daarbij behorende simkaarten maakte Ennetcom gebruik van een netwerk van resellers.
Op 16 april 2016 zijn de data op de BES door de Canadese politie (op basis van een rechtshulpverzoek vanuit Nederland) gekopieerd. Bij analyse van de data bleek deze 3,7 miljoen berichten en notities te bevatten. Daarnaast bevatte de server de private sleutels van de gebruikers van Ennetcom-toestellen (hierna: de gebruikers), zodat de politie berichten en notities kon ontsleutelen en kennis kon nemen van de inhoud daarvan.
De verdachte wordt verweten dat zij deelnam aan een criminele organisatie die als oogmerk had om de omzet van Ennetcom wit te wassen, (daartoe) valsheid in geschrifte pleegde en ten doel had eventueel bewijs van strafbare feiten weg te maken door de zogenoemde wipe-verzoeken.

Bespreking van de formele verweren

Verweren die zien op de volledigheid van het strafdossier in hoger beroep
Procesgang
Op 5 november 2024 is de inhoudelijke behandeling van de zaak van verdachte aangevangen met de feitenbehandeling en bespreking van de persoonlijke omstandigheden. Op diezelfde dag heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Op 6 november 2024 heeft de raadsman van de verdachte gepleit. De zitting zou op 26 november 2024 worden voortgezet met het (resterende) pleidooi van de raadsman van de medeverdachten.
Voorafgaand aan die zitting heeft het hof op 21 november 2024 een e-mail van de advocaat-generaal ontvangen, met daarbij gevoegd een aanvullend proces-verbaal met het nummer [nummer proces-verbaal 1] , alsmede de benamingen van een 6-tal andere stukken, waarvan de advocaat-generaal niet kon vaststellen dat deze zich in het strafdossier bevonden.
Deze correspondentie is ter zitting van 26 november 2024 besproken. De discussie ter zitting heeft het hof niet de overtuiging gegeven dat het hof beschikte over het volledige dossier. De behandeling van de zaak is derhalve aangehouden om een inventarisatie van het dossier te maken. In mei en augustus van 2025 en februari 2026 hebben zogenoemde regiezittingen plaatsgevonden om de volledigheid van het dossier te bespreken.
Het hof heeft het als onderdeel hiervan volledige dossier waar het hof de beschikking over heeft op een USB-stick aan procespartijen verstrekt. De raadsman van de medeverdachte heeft op de zitting van 4 februari 2026 kenbaar gemaakt dat hij steekproefsgewijs tot de conclusie is gekomen dat hij over meer stukken beschikt dan zich op de USB-stick bevinden, en dat het strafdossier derhalve niet gelijk is aan dat van de verdediging. De raadsman van de verdachte heeft zich aangesloten bij deze constatering.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft, zakelijk weergegeven en in navolging van het standpunt van de raadsman van de medeverdachten, aangevoerd dat gelet op deze gang van zaken niet langer is vast te stellen dat de rechtbank haar vonnis heeft gewezen op basis van hetzelfde dossier dat nu aan het hof voorligt. Deze vaststelling brengt met zich dat de verdachte geen volledige heroverweging in een tweede feitelijke instantie kan worden geboden. De procedure in zijn geheel genomen schiet daarmee zodanig tekort dat niet van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro kan worden gesproken, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dient te volgen.
Beoordeling
Het hof stelt voorop dat het ongebruikelijk noch onacceptabel is dat het dossier in eerste aanleg afwijkt van het dossier in hoger beroep. Regelmatig is in strafzaken sprake van aanvulling van het dossier in hoger beroep. Ook komt het voor dat de rechtbank de beschikking heeft gehad over stukken of informatie, waarover het hof in hoger beroep geen beschikking heeft. Daarbij valt te denken aan camerabeelden. Voorts doet zich vaker een situatie voor waarin niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het dossier van het hof in alle opzichten gelijk is aan het dossier in eerste aanleg, simpelweg omdat de dossierinhoud voor het wijzen van een vonnis doorgaans niet op uitputtende wijze (kenbaar) wordt gecatalogiseerd. Er kan daardoor enkel op basis van inhoudsopgaven, processen-verbaal en het uiteindelijke vonnis een reconstructie worden gemaakt van de dossierinhoud in eerste aanleg, zoals dat ook in onderhavige zaak is gebeurd. Slechts bij hoge uitzondering wordt dit geproblematiseerd.
Het hof kan niet zonder meer vast stellen dat het dossier in eerste aanleg niet méér stukken bevatte dan het dossier in hoger beroep. Er zijn echter ook geen concrete aanwijzingen dat deze dossiers in wezenlijke mate van elkaar verschillen. De verdediging van de medeverdachten heeft gesteld bij een steekproef in het eigen dossier meer stukken te hebben aangetroffen dan die opgenomen zijn op de door het hof aan haar verstrekte USB-stick, maar er is ten aanzien van deze - niet nader gespecificeerde - stukken gesteld noch gebleken dat deze van het procesdossier in eerste aanleg deel uitmaakten. De stukken die bijvoorbeeld in eerste aanleg door het openbaar ministerie aan raadslieden zijn verstrekt, maken immers niet per definitie deel uit van het strafdossier. Als de raadsman beschikt over meer stukken dan het hof, betekent dat derhalve geenszins dat de rechtbank eveneens de beschikking over deze stukken heeft gehad.
Het hof heeft door een USB-stick samen te stellen met de volledige inhoud van het dossier waarover het hof beschikt, inzichtelijk gemaakt op basis waarvan het hof de zaak zal gaan afdoen. Zowel de verdediging als het openbaar ministerie zijn in de gelegenheid gesteld om voeging van stukken te verzoeken die mogelijk ontbraken, alsmede te betwisten dat de op de USB-stick opgenomen stukken deel uitmaakten van het dossier (in eerste aanleg). Het openbaar ministerie heeft daar gebruik van gemaakt door voeging van een aantal stukken te verzoeken, waarop het hof heeft beslist. De verdediging heeft een dergelijk verzoek niet gedaan.
De stelling van de verdediging dat onduidelijkheid over de omvang en samenstelling van het dossier (in vergelijking met het dossier waarover de rechtbank beschikte) dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dan wel terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, vindt geen steun in het recht.
Het hof stelt voorts vast dat er -waar het gaat om de samenstelling van het dossier - ook niet op andere wijze inbreuk is gemaakt op het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Door de hiervoor genoemde aanhouding, inventarisatie en verstrekking van alle stukken aan beide procespartijen is naar het oordeel van het hof wel degelijk sprake van een procedure die (in zijn geheel) aangemerkt kan worden als eerlijk in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Het verweer wordt verworpen.
Beroep op het gelijkheidsbeginsel
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen - op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Hiertoe heeft de verdediging - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het openbaar ministerie kennelijk naar willekeur de ene persoon in het kader van onderzoek 26DeVink wel vervolgt, terwijl anderen buiten schot blijven, terwijl deze zich in een sterk vergelijkbare positie bevinden. Met andere woorden: er is sprake van een zodanig aperte onevenredigheid in vervolgingsbeslissingen dat de vervolging van de verdachte onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder het verbod van willekeur, aldus de verdediging.
Het hof stelt voorop dat in artikel 167 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang kan zijn gediend. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Volgens de Hoge Raad strekt de jurisprudentie met betrekking tot de in artikel 167 lid 1 Sv Pro neergelegde bevoegdheid ertoe dat, indien het openbaar ministerie met de beslissing tot (voortzetting van de) vervolging een zaak ter beoordeling aan de rechter heeft voorgelegd, alleen uitzonderlijke met die vervolgingsbeslissing samenhangende omstandigheden beletten dat de rechter een inhoudelijk oordeel velt over de in de tenlastelegging vervatte beschuldiging door de beraadslaging over de in artikel 350 Sv Pro genoemde vragen.
Het hof is van oordeel dat op basis van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet (voldoende) aannemelijk is geworden dat sprake is van zodanige gelijkenis van de zaken en/of rol van andere (voormalige) werknemers van Ennetcom dan wel andere betrokkenen enerzijds en de zaak van de verdachte anderzijds op het punt van haalbaarheid en van opportuniteit dat daaruit de conclusie moet worden getrokken dat in het onderhavige geval het verbod van willekeur (dan wel het gelijkheidsbeginsel) is geschonden omdat de verdachte vervolgd is en anderen niet. De vervolgingsbeslissingen zijn in het licht van het opportuniteitsbeginsel en de daarmee samenhangende discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie ook niet onbegrijpelijk. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aannemelijk geworden. In het bijzonder acht het hof niet aannemelijk geworden dat een of meer anderen - mede in het licht van de aan de verdachte gemaakte verwijten - in relatie tot de activiteiten van Ennetcom een in hoge mate vergelijkbare betrokkenheid hebben gehad als de verdachte.
Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gezegd dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot de bestreden vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.
Het hof verwerpt het verweer.
Verweren inzake vormverzuimen
Naast bovenstaand verweer ten aanzien van het dossier zijn er door de verdediging van de medeverdachten op verschillende punten verweren gevoerd die volgens de raadsman van de medeverdachten tot de conclusie moeten leiden dat in diverse stadia van het strafrechtelijk onderzoek vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv zijn begaan. Deze vormverzuimen zouden volgens hem primair tot de slotsom moeten leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, subsidiair dat algehele bewijsuitsluiting moet volgen, meer subsidiair dat onderzoeksresultaten afkomstig uit de middels het rechtshulpverzoek uit Canada verkregen data (hierna: de Ennetcomdata) worden uitgesloten van het bewijs en meest subsidiair dat er nihilstelling van de straf volgt. De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat deze vormverzuimen, en de daaraan te verbinden gevolgen, onverkort in de zaak van de verdachte doorwerken.
Voordat het hof toekomt aan de bespreking van de verweren, zal eerst het
juridisch kader van artikel 359a Sv worden uiteengezet.
Juridisch kader artikel 359a Sv
Het hof stelt voorop dat toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot
onherstelbare vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake het aan hem ten laste gelegde feit. De Hoge Raad heeft bepaald dat onder omstandigheden ook buiten de gevallen van artikel 359a Sv (dus buiten het voorbereidend onderzoek en/of buiten het onderzoek tegen deze verdachte) een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als dit een onrechtmatige handeling jegens de verdachte oplevert. [1] In dat geval moet het betreffende vormverzuim echter van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte.
Indien binnen deze grenzen sprake is van een vormverzuim en voor zover de
rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg in aanmerking komt.
Beoordelingsfactoren
Bij deze beoordeling zal de rechter rekening dienen te houden met de in het tweede
lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten: het belang dat het geschonden
voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bij de beoordeling van de ernst van het verzuim zijn de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan van belang. Bij de beoordeling van het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt, is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Vaste rechtspraak is tevens dat het belang van de verdachte dat
het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet kan worden aangemerkt als een rechtens te
respecteren belang dat een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv. [2]
Indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, zal 'als regel' geen rechtsgevolg behoeven te worden verbonden aan het vormverzuim. Dit kan onder omstandigheden, zoals hierboven geschetst, anders zijn als er sprake is van een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging.
De vraag of een en zo ja welk rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden
verbonden, dient te worden beoordeeld op grond van een weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
Rechtsgevolgen
Indien de rechter tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de
vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, en dat het verzuim niet zonder consequenties kan blijven, zal hij daaraan een van de in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
Binnen de grenzen die de toepassingsvoorwaarden van artikel 359a Sv stellen, komt
strafvermindering slechts in aanmerking indien aannemelijk is dat
( a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden,
( b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim,
( c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast.
Voor toepassing van bewijsuitsluiting als een op grond van artikel 359a Sv voorzien
rechtsgevolg geldt allereerst de voorwaarde dat het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen. De bewijsverkrijging zal dus het rechtstreeks gevolg van de onrechtmatigheid moeten zijn. De Hoge Raad onderscheidt twee categorieën van bewijsuitsluiting met bijbehorende criteria en motiveringseisen. Ten eerste kan toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast is onder strikte voorwaarden bewijsuitsluiting mogelijk in geval van een ernstige schending van andere (strafvorderlijke) voorschriften of rechtsbeginselen, waarbij de uitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. [3]
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkheid van
het Openbaar Ministerie in de vervolging als een in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat er een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt, dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. [4] Het moet dan gaan om een ernstige, onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het vérstrekkende oordeel kunnen dragen dat
"the proceedings as a whole were not fair".
Overzicht van de verweren met betrekking tot vormverzuimen
Voor de leesbaarheid heeft het hof evenals de rechtbank de door de verdediging gehanteerde indeling grotendeels aangehouden, te weten:
A. Start van het onderzoek,
B. Verkrijging en verwerking van de Ennetcomdata.
De door het hof gehanteerde indeling zal op punten afwijken van zowel die van de verdediging als die van de rechtbank, om tegemoet te komen aan de in hoger beroep gevoerde (nieuwe) verweren, alsmede vanwege het feit dat enkele verweren die in het verlengde van elkaar liggen naar het oordeel van het hof gezamenlijk dienen te worden besproken.
A.
De start van het onderzoek.
Het ontbreken van een grondslag voor een verzoek tot inbeslagname van (computer)data in het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is naar voren gebracht dat er sprake is van een vormverzuim. Door het Nederlandse openbaar ministerie zou onbevoegd in het rechtshulpverzoek aan Canada zijn verzocht om het pand van Bitflow Technologies te doorzoeken en de Ennetcomdata van de aldaar aanwezige server te kopiëren en te verstrekken aan Nederland. Naar mening van de verdediging is het naar de letter van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken niet toegestaan dat computergegevens in beslag worden genomen en uitgeleverd, omdat artikel 10 van Pro dat Verdrag alleen een grondslag biedt voor inbeslagneming en uitlevering van schriftelijke bescheiden en/of voorwerpen.
Dat betekent dat het inleidende rechtshulpverzoek aan Canada in strijd is met het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken. De vergaring van de Ennetcomdata is derhalve onrechtmatig geweest, aldus de verdediging.
Beoordeling
Het hof overweegt als volgt. Door Nederland is ten behoeve van een viertal in Nederland lopende onderzoeken een rechtshulpverzoek ( [kenmerk rechtshulpverzoek] ) aan de Canadese autoriteiten gedaan om de data van het Ennetcom-bedrijf op de Blackberry Enterprise Server (BES)-servers veilig te stellen en alle beschikbare gegevens van deze servers over te dragen aan het Koninkrijk der Nederlanden. Dat verzoek was gebaseerd op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 1 mei 1991), alsmede het tussen Nederland en Canada geldende Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (TOC-verdrag, Palermo, 15 november 2000).
Artikel 2 van Pro het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Den Haag, 1 mei 1991, hierna ook: het Verdrag) luidt:
“1. De Partijen verlenen elkaar, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, wederzijdse rechtshulp in alle aangelegenheden verband houdend met de opsporing, vervolging en bestrijding van strafbare feiten.
2. De rechtshulp omvat, onder meer:
a. het verstrekken van gegevens en voorwerpen;
b. het opsporen van de verblijfplaats en het identificeren van personen en voorwerpen;
c. het onderzoeken van plaatsen;
d. het betekenen van stukken;
e. het horen van getuigen onder ede of belofte en het verkrijgen van ander bewijs;
f. het uitvoeren van verzoeken om huiszoeking en inbeslagneming ter verkrijging van bewijs;
g. het verstrekken van processtukken en andere bescheiden;
h. het ter beschikking stellen van gedetineerden en andere personen om een getuigenverklaring af te leggen of medewerking te verlenen aan onderzoeken; en
i. het opsporen van, beslag leggen op en verbeurd verklaren van de baten van strafbare feiten en andere voorwerpen en de inning van boetes.”
Artikel 3 van Pro het Verdrag luidt:
“Dit Verdrag sluit niet uit dat rechtshulp wordt verleend ingevolge andere overeenkomsten of regelingen tussen de Partijen of ingevolge door hun autoriteiten gevestigde praktijken.”
Artikel 10 van Pro het Verdrag luidt:
“1. De aangezochte Staat geeft, in zoverre zijn wet zulks toelaat, gevolg aan verzoeken om huiszoeking, inbeslagneming of de uitlevering ter inbeslagneming van schriftelijke bescheiden, of voorwerpen en de overdracht van aldus verkregen bewijsmateriaal, of afschriften daarvan, aan de verzoekende Staat, mits blijkens de in het verzoek vermelde gegevens zulke maatregelen krachtens de wet van de aangezochte Staat zouden zijn gerechtvaardigd.
2. De aangezochte Staat verstrekt alle gegevens waarom de verzoekende Staat verzoekt met betrekking tot de uitlevering ter inbeslagneming, huiszoeking en inbeslagneming, met inbegrip van de plaats van inbeslagneming, de omstandigheden van inbeslagneming en de daaropvolgende bewaring van het in beslag genomen of uitgeleverde bewijsmateriaal.
3. De verzoekende Staat voldoet aan alle voorwaarden die door de aangezochte Staat worden gesteld met betrekking tot op grond van dit artikel aan de verzoekende Staat overgedragen voorwerpen.”
Artikel 19 lid 2 van Pro dit Verdrag luidt:
“De Partijen kunnen aanvullende regelingen treffen en praktische maatregelen uitwerken ten einde de toepassing van dit Verdrag te vergemakkelijken.”
Artikelen 2 en 18 leden 1 tot en met 3 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (hierna ook: TOC-verdrag, 15 november 2000) luiden:
Artikel 2
Gebruikte termen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
d. “goederen”: alle soorten activa, stoffelijk of onstoffelijk, roerend of onroerend, tastbaar of ontastbaar, en rechtsbescheiden waaruit rechten op, of andere belangen bij deze activa blijken;
Artikel 18
Wederzijdse rechtshulp
1 De Staten die partij zijn, verlenen elkaar de ruimst mogelijke wederzijdse rechtshulp bij opsporing, vervolging en gerechtelijke procedures met betrekking tot de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen zoals voorzien in artikel 3, en verlenen elkaar wederzijds vergelijkbare hulp indien de verzoekende Staat die partij is redelijke gronden heeft om aan te nemen dat het in artikel 3, eerste lid, onderdeel a of b bedoelde strafbare feit van grensoverschrijdende aard is, alsmede dat de slachtoffers, getuigen, opbrengsten, hulpmiddelen of bewijsstukken van dergelijke strafbare feiten zich bevinden in de aangezochte Staat die partij is en dat een criminele organisatie bij het strafbare feit betrokken is.
2 De wederzijdse rechtshulp wordt verleend in de ruimst mogelijke mate krachtens de relevante wetten, verdragen, overeenkomsten en regelingen van de aangezochte Staat die partij is met betrekking tot opsporing, vervolging en gerechtelijke procedures ten aanzien van de strafbare feiten waarvoor een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld overeenkomstig artikel 10 van Pro dit Verdrag in de verzoekende Staat die partij is.
3 De wederzijdse rechtshulp die moet worden verleend overeenkomstig dit artikel kan worden verzocht voor elk van de volgende doeleinden:
a. het opmaken van getuigenissen en verklaringen van personen;
b. het betekenen van gerechtelijke documenten;
c. het uitvoeren van huiszoekingen en inbeslagnemingen, alsmede bevriezing;
d. de opsporingen van goederen en terreinen;
e. het verschaffen van informatie, stukken van overtuiging en beoordelingen door deskundigen;
f. het verstrekken van originelen of gewaarmerkte afschriften van relevante documenten en dossiers, met inbegrip van bancaire, financiële, bedrijfs- of zakelijke dossiers;
g. het identificeren of opsporen van opbrengsten van misdaad, goederen, hulpmiddelen of andere goederen ten behoeve van bewijsvoering;
h. het vergemakkelijken van de vrijwillige verschijning van personen in de verzoekende Staat die partij is;
i. elke andere vorm van hulp die niet in strijd is met het nationale recht van de aangezochte Staat die partij is.
Het hof stelt vast dat het inleidende rechtshulpverzoek aan Canada niet enkel gebaseerd is op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, maar ook op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit.
Het rechtshulpverzoek is door de Canadese rechter behandeld. Het Ontario Superior Court of Justice in Toronto heeft op 19 september 2016 onder meer beslist dat de veiliggestelde gegevens aan Nederland zullen worden overgedragen ten behoeve van de vier genoemde in Nederland lopende onderzoeken en dat de gegevens ook mogen worden gebruikt in andere Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken mits daaraan een machtiging van een Nederlandse rechter voorafgaat.
Het standpunt van de verdediging voor zover dat inhoudt dat de vergaring van de Ennetcomdata onrechtmatig is geweest, omdat artikel 10 van Pro het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken alleen een grondslag biedt voor inbeslagneming en uitlevering van schriftelijke bescheiden en/of voorwerpen, volgt het hof niet. Het hof wijst daartoe naar de artikelen 2 en 3 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken en naar artikel 18 lid 3 van Pro het Verdrag van de Verenigde naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit.
Hoewel niet vaststaat dat de op grond van het rechtshulpverzoek door Canada verstrekte gegevens aangemerkt kunnen worden als schriftelijke bescheiden of voorwerpen in de zin van het Verdrag, kan met name op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 2 Verdrag Pro tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken worden vastgesteld dat de doeleinden genoemd onder a. tot en met i., waarvoor rechtshulp moet worden verleend, geen limitatieve opsomming vormen van de omstandigheden waaronder het Koninkrijk der Nederlanden en Canada wederzijdse rechtshulp kunnen verlenen. Dit volgt niet alleen uit de tekst van het Verdrag en de systematiek daarvan in het licht van algemene uitgangspunten van internationaal recht, maar ook uit de hierboven aangehaalde artikelen 3 en 19 van het Verdrag en uit artikel 18 van Pro het TOC-verdrag.
Een dergelijke uitleg is ten slotte naar het oordeel van het hof in lijn met hetgeen de Hoge Raad in het arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:900) heeft overwogen, namelijk dat de opvatting dat Nederland slechts een verzoek om rechtshulp aan de Canadese autoriteiten mag richten voor zover het gaat om het verrichten van onderzoekshandelingen die specifiek in het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken zijn omschreven geen steun vindt in het recht, zoals ook in artikel 3 van Pro het Verdrag tot uitdrukking komt.
De wederzijdse rechtshulp die moet worden verleend overeenkomstig artikel 18 Verdrag Pro van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, kan worden verzocht voor g. het identificeren of opsporen van opbrengsten van misdaad, goederen, hulpmiddelen of andere goederen ten behoeve van bewijsvoering en i. elke andere vorm van hulp die niet in strijd is met het nationale recht van de aangezochte Staat die partij is.
Onder goederen wordt volgens het TOC-verdrag verstaan alle soorten activa, stoffelijk of onstoffelijk, roerend of onroerend, tastbaar of ontastbaar, en derhalve ook computergegevens. Het hof verwerpt het verweer.
A1.Rechtmatigheid aanvang onderzoek
Standpunt van de verdediging
De verdediging van de medeverdachten heeft betoogd dat de start van het opsporingsonderzoek onrechtmatig is geweest. Daartoe is aangevoerd dat er ten tijde van de start van het onderzoek in onvoldoende mate een redelijk vermoeden van schuld bestond jegens de medeverdachten. Er is actief onderzoek verricht naar de Ennetcom-entiteiten, waaronder de medeverdachte Ennetcom, om zo tot een verdenking te komen. Het proces-verbaal van verdenking bevat, op het WODC-rapport na, uitsluitend elementen die het resultaat zijn van de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen na aanvang van het onderzoek naar de Ennetcom-entiteiten en kan reeds daarom geen grondslag bieden voor dan wel bijdragen aan een redelijke verdenking. Nu er nog geen verdenking bestond, zijn de aangewende opsporingsbevoegdheden in strijd met de wet ingezet en heeft de vooraankoop van twee PGP-telefoons bij de [winkel bedrijf 1] in Arnhem in februari 2015, waar overigens geen bevel ex artikel 126i Sv voor was afgegeven, onrechtmatig plaatsgevonden, terwijl ook geen rechtshulpverzoek mocht worden gedaan. De raadsman van de verdachte heeft zich daarbij aangesloten.
Beoordeling
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de hiervoor bedoelde situatie zich heeft voorgedaan. Om de volgende redenen mist het verweer namelijk feitelijke grondslag. Vaststaat dat het opsporingsonderzoek 26DeVink in 2015 is gestart. Het dossier is niet eenduidig over de precieze datum van de start van het onderzoek, maar in ieder geval volgt uit het dossier dat het proces-verbaal van verdenking gedateerd is op 28 oktober 2015 en dat er vóór oktober 2015 geen BOB-vorderingen zijn ingediend. Met andere woorden: er zijn geen bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet voorafgaand aan het opmaken van het proces-verbaal van verdenking.
Uit het proces-verbaal van verdenking ( [nummer proces-verbaal 2] ) komt vervolgens naar voren dat het onderzoek is gestart naar aanleiding van in diverse TCI-processen-verbaal neergelegde informatie, inhoudende dat criminelen BlackBerry's zouden kopen van Ennetcom waarmee ze versleuteld konden communiceren en dat men binnen Ennetcom wetenschap droeg van de criminele achtergrond van deze afnemers, alsmede de constatering dat in opvallend veel strafrechtelijke onderzoeken naar liquidaties, de handel in verdovende middelen en witwassen de verdachten en/of slachtoffers gebruikmaakten van producten (het hof zal hierna steeds spreken van ‘producten’, bestaande uit telefoons en simkaarten waaraan telecommunicatiediensten waren gekoppeld) van Ennetcom. Het opsporingsonderzoek heeft zich vervolgens gericht op de strafrechtelijke hypothese dat de medeverdachte [medeverdachte] als (indirect) bestuurder en aandeelhouder van de Ennetcom-entiteiten de georganiseerde criminaliteit faciliteerde en in die wetenschap crimineel geld verdiende. De verdachte was werkzaam bij Ennetcom, en zou aan deze bedrijfsvoering hebben bijgedragen.
De verdenking van een strafbaar feit kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden aangenomen op basis van TCI-informatie. [5] Het hof is, in volledige navolging van de rechtbank, van oordeel dat de in deze zaak beschikbare TCI-informatie op zichzelf al, maar zeker in combinatie met het gegeven dat in opvallend veel zaken die betrekking hadden op ernstige delicten verdachten en/of slachtoffers gebruik maakten van Ennetcom-producten, voldoende concreet en specifiek was om daar verder onderzoek naar te verrichten, mede gelet op de ernst van de feiten. Logischerwijs richtte dit onderzoek zich op de verificatie dan wel falsificatie van de verkregen TCI-informatie en daarmee op de medeverdachte en zijn bedrijven.
Van een onrechtmatige start van het opsporingsonderzoek is aldus geen sprake. De stelling dat er een stevigere verdenking nodig was om tot het indienen van een rechtshulpverzoek over te gaan passeert het hof op grond van het voorgaande eveneens. Het verweer wordt in zoverre verworpen.
Dat zou anders kunnen zijn waar het de pseudokoop betreft. Vaststaat dat ten tijde van de pseudokoop op 27 februari 2015, waarbij in een vestiging van Ennetcom te Arnhem twee PGP-telefoons zijn aangekocht, geen bevel ex artikel 126i Sv was afgegeven. Nu deze pseudokoop echter heeft plaatsgevonden binnen het onderzoek 26Splash, dat voorafging aan 26DeVink en dat niet rechtstreeks tegen de verdachte was gericht, is er geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Ook een onrechtmatigheid jegens de verdachte buiten het voorbereidend onderzoek zou gesanctioneerd kunnen worden, maar dan moet sprake zijn van een vormverzuim dat van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het hof acht aannemelijk dat de koop - zoals de officier van justitie in eerste aanleg heeft opgemerkt - slechts was bedoeld om te achterhalen hoe de verkoop van telefoons door Ennetcom in zijn algemeenheid plaatsvond. De aankoop heeft geen bepalende invloed gehad op het verloop van het opsporingsonderzoek zodat, ook als ervan uit zou worden gegaan dat die ‘pseudokoop’ onrechtmatig heeft plaatsgevonden, daaraan in deze strafzaak geen gevolg dient te worden verbonden. Het verweer wordt dan ook verworpen.

A2 Détournement de pouvoirStandpunt van de verdedigingDe verdediging van de medeverdachten heeft onder punten A2 en B2 bepleit dat het openbaar ministerie bij de start van het onderzoek en bij de verkrijging van de Ennetcom-data het verbod op détournement de pouvoir heeft geschonden. De verdediging heeft betoogd dat het strafrechtelijk onderzoek jegens de medeverdachten enkel is ingesteld teneinde toegang te verkrijgen tot de inhoud van de door Ennetcom gebruikte BES en daarmee tot de berichten van de gebruikers van de diensten van Ennetcom. Het doel was het verkrijgen van informatie over vermeende criminelen die gebruikmaakten van de diensten van Ennetcom. Het openbaar ministerie heeft op die manier een aan hem toekomende strafrechtelijke bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, hetgeen tevens heeft geleid tot een ongekende inbreuk op de privacy van vele onbekende derden, aldus de verdediging. Deze normschending draagt volgens de verdediging van de medeverdachten bij aan de eindconclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging is, subsidiair dat alle resultaten van het rechtshulpverkeer met Canada van het bewijs moeten worden uitgesloten, althans dat strafvermindering moet volgen. De raadsman heeft zich ook bij dit verweer aangesloten.

Standpunt van de openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft in repliek verwezen naar het proces-verbaal, de Ennetcom-bundel, het requisitoir en de repliek in eerste aanleg en heeft gesteld zich te kunnen vinden in hetgeen de rechtbank hierover in haar vonnis heeft gezegd.
Beoordeling
Start van het onderzoek en verkrijging van de Ennetcom-data
In artikel 167, eerste lid, Sv is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Dit kan alleen op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, r.o. 2.4).
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het dossier blijkt dat tegen de medeverdachten voldoende verdenking bestond ten tijde van de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek. De officier van justitie heeft ter terechtzitting in eerste aanleg de aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek en de vervolgingsbeslissing nader gemotiveerd. Hij heeft erop gewezen (pag. 6 schriftelijk requisitoir) dat er al vele zaken bekend waren waarbij criminelen gebruikmaakten van de toestellen van Ennetcom. Er was CIE-informatie beschikbaar dat Ennetcom de grootste criminelen (van Nederland) voorzag van geprepareerde Blackberries en dat zij wisten dat hun klanten criminelen betroffen. Er was CIE-informatie beschikbaar dat ze ook kantoren elders op de wereld hadden en dat het kantoor in Bogota speciaal voor criminelen was. En hij heeft erop gewezen dat in die periode het NFI toegang heeft gekregen tot een toestel van Ennetcom in gebruik van een klant en de informatie daarop ging in grote mate over handel in MDMA. Dat het openbaar ministerie, gelet op de resultaten van het ingestelde opsporingsonderzoek, heeft besloten om tot vervolging over te gaan, is zonder meer begrijpelijk. Het openbaar ministerie was, gelet op de hem in het kader van zijn wettelijke taakstelling toekomende bevoegdheden, tevens bevoegd om onderzoek te doen naar de BES-infrastructuur van Ennetcom en het doen van het rechtshulpverzoek. Het is het hof niet gebleken dat het openbaar ministerie daarbij op enigerlei wijze misbruik van bevoegdheden heeft gemaakt. Het hof is aldus van oordeel dat niet gezegd kan worden dat geen redelijk denkend lid van het openbaar ministerie tot strafvervolging zou zijn overgegaan. Voor zover de verdediging van de medeverdachten heeft willen betogen dat het openbaar ministerie de vervolgingsbeslissing met een onzuiver oogmerk heeft genomen, heeft zij dat niet met concrete feiten en omstandigheden kunnen onderbouwen en is dat niet aannemelijk geworden. Daar komt bij dat de door de verdediging van de medeverdachten gestelde schending van grondrechten van onbekende derden en het gegeven dat hun communicatie in andere onderzoeken terecht is gekomen, geen schending oplevert van enig concreet en rechtens te respecteren belang van de verdachte in deze zaak. Het verweer wordt verworpen.
Verkrijging van de Ennetcomdata
B.3Opsporing in strijd met fundamentele rechtsbeginselen
Standpunt verdediging
De verdediging van de medeverdachten heeft betoogd dat de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden en beslagmiddelen bij de zoektocht naar de BES buitenproportioneel is geweest en daarmee in strijd is met beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast is sprake van een gebrek aan zorgvuldige verantwoording omtrent de verkrijging en verwerking van de aangetroffen gegevens. In een groot aantal vorderingen tot inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden is telkens volstaan met algemene bewoordingen zonder concreet het doel en de noodzaak van de methodieken te verantwoorden. De processtukken bevatten onvoldoende begrijpelijke informatie, waardoor de rechter-commissaris bij het afgeven van de gevorderde machtigingen onvoldoende is voorgelicht. Het gebrek aan verantwoording over de daadwerkelijke aard en omvang van het (digitale) onderzoek in het kader van de zoektocht naar de Ennetcom-servers, de resultaten daarvan en de eventuele verwerking van de daarbij verkregen gegevens in het door het openbaar ministerie samengestelde procesdossier maakt dat niet wordt voldaan aan artikel 149a Sv en het beginsel van effectieve rechterlijke controle. De raadsman heeft zich daarbij aangesloten.
Beoordeling
De bevoegdheid tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een
technisch hulpmiddel zoals geregeld in artikel 126m Sv is verleend aan de officier van justitie. De rechter-commissaris dient tevoren een schriftelijke machtiging daartoe te hebben verstrekt. Het staat daarbij in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 126m, eerste lid, Sv en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen. Bij deze laatste toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling, in een geval als het onderhavige waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, slechts een beantwoording in van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen. Het hof stelt, met de rechtbank, vast dat voor de inzet van de door de verdediging in haar pleidooi genoemde opsporingsbevoegdheden telkens op vordering van de officier van justitie een machtiging is verleend.
Met toepassing van eerdergenoemd criterium is het hof van oordeel dat de rechters-commissarissen die de machtigingen hebben afgegeven in redelijkheid tot het oordeel dat de vorderingen telkens konden worden toegewezen, hebben kunnen komen. De vorderingen zijn specifiek, concreet en wijzen eenduidig in de richting van de medeverdachte en/of zijn bedrijf. Aldus konden zij dienen als grondslag voor de toewijzing van de daarop gegronde vorderingen. Voor een verdergaande toetsing, zoals door de verdediging van de medeverdachten bepleit, is geen ruimte. Het verweer wordt verworpen.
De processen-verbaal en andere stukken in het dossier die de bevindingen van het
onderzoek weergeven, zijn naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk, zodat het verweer inzake de onbegrijpelijkheid van de processtukken dezelfde uitkomst heeft.
B.5Strijd met internationale wet- en regelgevingen (Europese) jurisprudentie
Standpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat rechterlijke controle voorafgaande aan het verkrijgen en onderzoeken van gegevens van de Ennetcomdata achterwege is gebleven en dat de verdediging niet in staat is gesteld om effectief het bewijs te controleren. Op grond hiervan trekt de verdediging de conclusie dat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, zoals beschermd door artikel 6 EVRM Pro en artikel 47 van Pro het Handvest, terwijl ook artikel 8 EVRM Pro, en de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ontegenzeggelijk zijn geschonden.
Aan dit standpunt legt de verdediging ten grondslag dat in Canada een server is gekopieerd waarop enorme hoeveelheden gegevens opgeslagen stonden, op basis waarvan een volledig beeld van de persoonlijke levens van vele personen kon worden gekregen. Dergelijke informatie is niet alleen van de medeverdachte verkregen, maar van alle gebruikers van Ennetcom bekend geworden.
Het gaat volgens de verdediging dan ook bij uitstek om een zeer ernstige inmenging in de privélevens van verschillende personen, waaronder in het privéleven van de medeverdachte als gebruiker van de communicatiedienst. Er is sprake van een inmenging die dusdanig ernstig, omvangrijk en onevenredig is dat deze onder geen enkele voorwaarde gerechtvaardigd kan worden.
Nu het door de ernst van de inmenging des te meer van belang was dat voorafgaand aan de inmenging om een machtiging van de rechter-commissaris werd verzocht en dit achterwege is gebleven, is er onmiskenbaar in strijd met artikel 8 EVRM Pro gehandeld. Er is aldus sprake van een schending van artikel 6 én van artikel 8 EVRM Pro, en daarmee is eveneens sprake van een grove schending van de meest fundamentele beginselen van het unierecht.
Het nadeel voor de verdachte bestaat eruit dat er in een cruciale fase van het onderzoek geen deugdelijke rechterlijke controle heeft kunnen plaatsvinden.
BeoordelingHet hof oordeelt als volgt. Het is van belang om onderscheid te maken tussen het verkrijgen van de Ennetcomdata en het, na overdracht aan de Nederlandse autoriteiten daarvan, onderzoeken van die data, de ontsleuteling ervan daaronder begrepen.
Met betrekking tot de verkrijging van de gegevens verschillen partijen van mening over de vraag of de daaraan ten grondslag gelegde wettelijke bevoegdheid, te weten artikel 125i Sv, daarvoor toereikend was. De discussie daarover is in eerste aanleg uitvoerig aan de orde geweest, en in hoger beroep hebben partijen op hoofdpunten dezelfde standpunten ingenomen.
De verdediging heeft aangevoerd dat artikel 125i Sv onvoldoende grondslag biedt voor de verkrijging van de Ennetcomdata. Het doel van de inzet was immers de verkrijging van onder meer inhoudelijke communicatie tussen de gebruikers en hun contacten. Het openbaar ministerie zou ten onrechte artikel 125la Sv niet in acht hebben genomen, waarin een voorafgaande rechterlijke toetsing is voorgeschreven en beperkingen ten aanzien van de vast te leggen gegevens zijn opgenomen. Artikel 125la Sv biedt nu juist wel de waarborgen die noodzakelijk zijn in het licht van artikelen 7 en 8 Handvest, 8 EVRM en 10 en 13 Grondwet.
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat Ennetcom geen ‘aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst’ is als bedoeld in artikel 125la Sv, zodat dit artikel toepassing mist. Voor de uitleg van deze begrippen moet worden aangesloten bij de definities in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet, die op hun beurt implementaties betreffen van de begrippen uit Europese richtlijnen.
Van belang is om vast te stellen dat in alle gevallen artikel 125i Sv de basis is voor het doorzoeken van een plaats ter vastlegging van gegevens, en dat dat ook in casu de grondslag is geweest voor het vastleggen van de gegevens die aanwezig waren op de door Ennetcom gehuurde servercapaciteit. Voor de toepassing van deze bevoegdheid in een bedrijfspand volstaat een daartoe strekkende beslissing van de officier van justitie. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of in het onderhavige geval sprake was van een doorzoeking ter vastlegging van gegevens bij een aanbieder van een telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst. Daarbij staat niet ter discussie dat gegevens werden aangetroffen die niet voor deze aanbieder bestemd of van deze afkomstig waren, namelijk in het bijzonder de (versleutelde) inhoud van een grote hoeveelheid e-mails.
De belangrijkste reden waarom deze vraag niet eenvoudig te beantwoorden is, hangt samen met de omstandigheid dat de betreffende servercapaciteit (het betrof een meergenoemde Blackberry Enterprise Server), die essentieel was voor het functioneren van de Ennetcomdienst, door Ennetcom werd gehuurd bij een derde partij, Bitflow Technologies Inc. in Canada. Vereenvoudigd weergegeven komt het erop aan of relevant wordt geacht bij welke partij de data in beheer was ( Bitflow ) of ten behoeve van welke partij die data werd beheerd (Ennetcom).
De verdediging heeft erop gewezen dat in het arrest van dit hof van 2 juli 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:1102) is beslist dat aanbieders van pretty good privacy-diensten (het betrof in die casus het bedrijf PGPSafe) zoals ook Ennetcom kan worden gekwalificeerd, dienen te worden aangemerkt als aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst. Dat is echter niet de vraag die hier als eerste voorligt. Immers, voordat daaraan wordt toegekomen dient te worden vastgesteld dat bij een dergelijke aanbieder een doorzoeking is gedaan. Voor zover uit genoemd arrest kan worden opgemaakt is deze vraag daar niet aan de orde geweest.
Op basis van de feiten die uit het dossier van onderhavige zaak blijken kan het hof niet anders dan vaststellen dat de doorzoeking plaatsvond bij Bitflow Technologies Inc. , een bedrijf dat – zo is in deze zaak ook niet betoogd – niet als aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst kan worden aangemerkt.
Naar het oordeel van het hof kan echter niet met die vaststelling worden volstaan. In de wetsgeschiedenis van artikel 125la Sv is opgemerkt dat een bijzondere categorie van gegevens waarop de bevoegdheid van dit artikel van toepassing is, wordt gevormd door gegevens betreffende de inhoud van een e-mail die is opgeslagen bij een internetaanbieder. De wetgever beoogt aan deze gegevens dezelfde bescherming te bieden als aan (gesloten) poststukken. [6] De wetgever heeft bij de formulering van de tekst van artikel 125la Sv kennelijk niet onderkend dat (ook) aanbieders van openbare telecommunicatiediensten (in toenemende mate) gebruik zouden gaan maken van het onderbrengen van hun dienstverlening op de fysieke infrastructuur van derde partijen. Door deze zogenaamde ‘outsourcing’ zijn de servers die door een aanbieder van een openbare telecommunicatiedienst worden gebruikt strikt genomen niet meer ‘bij’ die aanbieder in de zin van artikel 125la Sv, maar materieel, in het licht van het door die bepaling beschermde belang van de klanten van die aanbieder, is er geen reden voor het maken van dat onderscheid. Tegen die achtergrond moet daarom in casu het aantreffen van de gegevens bij Bitflow Technologies Inc. worden gelijkgesteld met het aantreffen van gegevens bij Ennetcom. In beide gevallen gaat het om e-mails waarvan de inhoud blijkens de wetsgeschiedenis dezelfde bescherming verdient als die van (gesloten) poststukken.
Vervolgens is het hof, in lijn met het hiervoor aangehaalde arrest betreffende PGPSafe en in het licht van voorgaande overwegingen, van oordeel dat Ennetcom dient te worden aangemerkt als een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst in de zin van artikel 125la Sv, zodat voor het onderhavige rechtshulpverzoek een daaraan voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris was vereist. Nu deze machtiging ontbreekt is naar het oordeel van het hof sprake van een onherstelbaar vormverzuim.
Tussenconclusie:
Het hof stelt derhalve met de verdediging vast dat toepassing had moeten worden gegeven aan artikel 125la Sv en er een machtiging van de rechter-commissaris vereist was. Nu deze machtiging ontbreekt, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Of, en zo ja welk rechtsgevolg er aan dit vormverzuim dient te worden verbonden, zet het hof uiteen na de bespreking van de rechtmatigheid van het onderzoek aan de Ennetcomdata.
Met betrekking tot het onderzoek aan die data, de ontsleuteling daarvan daaronder begrepen, staat het hof stil bij het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1114). In dat arrest heeft de Hoge Raad immers het volgende overwogen (r.o. 3.5.3):
“Zoals de Hoge Raad recent heeft geoordeeld, brengt de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak CG/Landeck met zich dat bij elke vorm van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, een voorafgaande betrokkenheid van de rechter-commissaris is vereist. Daarbij is onder meer van belang dat als de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris vordert, in deze vordering voldoende concreet wordt omschreven welk onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk zal worden verricht en hoe dit onderzoek zal worden uitgevoerd, en dat bij het verlenen van een machtiging voor het gevorderde onderzoek de rechter-commissaris zo nodig nadere eisen kan stellen aan het te verrichten onderzoek. (Vgl. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, rechtsoverwegingen 5.2.4-5.2.8.) Er is geen grond om, waar het – zoals in deze zaak – gaat om een in het kader van rechtshulp overgedragen grote hoeveelheid gegevens die op servers waren opgeslagen en die verband houden met communicatie met mobiele telefoons, andersoortige eisen te stellen aan het strafvorderlijk onderzoek aan dergelijke gegevens dan in dat arrest van de Hoge Raad zijn verwoord.”
Het komt het hof voor dat deze overweging naadloos van toepassing is op de voorliggende vraag, te weten of het onderzoek aan de Ennetcomdata heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de daaraan te stellen eisen, met één belangrijk onderscheid. Het arrest van de Hoge Raad heeft betrekking op het onderzoek Himalaya, dat niet behoort tot de vier ook wel als brononderzoeken aangeduide onderzoeken die aan de orde waren in het rechtshulpverzoek, waaronder het onderzoek 26DeVink. Dat betekent dat er in onderhavige zaak geen sprake is van toestemming van een rechter-commissaris zoals dat wel het geval was in het onderzoek Himalaya. Dat betekent dat de Ennetcomdataset in de strafzaak tegen verdachte is gebruikt zonder dat sprake was van de vereiste betrokkenheid van een rechter-commissaris. Daarmee is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Welk rechtsgevolg?
Bij de vraag of, en zo ja, welke rechtsgevolgen aan een vormverzuim moeten worden verbonden dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, zoals reeds eerder uiteengezet in dit arrest.
Het belang van de in het onderhavige geval geschonden voorschriften is gelegen in de bescherming van privacygevoelige gegevens (zoals e-mails) door voorafgaand rechterlijk toezicht op de verkrijging en het gebruik daarvan. Dergelijke gegevens verdienen bescherming, gelet op het in (onder meer) artikel 8 EVRM Pro neergelegde fundamentele recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Met name verdient aandacht dat, waar het gaat om gegevens die betrekking hebben op een grote groep personen (die niet op voorhand allemaal als verdachte kunnen worden aangemerkt), het gebruik daarvan voortdurend onder onafhankelijk toezicht zal moeten staan [7] . Het belang dat met dit recht wordt beschermd is echter niet primair een belang van de verdachte. Hoewel het dus gaat om belangrijke voorschriften, speelt bij de weging van de ernst van het verzuim in onderhavige zaak gezien het voorgaande vooral het ontbreken van de machtiging voor de verkrijging van de gegevens een rol.
Daartegenover staat (met betrekking tot de ernst van de verzuimen) dat naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een (doel)bewuste schending van de onderhavige voorschriften. In de periode waarin de verkrijging van de Ennetcomdata juridisch werd vormgegeven (globaal gemarkeerd door het rechtshulpverzoek in april 2016 en de beslissing (‘sending order’) van het Superior Court of Justice in de Canadese regio Toronto in september 2016) was er geen jurisprudentie, laat staan specifieke regelgeving, op het gebied van de verkrijging en verwerking van grote datasets afkomstig van crypto-communicatie-aanbieders, beschikbaar. Betoogd zou zelfs kunnen worden dat het onderzoek 26DeVink aan de wieg heeft gestaan van de inmiddels wel voorhanden jurisprudentie. Illustratief zijn in dat verband de openingswoorden van de rechter in genoemd Superior Court of Justice in zijn op 13 september 2016 vrijgegeven beslissing: “Er heeft zich in deze zaak een ongebruikelijke kwestie voorgedaan (...)”. Reden voor het hof om aan deze beslissing bijzondere aandacht te schenken is dat, hoewel deze vanzelfsprekend niet kan worden aangemerkt als ‘vervanging’ van de vereiste beslissing van een Nederlandse rechter-commissaris, hierin naar het oordeel van het hof met een in het oog springende grondigheid en uitvoerigheid alle belangrijke aspecten die een rol hadden moeten spelen bij de afwegingen die een (Nederlandse) rechter-commissaris, indien deze een daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie had gekregen, had moeten maken, aan de orde worden gesteld en op een transparante wijze in de afweging die uiteindelijk leidde tot het ter beschikking stellen van de Ennetcomdata aan de Nederlandse autoriteiten worden betrokken. Niet onvermeld mag blijven dat deze afweging is gemaakt na een procedure op tegenspraak, waarbij Ennetcom niet alleen door advocaten werd vertegenwoordigd, maar waarbij ook de medeverdachte, de bestuurder van de Ennetcom-entiteiten, zelf schriftelijk zijn zienswijze met het gerecht heeft kunnen delen en het gerecht daar expliciet op heeft gereageerd.
Dit leidt ertoe dat het hof, achteraf oordelend, tot de vaststelling komt dat het hiervoor genoemde belang van bescherming van privacygevoelige gegevens weliswaar niet volgens de inmiddels door de Hoge Raad geformuleerde regels is behandeld, maar dat de hiervoor geschetste gang van zaken laat zien dat dat belang zowel procedureel als materieel is behandeld op een wijze die niet onderdoet voor een situatie waarin die regels wel naar de letter zouden zijn gevolgd. Derhalve is niet aannemelijk dat de vormverzuimen tot gevolgen hebben geleid die er niet waren geweest indien conform het hiervoor weergegeven oordeel van de Hoge Raad was gehandeld. Dat relativeert de ernst van de verzuimen naar het oordeel van het hof aanmerkelijk.
Het nadeel dat de verdachte door de vormverzuimen zou hebben ondervonden, is door de verdediging niet dan wel zeer summier onderbouwd. Anders dan de raadsman van de medeverdachte heeft het hof de Ennetcomdata niet geraadpleegd, deze maakt geen deel uit van het strafdossier. Dat het bedrijf waar de verdachte werkte (in de woorden van de raadsman van de medeverdachte) ‘naar de gallemiezen’ is kan zonder nadere toelichting niet worden toegeschreven aan het aan het licht komen van privacygevoelige informatie uit de Ennetcomdata, maar lijkt veeleer het gevolg van het wegvallen van het vertrouwen van de gebruikers van Ennetcomdiensten in de vertrouwelijkheid van hun communicatie.
Het hof stelt vast dat de verdachte door de vormverzuimen niet in haar (verdedigings-)belangen is geschaad; daarbij betrekt het hof dat het belang van de verdachte dat een gepleegd strafbaar feit niet wordt ontdekt, niet als een rechtens te respecteren belang kan worden aangemerkt.
Gelet op al het voorgaande ziet het hof geen aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, voor bewijsuitsluiting of voor strafvermindering. Het hof zal dan ook volstaan met constatering van de verzuimen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is dit niet strijdig met het Unierecht (ECLI:NL:HR:2023:241, zie r.o. 6.12.2 e.v.).
Bewijsoverwegingen en bespreking van de bewijsverweren
1. Deelname aan een criminele organisatie: de rol van [verdachte]
Aan verdachte wordt onder 1, kort samengevat, verweten dat zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 19 april 2016 samen met een ander of anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Het zou daarbij gaan om de misdrijven strafbaar gesteld bij de artikelen 189 ('begunstiging'), 420bis, 420ter en 420quater ((gewoonte)witwassen) en 225 (valsheid in geschrift) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
De rechtbank heeft de verdachte van dit feit vrijgesproken. Daartoe overwoog de rechtbank dat weliswaar kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband en dat de verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met het binnen de organisatie bestaande oogmerk - in het bijzonder het plegen van valsheid in geschrift door het opmaken van valse facturen ten name van Ennetcom en een andere daaraan gerelateerde rechtspersoon - maar niet dat de verdachte in het kader van dat samenwerkingsverband heeft gehandeld of op andere wijze daarvan deel heeft uitgemaakt.
Standpunt van het openbaar ministerieDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in hoger beroep alsnog dient te worden veroordeeld ter zake het deelnemen aan een criminele organisatie.
Standpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe is (onder meer) aangevoerd dat Ennetcom niet kan worden beschouwd als een criminele organisatie, in welk verband is gesteld dat Ennetcom niet gericht was op het frustreren van politieonderzoek of witwassen. Indien het hof Ennetcom wel als een criminele organisatie beschouwt, dan dient alsnog vrijspraak te volgen omdat de verdachte daaraan niet willens en wetens heeft deelgenomen, aldus de verdediging.
Beoordeling
Het hof overweegt daarover als volgt. Bij de beoordeling van het verweer moet worden vooropgesteld dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de artikel 140 Sr Pro slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene.
Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr Pro is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Van een 'organisatie' als bedoeld in artikel 140 Sr Pro is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (zie voor het voorgaande onder meer HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969).
Aan de hand van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte was werkzaam bij de medeverdachte Ennetcom, waarvan de medeverdachte [medeverdachte] (via een holding) bestuurder en aandeelhouder was. Daarnaast was de medeverdachte bestuurder en aandeelhouder van een aantal andere rechtspersonen in binnen- en buitenland, waaronder [bedrijf 3] , gevestigd in Dubai. Voor de verkoop maakte Ennetcom gebruik van een netwerk van resellers. De belangrijkste producten die Ennetcom verkocht, waren BlackBerry’s waarmee versleutelde e-mailberichten konden worden verzonden via PGP en S/MIME versleuteling.
Ennetcom moet naar het oordeel van het hof worden beschouwd als een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, waarbinnen in ieder geval (in relatie tot de gepleegde valsheid in geschrifte) de verdachte, haar leidinggevende de heer [medeverdachte] , het bedrijf (de rechtspersoon) [bedrijf 1] en andere (rechts)personen (bijvoorbeeld [bedrijf 3] ) samenwerkten. Valsheid in geschrifte (zie daarvoor ook het als feit 2 tenlastegelegde) maakte onderdeel uit van die samenwerking en van de wijze waarop door en binnen Ennetcom omzet buiten de boeken werd gehouden en zodoende ook aan het oog van de Belastingdienst werd onttrokken. De verdediging heeft dit overigens ook niet betwist.
Verdachte speelde daarbij een belangrijke rol, zoals uit de (ook aan de bewezenverklaring van feit 2 ten grondslag gelegde) bewijsmiddelen moge blijken. De verdachte was vanaf 2014 werkzaam bij Ennetcom, eerst als officemanager en later als accountmanager. Gedurende haar werkzaamheden voor Ennetcom heeft zij valse facturen opgemaakt, en daarmee valsheid in geschrifte gepleegd (met behulp waarvan verzwegen omzet werd afgedekt). De verdachte hield een zogeheten schaduwadministratie (door de verdediging bestempeld als interne administratie) bij met de werkelijk verdiende bedragen en stelde op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] facturen op waarmee maar kleine delen van de werkelijk verdiende bedragen werden gefactureerd, zodat een groot deel van de opbrengst buiten de boekhouding kon worden gehouden. Het deel dat buiten de boeken werd gehouden werd niet overgemaakt, maar in contanten weggebracht en via Suriname op een rekening in Dubai gestort. Vervolgens maakte de verdachte een valse factuur op om het geld op die rekening in Dubai te kunnen verklaren. Daarnaast was zij ook bekend met het vervoeren van contant geld in de verborgen ruimte(s) in een auto.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van valsheid in geschrifte gericht samenwerkingsverband en dat zij daarnaast ook een aandeel heeft gehad in de gedragingen en/of gedragingen heeft ondersteund die mede strekten tot en/of verband hielden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk. Het vereiste opzet kan voor de verdachte worden afgeleid uit het gegeven dat zij kennelijk bewust een bedrijfscultuur heeft laten ontstaan en/of laten voortbestaan waar valsheid in geschrifte en het wegsluizen van inkomsten onderdeel van uitmaakten. Het kan niet anders dan dat de verdachte wist dat dat handelen (als misdrijf) strafbaar was.
Daarom is - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en de verdediging heeft bepleit - bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr Pro. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.
2. Criminele organisatie en voorwerpen in de zin van artikel 189 Wetboek Pro van Strafrecht
Het hof acht zoals in het voorgaande uiteengezet dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op valsheid in geschrifte. De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of sprake was van andere strafbare feiten waarop de organisatie het oogmerk had.
In dat verband is van belang dat de verdachte onder 1 ook wordt verweten dat zij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had om nadat enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd was of andere sporen van het misdrijf te vernietigen, weg te maken, te verbergen of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie te onttrekken. Dat misdrijf is (als begunstiging) strafbaar gesteld in artikel 189 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr).
Standpunt Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voor dit onderdeel van het tenlastegelegde een bewezenverklaring kan volgen. In dat verband heeft zij bij repliek dit verwijt omschreven als ‘
dat de (toevoeging hof: mede-)verdachte met zijn bedrijven het doel had om criminelen te faciliteren door aan hen de mogelijkheid te bieden om aan de opsporing te ontkomen door versleutelde communicatie aan te bieden’. Door het wissen van de telefoons en de berichten op de server heeft Ennetcom niet alleen het oogmerk gehad, maar ook daadwerkelijk de nasporing of vervolging ter zake deze misdrijven belet en bemoeilijkt. De gewiste e-mailberichten en andere opsporingsinformatie kunnen als ‘voorwerpen’ gekwalificeerd worden. Overigens zouden volgens de advocaat-generaal alle versleutelde berichten onder de omschrijving van artikel 189 lid 2 Sr Pro kunnen vallen en niet alleen de gewiste berichten.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken, onder meer omdat het (periodiek) wissen van berichten niet kwalificeert als het frustreren van opsporingsonderzoeken (in de zin van artikel 189 Sr Pro). Daar komt bij dat niet kan worden vastgesteld dat Ennetcom hoofdzakelijk criminele afnemers had.
Beoordeling
Naar het oordeel van het hof kunnen de met behulp van de door de medeverdachte aangeboden producten verstuurde (en naar aanleiding van wipe-verzoeken te wissen/gewiste) e-mailberichten wel degelijk worden aangemerkt als ‘voorwerp’ als bedoeld in artikel 189 Sr Pro. De beperkte en niet rechtstreeks uit de bewoordingen of uit de strekking van genoemde bepaling voortvloeiende opvatting dat deze als ‘computergegevens’ niet als voorwerp zouden kunnen worden beschouwd is onjuist (vgl. ten aanzien van het wissen van opnames met een videobewakingssysteem: HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9005). Dat in het kader van andere strafbepalingen een andere betekenis aan de begrippen ‘voorwerp’ en ‘goed’ toekomt (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2017:2573) maakt dit niet anders. Overigens kan, indien daar anders over gedacht zou worden, het berichtenverkeer (althans onderdelen daarvan) waar het in deze zaak over gaat naar het oordeel van het hof in ieder geval beschouwd worden als ‘andere sporen van het misdrijf’ als bedoeld in artikel 189 lid 1 onder Pro 2 Sr.
Desondanks zal het hof de verdachte van het hier aan de orde zijnde verwijt vrijspreken. Dat houdt verband met het volgende.
Allereerst kan naar het oordeel van het hof op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet worden vastgesteld dat het wissen van berichten verband hield met reeds gepleegde misdrijven, nadat enig misdrijf is gepleegd en met het oogmerk de nasporing en vervolging van dat misdrijf te beletten of bemoeilijken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, nu in geen enkel geval de gewiste inhoud van de telefoons is komen vast te staan, niet (voldoende) duidelijk is of er sporen van enig gepleegd misdrijf (en, zo ja, van welk) zijn vernietigd, weggemaakt, verborgen of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie zijn onttrokken. Dat de verdachte en haar medeverdachten er jarenlang in zijn geslaagd sporen van misdrijven (te weten: de communicatie daarover) te verbergen en aan het onderzoek te onttrekken, zoals de advocaat-generaal heeft gesteld, is dus niet komen vast te staan. Dat het oogmerk van de verdachte, althans de organisatie waar de verdachte deel van uitmaakte, desondanks wel daarop gericht was, is bij die stand van zaken naar het oordeel van het hof eveneens niet wettig en overtuigend bewezen. Dat maakt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen in feit 1 is vermeld na het eerste gedachtestreepje. Ook de rechtbank heeft de verdachte daarvan zoals gezegd vrijgesproken.
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld dient de verdachte echter ook vrijgesproken te worden van hetgeen onder 1 na het tweede gedachtestreepje ten laste is gelegd. Daartoe overweegt het hof dat het berichtenverkeer en de vastlegging daarvan weliswaar is aan te merken als ‘voorwerp’ in de zin van artikel 189 Sr Pro, maar dat het door Ennetcom gefaciliteerde berichtenverkeer (in het bijzonder in de vorm van verstuurde e-mails) zich niet leent voor inbeslagneming. Alleen de gegevensdragers waarop (de gegevens over) dat berichtenverkeer is vastgelegd lenen zich daarvoor, maar dat zijn geen voorwerpen waarvan gezegd kan worden dat die zijn vernietigd, weggemaakt, verborgen of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie zijn onttrokken. Artikel 189 Sr Pro lid 1 onder 3 spreekt alleen over voorwerpen, en niet ook over gegevens, terwijl die begrippen niet (deels) samenvallen. Zie in dat verband ook artikel 552a Sv (in samenhang met artikel 80quinquies Sr) en bijvoorbeeld HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:486, waarin herhaaldelijk onderscheid wordt gemaakt tussen voorwerpen en gegevens.
Gegevens kunnen worden gevorderd, vastgelegd (gekopieerd), en er kan kennis van worden genomen, maar zij lenen zich niet voor inbeslagneming. Gegevens missen de daarvoor vereiste uniciteit, in die zin dat de beslagene na inbeslagneming niet meer kan beschikken over het inbeslaggenomen goed, daar waar dat bij gegevens juist wel zeer goed denkbaar is. ‘Beslag’ is (in de woorden van L. Noyon in zijn bijdrage in ‘Rechtsvergelijkende inzichten voor de modernisering van het Wetboek van Strafvordering’) [8] naar geldend recht slechts mogelijk op voorwerpen waarop gegevens zijn opgeslagen of via welk voorwerp gegevens beschikbaar zijn die elders zijn opgeslagen, met dien verstande dat het beslag dan technisch gezien niet op de gegevens als zodanig rust maar op het voorwerp. Het spreekt voor zich dat het betreffende voorwerp door inbeslagneming aan de beschikkingsmacht van de betrokkene wordt onttrokken. In zoverre is er dus mogelijk sprake van een hiaat in de wet, in het bijzonder in de in artikel 189 lid 1 onder Pro 3 Sr opgenomen strafbaarstelling, waarin niet strafbaar is gesteld het opzettelijk beletten, belemmeren of verijdelen van de vastlegging en/of kennisneming van gegevens, noch het verbergen, vernietigen, wegmaken of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekken van die gegevens strafbaar is gesteld.
3a. Witwassen: de criminele herkomst van betalingen aan Ennetcom
Het onder 1 tenlastegelegde feit bevat tevens de beschuldiging dat sprake is geweest van witwassen.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ (als bedoeld in artikel 420bis Sr en volgende), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de omzet van Ennetcom weliswaar niet te koppelen is aan een concreet strafbaar feit, maar dat het niet anders kan dan dat dit geld van enig misdrijf afkomstig is (3.6.2 requisitoir in hoger beroep). Daarbij is, aldus het openbaar ministerie, van belang dat Ennetcom c.s. wisten dat zij hun producten leverden aan personen die met behulp van die producten strafbare feiten beraamden, uitvoerden, regelden en bespraken, met de gedachte dat zij daarmee onzichtbaar zouden blijven voor de opsporingsinstanties. De vraag waarom het contante geld waar de producten mee werd betaald als van misdrijf afkomstig moet worden aangemerkt, wordt (terecht, zoals hierna zal blijken) door het openbaar ministerie als misschien wel de moeilijkst te beantwoorden vraag in deze zaak aangeduid. Ter beantwoording van deze vraag heeft het openbaar ministerie erop gewezen dat Ennetcom haar producten louter tegen contante betaling (via
resellers) verkocht. Nu Ennetcom zich uitdrukkelijk op een criminele klantenkring richtte was dat contante geld kennelijk niet afkomstig van een legale bedrijfsvoering. De producten waren bij uitstek onderdeel van de criminele onderneming en het is ook om die reden volstrekt aannemelijk dat ze werden bekostigd vanuit de inkomsten van die criminele onderneming, aldus het openbaar ministerie.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft erop gewezen dat er aan de zijde van Ennetcom geen sprake was van wetenschap over de herkomst van de koopsommen voor de geleverde goederen en diensten. Er kan pas sprake zijn van witwassen als kan worden vastgesteld dat op voorhand aannemelijk was dat de kopers van de goederen en diensten criminele activiteiten hebben ontplooid en daar geld mee hebben verdiend. Zelfs als op het moment van verkoop duidelijk zou zijn dat daarmee criminele handelingen zouden worden ondersteund of verricht, dan wordt de herkomst van het geld waarmee de telefoon is gekocht daardoor niet crimineel. De betreffende boef kan vóór aanschaf van de telefoon een doodnormale baan hebben en van zijn legitiem verdiende geld de PGP-telefoon hebben gekocht, aldus de verdediging.
Beoordeling
De vraag die het hof moet beantwoorden is of door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die het vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp – de betalingen voor de door Ennetcom geleverde producten – uit enig misdrijf afkomstig is. Die vraag beantwoordt het hof ontkennend. Voorwerpen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als 'afkomstig (...) uit enig misdrijf' in de zin van de artikelen 420bis en 420ter Sr indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen.
Zelfs als zou kunnen worden vastgesteld dat de producten welke Ennetcom leverde uitdrukkelijk bestemd waren voor en gebruikt werden door een criminele klantenkring (waarover hierna meer), dan volgt daaruit niet noodzakelijkerwijs dat het geld waarmee de producten betaald werden afkomstig was uit de opbrengst van strafbare feiten.
Aangenomen kan worden dat Ennetcom vermoedelijk als (een van de) eerste in Nederland een markt zag voor het aanbieden van een mogelijkheid om beveiligd te communiceren. Het aanbieden noch het gebruik van die mogelijkheid is op zichzelf strafbaar. Het openbaar ministerie en in navolging daarvan de rechtbank, hebben op grond van een aantal omstandigheden geconcludeerd dat Ennetcom een product heeft ontwikkeld dat niet alleen aantrekkelijk was voor criminelen maar in het bijzonder ook voor hen bedoeld was. Het gaat hierbij om het centraal stellen van de anonimiteit van de gebruikers (waar het contant afrekenen deel van uitmaakt), de mogelijkheid om toestellen op afstand door Ennetcom te laten wissen, de instelling dat berichten op toestellen na relatief korte tijd automatisch werden gewist en een Research & Development-beleid dat was gericht op optimalisatie van de beveiliging van de communicatie.
Het hof stelt vast dat al deze omstandigheden tegenwoordig van toepassing of beschikbaar zijn bij (vrijwel) iedere telecommunicatiedienst en -apparaat. Telefoons kunnen op afstand worden gewist, zowel door de gebruiker als door derden die daartoe gemachtigd zijn. Telefoons en met name prepaid simkaarten worden ook contant betaald. Gegevens op telefoons worden versleuteld bij en na vergrendeling en daarmee (virtueel) onleesbaar. Ontwikkelaars van mobiele besturingssystemen besteden veel aandacht aan optimalisatie van de beveiliging van communicatie en de opslag van gegevens. Toch wordt ook heden ten dage niet de eis gesteld dat de betrouwbaarheid van de kopers van mobiele telefoons en simkaarten en de legitieme herkomst van hun vermogen moet kunnen worden geverifieerd. Niet valt in te zien waarom dit van Ennetcom destijds wel verlangd kon worden.
Nu niet kan worden vastgesteld dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het niet anders kan dan dat de inkomsten/omzet van Ennetcom uit enig misdrijf afkomstig zijn, dient de verdachte ook ten aanzien van het onder dat gedachtestreepje tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Ter afsluiting van dit onderwerp en gezien het voorgaande geheel ten overvloede wenst het hof nog het volgende op te merken. Zowel het openbaar ministerie als - in mindere mate - de rechtbank stellen zich op het standpunt dat Ennetcom-producten in overwegende mate door criminelen gebruikt werden. Ter onderbouwing van dat standpunt wordt hoofdzakelijk gebruikgemaakt van constateringen dat de toestellen alleen bij criminelen zijn aangetroffen, en dan met name bij personen die werden verdacht van zware georganiseerde criminaliteit, dat ze (bijna uitsluitend) werden gebruikt voor criminele communicatie en dat Ennetcom geen of nauwelijks klanten had die niet als verdachte bestempeld kunnen worden. Voor deze laatste bewering ontbreekt iedere onderbouwing, al is het alleen maar omdat uit het dossier blijkt dat van een belangrijk deel van de Ennetcom-klanten de identiteit nimmer bekend is geworden. De andere vaststellingen zijn conclusies die niet gebaseerd kunnen worden op de daaraan ten grondslag liggende feiten. De Ennetcom-toestellen waar het hier om gaat, betreffen slechts die toestellen die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in handen van opsporingsdiensten terecht zijn gekomen. Uit de bevindingen die het onderzoek daaraan opleverde kunnen daarom geen conclusies ten aanzien van (de gebruikers van) alle Ennetcom-toestellen (of een voornaam deel daarvan) worden getrokken.
Uit het dossier blijkt dat is getracht door analyse van de inhoud van ontsleutelde berichten aan te tonen dat de toestellen daadwerkelijk door criminelen werden gebruikt.
In de eerste plaats is sprake van een zeer algemene analyse met gebruik van een groot aantal zoekwoorden die op zichzelf niet steeds crimineel van aard zijn. Het enkele aantreffen van een dergelijk woord in een bericht, zonder de context daarbij te betrekken, kan niet bewijzen dat het bericht crimineel getint is. Daarvoor zou de context van het betreffende bericht moeten worden onderzocht, welk onderzoek blijkens het dossier niet heeft plaatsgevonden.
In de tweede plaats heeft een inhoudelijke analyse van Nederlandstalige berichten plaatsgevonden. Hoewel dat onderzoek op het eerste gezicht correct lijkt te zijn opgezet, komt het in de kern erop neer dat opsporingsambtenaren hebben beoordeeld of berichten die zij kregen voorgelegd, in samenhang met een aantal berichten die daaraan voorafgaand en daarna waren verstuurd, een crimineel karakter hadden. Enig inzicht in de maatstaven die bij de bepaling van dat criminele karakter zijn gehanteerd ontbreekt echter.
Tenslotte is vastgesteld dat de gebruikers van 800 Ennetcom-mailadressen die in oktober 2019 (met verschillende mate van zekerheid) geïdentificeerd waren, vrijwel allemaal bij de politie bekend waren vanwege langdurige betrokkenheid bij diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit. Het dossier vermeldt niet op welke wijze deze gebruikers geïdentificeerd zijn, maar het ligt voor de hand dat dat voor een belangrijk deel van hen juist verband hield met het feit dat zij bij de politie bekend waren geworden. Los daarvan is de zeggingskracht van de identificatie van deze 800 mailadressen naar het oordeel van het hof zeer beperkt, nu Ennetcom in totaal zo’n 35.000 unieke mailadressen heeft geactiveerd en het derhalve slechts om iets meer dan 2% van alle Ennetcom-mailadressen gaat.
Het voorgaande brengt het hof tot de opvatting dat sprake is van een beeldvorming rond de aard van de activiteiten van Ennetcom die feitelijk mogelijk niet onjuist is, maar niet op de inhoud van het dossier kan worden gebaseerd en mede daarom geen rol dient te spelen bij de beoordeling van de ten laste gelegde witwas-delicten.
3b. Witwassen na belastingontduiking?
Het hof heeft zich de vraag gesteld of op een andere grond wel tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het aan de verdachte ten laste gelegde witwassen. Dit omdat naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de verdachte zich (samen met anderen) heeft schuldig gemaakt aan belastingontduiking door een deel van de (door Ennetcom gegenereerde) omzet buiten de boeken te houden. Door middel van valse facturen, een ‘interne boekhouding’ en het (via Suriname) wegsluizen van forse bedragen aan contanten werd een deel van de omzet buiten het zicht van de Belastingdienst gehouden en werd daarover ten onrechte geen belasting betaald.
Vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van de artikelen 420bis, 420ter en 420quater Sr. [9] In het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het aldus vermengde vermogen worden aangemerkt als “mede” of “deels” uit misdrijf afkomstig. [10]
Het ten onrechte niet afgedragen deel van de omzet is aldus van misdrijf afkomstig. Voor zover dat gedeelte is vermengd met omzet die wel is verantwoord, zou sprake (kunnen) zijn van gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig vermogen.
Gelet op hetgeen is komen vast te staan over de gang van zaken binnen Ennetcom en de wijze waarop een deel van de omzet buiten het zicht van de Belastingdienst werd gehouden, is naar het oordeel van het hof in beginsel denkbaar dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de in feit 1 bedoelde criminele organisatie ook witwassen tot oogmerk had, te weten van door belastingontduiking (al dan niet gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige gelden dan wel van het witwassen van (een deel van) de omzet van Ennetcom. Het hof kan op die grond echter niet komen tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Voor wat betreft feit 1 is daarbij van belang dat in het geheel niet nader is omschreven op het witwassen waarvan volgens de steller van de tenlastelegging het oogmerk gericht was. In de door de raadsman onder randnummer 181 van zijn pleitnota aangehaalde brief van de officier van justitie wordt expliciet aangegeven dat het ten laste gelegde witwassen betrekking heeft op de omzet die juist wel is opgegeven en dat ook bij het leidinggeven aan de criminele organisatie het niet de verzwegen omzetbelasting (het hof begrijpt: omzet) betreft. Dat correspondeert met de in feit 2 genoemde bedragen. Die betreffen immers nu juist de wél bij de Belastingdienst opgegeven omzet (over de jaren 2013 en 2014). De witwasverwijten zijn daarmee dusdanig toegespitst op die specifieke omzetbedragen en de wél opgegeven omzet, dat het (bij feit 2) vrijspreken van die bedragen en het bewezen verklaren van (een) niet nader omschreven geldbedrag(en) naar het oordeel van het hof zou neerkomen op grondslagverlating. Anders gezegd, daarmee zou het hof de verdachte voor iets anders veroordelen dan aan haar is ten laste gelegd. Dat geldt evenzeer voor een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde witwassen als oogmerk van de criminele organisatie. Gedurende het debat op zitting is overigens van de zijde van het openbaar ministerie ook niet gesteld dat het verwijt van witwassen ziet op niet bij de Belastingdienst opgegeven omzet. Ook niet in reactie op hetgeen bij pleidooi door de raadsman is gesteld, te weten dat die omzet geen onderdeel uitmaakt van het witwasverwijt. Ook daarom behoefde de verdediging niet bedacht te zijn op een dergelijke uitleg van de tenlastelegging. Ook voor de feiten 3 en 6 geldt dat een bewezenverklaring gelet op het voorgaande zou leiden tot grondslagverlating. Daar komt ten aanzien van die feiten nog bij dat het hof niet kan vaststellen dat de in die feiten genoemde bedragen (onderdeel zijn van) bedragen zijn die buiten het zicht van de Belastingdienst zijn gehouden, zodat ook bij een ander oordeel ten aanzien van de reikwijdte van wat bedoeld is ten laste te leggen het hof ten aanzien van die feiten tot een vrijspraak zou zijn gekomen.
4. Valsheid in geschrift: de facturen waren niet vals
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, nu de tenlastegelegde facturen niet vals zijn.
De eerste en derde factuur zien op de Nederlandse bedrijfsvoering van Ennetcom. Voor het overige vallen de gelden binnen de bedrijfsvoering van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ), de vestiging in Dubai, en deze bedragen zijn dan ook naar haar overgemaakt. [bedrijf 3] activeerde namelijk de simkaarten van de door Ennetcom verkochte telefoons. Op verzoek van de
resellerswerden de aan [bedrijf 3] toe te rekenen bedragen contant overgebracht naar onder meer Suriname, waarna ze giraal werden overgeboekt naar [bedrijf 3] .
In de tweede plaats dient de verdachte te worden vrijgesproken omdat zij geen opzet of oogmerk heeft gehad op het vervalsen van de facturen. Zij miste boekhoudkundige kennis en volgde slechts de instructies van de medeverdachte [medeverdachte] op. Bovendien blijkt nergens uit het dossier dat zij baat heeft gehad van de gestelde vervalsingen. Meer subsidiair dient zij te worden vrijgesproken van de onder feit 2 ten laste gelegde periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013, omdat zij pas op 1 januari 2014 bij Ennetcom in dienst is getreden.
Beoordeling
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden en op juiste wijze heeft beslist ten aanzien van hetgeen tegen feit 2 is ingebracht. Het hof overweegt dan ook in navolging van de rechtbank als volgt.
Op 19 april 2016 zijn in het pand van Ennetcom diverse gegevensdragers in beslag
genomen, waaronder de laptop van de verdachte. Op deze laptop zijn twee Excelbestanden aangetroffen, genaamd ' Overzicht2015 ' en ' Overzicht2016 '. In deze bestanden werden de bestellingen en betalingen van de
resellersvan Ennetcom bijgehouden.
[naam reseller 1] -factuur [factuurnummer 1] en factuur [factuurnummer 2]
Een van de
resellersvan wie de bestellingen werden bijgehouden in de aangetroffen
Excelbestanden betrof [naam reseller 1] , een
resellerbinnen Ennetcom bekend als [naam reseller 1] .
In Overzicht2015 zijn de bestellingen en betalingen van [naam reseller 1] voor de
maanden november en december opgenomen. In het overzicht voor de maand november staat een bedrag van in totaal € 133.400,- aan bestellingen vermeld. Daarnaast wordt in het groen als post 'banking voor nov' een bedrag van € 92.650,- in de kolom 'betaald' genoemd. Dit bedrag wordt, samen met een aantal andere crediteringen, in mindering gebracht op het bedrag van € 133.400,-. De resterende € 36.707,- is onderverdeeld in een bedrag van € 26.357,- (het hof begrijpt evenals de rechtbank: € 26.375,-) met als omschrijving 'op bank te betalen 25xSMIME NOV' en een bedrag van € 10.350,- met als omschrijving `nog te voldoen'. Daaronder staat in groen de opmerking '25xSMIME van 18-12 wordt ook op bank betaald', met daarachter het bedrag van € 26.375,-.
Op de in beslag genomen laptop van verdachte werd ook de in feit 2 als eerste genoemde factuur aangetroffen. Dit betreft een factuur van Ennetcom, gericht aan [naam reseller 1] , gedateerd 20 december 2015, met nummer [factuurnummer 1] en een bedrag van € 26.375,-. Het bedrag van € 26.375,- is eveneens terug te vinden in de boekhouding van Ennetcom. De in Overzicht2015 vermelde bedragen € 92.650,- en € 10.350,- komen daar echter niet in voor. Uit een bankafschrift van Ennetcom blijkt dat [naam reseller 1] op 13 januari 2016 een bedrag van € 26.375,- heeft overgemaakt naar Ennetcom onder vermelding van het factuurnummer [factuurnummer 1] .
In een notitie die is aangetroffen in het Ennetcom-gebruikersaccount van verdachte met als titel ‘ [naam reseller 1] ’ is een van haar afkomstige e-mail aangetroffen. In die e-mail staat de volgende tekst:
Rek van NOV was [..] 134.050
[..] 92.650. Aan [afkorting] betaald
[..] 1.200 tegoed van sims 4x4maanden
[..] 26.357 SMIME op bank factuur: 2010407
Blijft staan: [..] 13.843
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat dat ‘ [afkorting] ’ [werknemer van medeverdachte] betreft, een werknemer van Ennetcom die zorg droeg voor de verzameling en het vervoer van de contante bedragen naar Suriname.
Voorts is in de administratie de in feit 2 als tweede genoemde factuur
aangetroffen, een factuur van [bedrijf 3] met nummer [factuurnummer 2] , gericht aan
reseller[naam reseller 2] in Suriname, gedateerd 4 januari 2016, voor een bedrag van € 90.000,-. Op 19 januari 2016 heeft [bedrijf 3] een bedrag van € 40.000,- en een bedrag van € 50.000,- ontvangen van [naam reseller 2] .
Het hof stelt met de rechtbank vast dat van de verkopen aan
reseller[naam reseller 1] voor een bedrag van € 133.400,- slechts € 26.375,- is gefactureerd en via de bank is betaald en dat het grootste deel (€ 92.650,-) buiten de boekhouding van Ennetcom is gebleven en aan ' [afkorting] ' is betaald ten behoeve van een contante overdracht naar Suriname. Rond dezelfde tijd is een bedrag van € 90.000,- vanuit Suriname op de bankrekening van [bedrijf 3] gestort.
[naam reseller 3] -factuur [factuurnummer 3]
In Overzicht2015 zijn daarnaast ook de bestellingen en betalingen van
reseller
[naam reseller 3] voor de maanden september tot en met december 2015 opgenomen.
[naam reseller 3] stond binnen Ennetcom bekend onder de bijnaam [naam reseller 3] . Ook bij deze
resellerwordt een totaalbedrag aan bestellingen genoemd, namelijk € 440.086,-. Daarvan is kennelijk een bedrag van € 110.800,- reeds betaald, want dit wordt in het groen in de kolom `betaald' vermeld.
In de notities van het gebruikersaccount van verdachte staat onder
meer een e-mail van 23 november 2015 met daarin door [naam reseller 3] nog te betalen
bedragen. In deze e-mail wordt vermeld dat een bedrag van € 110.800,- reeds is betaald, waarvan € 75.000,- aan ' [persoon] ', € 25.000,- aan ' [bijnaam medeverdachte] ' en € 10.800,- per bank. Het bedrag van € 10.800,- is terug te vinden in de boekhouding van Ennetcom, de overige bedragen niet. Voor het bedrag van € 10.800,- is ook de in feit 2 als derde genoemde factuur opgemaakt, gericht aan [naam reseller 3] en met factuurnummer [factuurnummer 3] . Deze factuur is blijkens een bankafschrift van Ennetcom op 30 oktober 2015 betaald. [naam reseller 3] heeft rond die datum immers geen andere bedragen overgemaakt naar Ennetcom.
Op 28 oktober 2015 heeft [bedrijf 3] een bedrag van € 75.000,- ontvangen van
[bedrijf 6] . Er is geen factuur aan [bedrijf 6] voor dit bedrag aangetroffen. Het hof stelt met de rechtbank vast dat van de verkopen aan [naam reseller 3] ter hoogte van € 440.086,- slechts € 10.800,- is gefactureerd en via de bank is betaald en dat in elk geval € 75.000,- buiten de boekhouding van Ennetcom is gebleven en aan ' [persoon] ' is betaald.
Valsheid van de facturen
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij facturen opmaakte voor het bedrijf [bedrijf 3] in Dubai. Zij heeft tevens verklaard dat een deel van die facturen aan Ennetcom en een deel aan [bedrijf 3] werd betaald. De
resellersbetaalden aan Ennetcom als er in Nederland producten werden verkocht. De opbrengst van de verkoop in het buitenland werd betaald aan Dubai (het hof begrijpt: aan [bedrijf 3] ). Zij heeft tevens bevestigd dat er op verzoek van de
resellerscontant werd betaald. Het geld werd door ‘ [werknemer van medeverdachte] ’ naar Suriname vervoerd en vanuit daar is vervolgens aan Dubai betaald. Zij kreeg de gegevens die op de factuur moesten worden verwerkt van de
resellers,en maakte in opdracht van de medeverdachte [medeverdachte] facturen op voor die bedragen.
Uit het dossier en de verklaring van de verdachte blijkt derhalve dat slechts een deel van de door Ennetcom verstuurde rekeningen op factuur en per bank werden voldaan. De resterende bedragen zagen op bestellingen die toe te rekenen waren aan omzet van [bedrijf 3] . Deze bedragen werden vaak contant betaald. Op verzoek van de
resellerswerden deze contante bedragen onder meer naar Suriname overgebracht, waarna ze per bank werden overgemaakt naar [bedrijf 3] . [bedrijf 3] factureerde voor die bedragen. Voor deze route diende wel een provisie te worden betaald van 5 of 6 procent van het te versturen bedrag, en Ennetcom betaalde dit.
Voorts blijkt uit het dossier en uit de verklaring van de verdachte dat de contante geldbedragen via het 'geldkanaal [afkorting] ' naar Suriname werden overgebracht en vervolgens giraal werden overgemaakt naar [bedrijf 3] . Uit het dossier volgt ook dat via het 'geldkanaal [persoon] ' op dezelfde wijze contante bedragen door [persoon] werden verzameld en later gestort op de bankrekening van [bedrijf 3] . Dat deze bedragen zijn toe te rekenen aan de bedrijfsvoering van [bedrijf 3] acht het hof met de rechtbank echter niet geloofwaardig. In de eerste plaats heeft de medeverdachte ter zitting in hoger beroep als getuige verklaard dat er op het kantoor in Dubai niemand werkzaam was en van enige verdere activiteiten van [bedrijf 3] is ook niet gebleken. Het personeel in Nederland, waaronder de verdachte, maakte in opdracht van de medeverdachte ook de facturen voor [bedrijf 3] op. Onduidelijk is dus waarom bestellingen van Nederlandse
resellersdeels door een Nederlandse vennootschap gefactureerd zouden moeten worden en deels door een vennootschap in Dubai, die ook nog eens geen onderdeel was van het Ennetcom-concern. Dat Ennetcom overal ter wereld klanten had, is daarvoor geen afdoende verklaring. Dat betekent immers nog steeds dat voor toerekening aan [bedrijf 3] een reële overeenkomst tot levering van goederen of diensten door [bedrijf 3] aan deze buitenlandse klanten ten grondslag moet liggen. Het feit dat [bedrijf 3] facturen betaalde die verband hielden met de bedrijfsvoering van Ennetcom betekent nog niet dat [bedrijf 3] te gelden heeft als de leverancier van de
resellers. Het (in eerste aanleg) bij dupliek overgelegde overzicht, waaruit zou moeten blijken dat [bedrijf 3] simkaarten activeerde, biedt evenmin onderbouwing voor die stelling. Het was immers Ennetcom die de 'activaties' bij de resellers in rekening bracht. In dat geval zouden er daarmee verband houdende transacties tussen Ennetcom en [bedrijf 3] moeten zijn terug te vinden in de boekhouding, maar dat is niet het geval. Bovendien zijn de bedragen die via de geldkanalen bij [bedrijf 3] terechtkwamen, niet te relateren aan het aantal verkochte activaties zoals vermeld in het Excelbestand. De verdachte heeft verklaard dat zij van de
resellersvernam hoeveel telefoons er waren verkocht en hoeveel activaties er waren uitgevoerd en of deze via Suriname dan wel rechtstreeks aan Ennetcom moesten worden betaald. Ter zitting in hoger beroep heeft de medeverdachte [medeverdachte] - als getuige - verklaard - zakelijk weergegeven - dat [bedrijf 3] een papieren entiteit was die hij gebruikte om bepaalde geldstromen door te geleiden. Op de vraag waarom bepaalde kosten die door Ennetcom werden gemaakt door [bedrijf 3] werden gefactureerd heeft hij slechts geantwoord dat anders Ennetcom in Nederland niet meer zou bestaan. Dit onderstreept ook naar het oordeel van het hof in wezen slechts dat er geen sprake was van concrete leveringen of diensten door [bedrijf 3] .
Daarnaast geldt dat het vervoer van zeer grote contante geldbedragen zonder gebruik te maken van reguliere geldtransportdiensten, gepaard gaat met grote risico's en daarom niet past bij een normale bedrijfsvoering. Nu Ennetcom ook nog provisie diende te betalen voor deze riskante route, valt al helemaal niet in te zien dat hier een andere reden dan het aan het zicht onttrekken van deze geldstromen ten grondslag kan hebben gelegen. De verklaring van de verdachte dat zij voor deze route koos op verzoek van de
resellersen in opdracht van de medeverdachte volstaat in ieder geval niet om het hof dienaangaande tot een ander oordeel te brengen.
Gelet op het bovenstaande is ook het hof van oordeel dat de in feit 2 als eerste en als derde genoemde facturen valselijk zijn opgemaakt door verdachte , werkzaam bij Ennetcom, met als doel een groot deel van de door Ennetcom gemaakte omzet buiten haar reguliere boekhouding te houden. Weliswaar betreffen deze facturen werkelijke omzet, maar deze bevatten niet de gehele omzet en zijn daarom vals. Dat betekent dat de in de tenlastelegging als tweede genoemde factuur van [bedrijf 3] eveneens vals is. Deze factuur ziet immers op het in de boekhouding van [bedrijf 3] verantwoorden van een bedrag van € 90.000,- dat eigenlijk onderdeel uitmaakt van de omzet van Ennetcom.
Het vals opmaken van de facturen kan aan Ennetcom worden toegerekend. Het gaat
om handelingen door verdachte. De gedraging paste in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf. Tot slot kon de rechtspersoon naar believen bepalen of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard.
Blijkens zijn verklaring ter zitting in eerste aanleg was de medeverdachte op de hoogte van de valse facturen en heeft hij daar ook opdracht toe gegeven. In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij de facturen die worden vermeld op de tenlastelegging in opdracht van de medeverdachte heeft opgemaakt.
Dat de verdachte ook het door artikel 225 lid 1 Sr Pro vereiste oogmerk op het valselijk gebruik had, vloeit voort uit de hierboven beschreven gedragingen. In plaats van facturen op te stellen op basis van daadwerkelijk door resellers bestelde producten, maakte de verdachte facturen ter afdekking van de geldstromen naar Dubai. Een dergelijke gedraging kan niet worden gerechtvaardigd door een gebrek aan boekhoudkundige kennis. Het hof acht met de rechtbank derhalve bewezen dat de verdachte schuldig is aan het primair ten laste gelegde medeplegen van opzettelijk vervalsen van de onder 2 genoemde facturen.
De verdachte zal worden vrijgesproken van het vervalsen van de eveneens in de tenlastelegging opgenomen aangifte(n) omzetbelasting. Nu de betreffende aangifte(n) zich niet in het dossier bevindt (bevinden), ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs daarvoor.
Het hof vult hier op aan dat voor zover de medeverdachte de geldstromen inderdaad inzichtelijk heeft kunnen maken, de beslissing van de Belastingdienst om slechts een naheffingsaanslag op te leggen daarlatende, dit alles geenszins afbreuk doet aan de vaststellingen omtrent het ontbreken van een (aanzienlijk) deel van de door Ennetcom behaalde omzet op de facturen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zijop een of meer tijdstip(pen)in
of omstreeksde periode van 1 januari
2014tot en met 19 april 2016
in Nijmegen en/of Arnhem en/of [plaats]en eldersin Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) , althans alleen,heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het
- nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt (WvSr 189 lid 1 sub 2) en/of,
- opzettelijk voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e aan te tonen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, verbergt, vernietigt, wegmaakt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt, dan wel door het opzettelijk verstrekken van gegevens of inlichtingen aan derden die inbeslagneming belet, belemmert of verijdelt (WvSr artikel 189 lid 1 sub Pro 3) en/of- witwassen (WvSr 420bis en/of 420ter en/of 420quater);valselijk opmaken of vervalsen van enig geschrift dat is bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken
(WvSr 225 lid 1 en/of 225 lid 2).
2.
zijop een of meer tijdstip(pen)in
of omstreeksde periode van 1 januari
2014tot en met 19 april 2016
in Nijmegen en/of Arnhem en/of [plaats] , althansen eldersin Nederland,
tezamen en in vereniging met
(een)ander
(en
) (o.a. [bedrijf 1] ( [KvK nummer 1] ) en/of [bedrijf 2] ( [KvK nummer 2] )) en/of [bedrijf 3] ), althans alleen,meermalen, althans eenmaal,
één of meer (kopieën van)facturen, te weten:
-Factuur van [bedrijf 1] met nummer [factuurnummer 1] , met factuurdatum 20 december 2015,
-Factuur van [bedrijf 3] met nummer [factuurnummer 2] , factuurdatum 4 januari 2016,
-Factuur van [bedrijf 1] met nummer [factuurnummer 3] , met factuurdatum 11 oktober 2015,
en/of
-één of meer opgave(s) omzetbelasting over periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 (op naam van) van [bedrijf 1] ,
(elk
)zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt
of vervalst,
immers
heeft/hebben zij en
/ofhaar mededaders,
(telkens
)valselijk op
/indie
factuur/facturen
en/of opgave(s) omzetbelastingonjuist
(e
) (geld
)bedragen en
/ofgeleverde aantallen goederen
en/of omzetvermeld en/of doen vermelden,
zulks
(telkens
)met het oogmerk om die
/datgeschrift
(en
)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een organisatie die zich bezighield met het plegen van valsheid in geschrift. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door een aantal facturen in de administratie van Ennetcom, voor welk bedrijf zij de boekhouding verzorgde, vals op te maken. Deze valse facturen maakten deel uit van een constructie waarmee een gedeelte van de omzet van het bedrijf buiten de boeken werd gehouden.
Het hof heeft acht geslagen op de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting. Door het opmaken van valse facturen heeft de verdachte een bedrag van ruim 2 ton buiten de boekhouding van het bedrijf gehouden. Op basis van de Oriëntatiepunten rechtvaardigt fraude op deze schaal een gevangenisstraf van 12 maanden. De verdachte heeft dit feit begaan in het kader van een crimineel samenwerkingsverband, hetgeen een hogere gevangenisstraf zou rechtvaardigen. De verdachte was geen leidinggevende van deze organisatie. Zij nam niet het initiatief tot het plegen van de bewezenverklaarde feiten. Zij was in loondienst bij Ennetcom, en deed haar werk in opdracht van de medeverdachte. Het door de bewezen verklaarde feiten verkregen voordeel kwam niet bij haar terecht: zij kreeg slechts een regulier uurloon.
Het hof heeft tevens acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte. Daaruit volgt dat zij niet recent voor strafbare feiten is veroordeeld.
Tot slot heeft het hof acht geslagen op de (zwaarwegende) persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij is moeder van twee kinderen die afhankelijk van haar zijn, zij heeft geen familie in Nederland. Zij is inmiddels weer aan het werk, en heeft haar leven opnieuw vormgegeven. De gezondheid van verdachte is zeer kwetsbaar. Deze zaak heeft 10 jaar lang boven haar hoofd gehangen. De daarbij komende stress en onzekerheid is haar gezondheidssituatie niet ten goede gekomen.
Redelijke termijn
Het hof stelt in verband met het genoemde tijdsverloop voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of haar raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Het hof overweegt met betrekking tot de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is op 4 april 2018 voor het eerst verhoord door de politie. Op 30 mei 2018 heeft een regiebijeenkomst plaatsgevonden bij de rechter-commissaris in onderzoek DeVink, in welk onderzoek de verdachte als verdachte is aangemerkt. Het hof is van oordeel dat de verdachte op dat moment in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft eerst op 21 september 2021 uitspraak gedaan. De redelijke termijn is daarmee in eerste aanleg met ruim 1 jaar en 3 maanden overschreden.
Op 5 oktober 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De redelijke termijn is daarmee in hoger beroep met ongeveer 2 jaar en 8 maanden overschreden.
Het hof is van oordeel, gelet op genoemd tijdsverloop, dat de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep in zeer ernstige mate, te weten met bijna 4 jaar, is overschreden. Ondanks de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak, is het hof van oordeel dat deze overschrijding een aanzienlijke matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Conclusie
De aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten geven in beginsel aanleiding om aan verdachte een substantiële, onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Mede gelet op de zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden. Gelet op de zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn is het hof van oordeel dat het niet langer passend is om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof is derhalve van oordeel dat deze gevangenisstraf moet worden omgezet in een voorwaardelijke gevangenisstraf met een korte proeftijd, te weten van één jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, als voorzitter, mr. B.P. de Boer en mr. C.H.M. Royakkers, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M.A. Schipper.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890.
2.HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533.
3.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:1890.
4.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890.
5.HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4173; NJ 2011/603, m.nt. M.J. Borgers.
6.Kamerstukken II, 2003-2004, 29 441, nr. 3, p. 14.
7.Zie bijvoorbeeld EHRM 25 mei 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0525JUD003525208 (
8.P.A.M. Verrest en P.A.M. Mevis (red.),
9.Vgl. HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774.
10.Vgl. HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1377.