ECLI:NL:GHDHA:2026:2047

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
BK-24/674
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArt. 40 lid 2 Wet WOZArt. 6:22 AwbArt. 8:75 AwbArt. 30a lid 4 en 5 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing uitstel mondelinge behandeling en vergoeding immateriële schade WOZ-zaak

Belanghebbende, gebruiker van een winkelpand, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en aanslagen van de gemeente Zoetermeer. De Rechtbank wees het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling af en wees een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze beslissingen.

Het Hof oordeelt dat de Rechtbank ten onrechte het uitstelverzoek heeft afgewezen, omdat belanghebbende tijdig en gemotiveerd verhinderdata had opgegeven en het verzoek niet op toereikende gronden werd geweigerd. Daarnaast is vastgesteld dat artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet is geschonden omdat de onderbouwing van de kapitalisatiefactor niet volledig verstrekt hoefde te worden.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding stelt het Hof dat belanghebbende wel recht heeft op een vergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. De Rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de machtiging aan de gemachtigde het recht op vergoeding uitsloot. Het Hof veroordeelt de Heffingsambtenaar tot betaling van deze vergoeding, proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: Het Hof vernietigt het vonnis over uitstel en immateriële schadevergoeding, kent €500 vergoeding toe en veroordeelt de Heffingsambtenaar tot proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/674

Uitspraak van 13 mei 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 mei 2024, nummer SGR 23/1034.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 865.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag onroerendezaak-belastingen gebruiker van de gemeente Zoetermeer (de OZB-aanslag), alsmede een aanslag rioolheffing gebruiker (gezamenlijk: de aanslagen).
1.2.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaren tegen de beschikking en de aanslagen afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar over de beschikking en de OZB-aanslag beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 559. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Bij bericht van 24 september 2025 aan belanghebbende en aan de Heffingsambtenaar heeft het Hof laten weten dat het de zaak af wilde doen zonder mondelinge behandeling en dat een partij die toch gebruik wilde maken van het recht ter zitting te worden gehoord dat uiterlijk binnen twee weken na de dagtekening van voormeld bericht moest laten weten. Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een winkel met een showroom op de begane grond van ongeveer 382 m² en op de eerste etage van ongeveer 469 m2. De onroerende zaak beschikt verder over een opslagruimte van ongeveer 34 m2.
2.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 6 april 2022 bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslagen. In het bezwaarschrift is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“(…) Om de WOZ-waarde en de opgelegde aanslag nader te controleren verzoek ik u ons uiterlijk binnen twee weken via [e-mailadres] het taxatieverslag of een taxatiekaart/matrix met daarop een uitgebreide onderbouwing van de waarde toe te sturen.
Tevens verzoek ik u conform artikel 40 Wet Pro WOZ om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan mij te verstrekken zodat ik de door u gemaakte keuzes te allen tijde kan controleren. Ik doel hierbij op alle stukken/gegevens die u bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van dit bezwaar heeft betrokken. Hieronder kunnen bijvoorbeeld vallen de grondstaffels, liggingsfactoren, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum, de KOUDV-factoren van het onderhavige object en de referentiepanden, huurcijfers voor de gehanteerde huurwaarde, onderbouwing van de kapitalisatiefactor, de correctie in verband met Covid-19 etc. Dit verzoek ziet op de gehele bezwaarfase; ook als u na de hoorzitting nog nieuwe stukken in de procedure betrekt wil ik deze van u ontvangen. Dat u hiertoe verplicht bent volgt uit ECLI:NL:HR:2018:1316, ECLI:NL:PHR:2017:1051, ECLI:NL:RBAMS:2021:3591, ECLI:NL:RBAMS:2021:5041 en ECLI:NL:GHARL:2021:7246
(…)”
2.3.
In de uitspraak op bezwaar zijn de volgende gegevens vermeld:
“Het onderhavige object [adres 1] betreft een winkel/verkoopruimte van 885 m2. Op 01-09-2018 is dit object verhuurd voor € 80.848,00. Gebleken is dat van een bruto-jaarhuur is uitgegaan van € 80.121,00. De vierkante meter prijs is door de gemeente gesteld op € 90,53 per m2 per jaar. In vergelijking met de gerealiseerde huur van € 80.848,00 exclusief incentives op 01-01-2021, is de basis huurwaarde van de gemeente reëel.
De kapitalisatiefactor is op basis van de gerealiseerde huur 10,7.
Referenties:
- [adres 2] . Huurprijs € 117.000,00 per 21-10-2020. De winkel is 1480 m2 groot. Huurprijs per m2 is € 79,05.
- [adres 3] . Huurprijs € 120.000,00 per 21-10-2020. De winkel is 1257 m2 groot. Huurprijs per m2 is € 95,46.
- [adres 4] . Huurprijs € 60.950,00- per 06-06-2020. De winkel is 530 m2 groot. Huurprijs per m2 is € 115,00”
2.4.
De Rechtbank heeft belanghebbende op 11 maart 2024 een vooraankondiging voor de mondelinge behandeling van 14 mei 2024 gestuurd. In de vooraankondiging staat het volgende:
“De rechtbank is voornemens het beroep op 14 mei 2024 te behandelen, in
het gerechtsgebouw te Den Haag.
Als u verhinderd bent op het aangekondigde dagdeel kunt u uiterlijk 18
maart 2024 verzoeken om een andere zittingsdatum. Dit verzoek dient
gemotiveerd te zijn. In uw verzoek dient u tevens aan te geven op welke
dagdelen u verhinderd bent in de periode van twee weken vóór en zes weken
na de voorgestelde zittingsdatum. De rechtbank zal dan een andere
zittingsdatum vaststellen.
U krijgt zo spoedig mogelijk na deze vooraankondiging een definitieve
uitnodiging met de datum en het tijdstip van behandeling van uw zaak op de
zitting.”
2.5.
De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 12 maart 2024 onder meer als volgt gereageerd op de onder 2.4 bedoelde vooraankondiging voor de mondelinge behandeling:
“Onlangs ontving ik van u de uitnodiging voor de zitting in bovengemeld
procedurenummer.
Helaas zijn die dag al bij meerdere andere rechtbanken/hoven in het land zittingen
ingepland, waardoor erop 14 mei geen collega beschikbaar is om naar de zitting te
gaan. Derhalve verzoek ik bij deze uitstel voor de zitting.
Onze verhinderdata twee weken voor en zes weken na de zitting zijn:
- Mei: 1, 2, 3, 7, 14, 15, 31
- Juni: 4, 11
Dit zijn de verhinderdata voor zover bekend op dit moment. Zou u zo vriendelijk willen zijn om de datums waarop u zittingen wil plannen even kort met ons af te stemmen?
Wij kunnen de dag/het dagdeel dan reserveren voor uw rechtbank.”

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“8. Gemachtigde van eiseres heeft op 12 maart 2024 verzocht om uitstel van de zitting. Dit verzoek is door de rechtbank op 29 maart 2024 afgewezen aangezien gemachtigde in de periode mei en juni te veel verhinderdata had opgegeven waardoor de kans heel klein zou worden om een geschikte zittingsdatum te plannen. Gemachtigde heeft een dag voor de zitting, op 13 mei 2024, op de hiervoor genoemde afwijzing van het uitstelverzoek gereageerd en gemeld dat zij het niet eens is met de reden van afwijzing van het verzoek om uitstel. Gemachtigde stelt over een periode van 8 weken 12 verhinderdata te hebben opgegeven. Daarnaast maakt gemachtigde bezwaar tegen de inhoudelijke behandeling op de geplande zittingsdatum 14 mei 2024 aangezien zij niet aanwezig zal zijn.
9. De rechtbank overweegt het volgende. Het bezwaar tegen de afwijzing van het uitstelverzoek is eerst daags voor de zitting verstuurd terwijl de afwijzing dateert van 29 maart 2024. Gemachtigde geeft over een periode van 41 werkdagen 12 verhinderdata opgenomen. De rechtbank acht een dergelijke hoeveelheid verhinderdata op 41 werkdagen te veel en neemt daarbij in aanmerking dat gemachtigde werkzaam is bij een kantoor met meerdere medewerkers en de mogelijkheid heeft om een andere medewerker de zitting te laten bijwonen. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat de rechtbank niet tot heroverweging van haar eerdere beslissing op het uitstelverzoek is over gegaan en de zitting doorgang heeft laten vinden op 14 mei 2024.
(…)
12. Eiseres heeft in bezwaar verweerder verzocht conform artikel 40 Wet Pro WOZ alle op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Eiseres heeft hierbij gewezen op onder meer de huurcijfers voor de gehanteerde huurwaarde, de onderbouwing van de kapitalisatiefactor en de correctie in verband met Covid-19. In beroep heeft eiseres gesteld dat verweerder geen inzicht heeft gegeven in de gegevens op basis waarvan de kapitalisatiefactor is vastgesteld. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak op bezwaar waarin volgens hem onderdelen zijn opgenomen die bij de bepaling van de kapitalisatiefactor een rol spelen en de transactiecijfers die vermeld zijn ter onderbouwing van de kapitalisatiefactor.
13. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder een kapitalisatiefactor van 10,7 opgenomen voor de onroerende zaak en een overzicht van gebruikte referentiehuren. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt een volledige onderbouwing van de gehanteerde kapitalisatiefactor. De rechtbank stelt vast dat eiseres in de bezwaarfase een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van de onderbouwing van de kapitalisatiefactor. Nu de onderbouwing van de kapitalisatiefactor niet uiterlijk bij de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk aan eiseres is verstrekt, is artikel 40 van Pro de Wet WOZ geschonden[2]. Eiseres heeft in beroep alsnog kennis kunnen nemen van alle onder 12 genoemde gegevens, waaronder dus de onderbouwing van de kapitalisatiefactor en heeft deze kunnen betwisten. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
Immateriële schadevergoeding
15. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 13 april 2022, zodat er sprake is van een geringe overschrijding van de redelijke termijn van 1 maand en 15 dagen ten tijde van het doen van deze uitspraak. Eiseres heeft in beginsel recht op een vergoeding ter compensatie voor de spanning en frustratie als gevolg van de lange duur van de procedure. Uit de door eiseres overgelegde machtiging volgt dat de vergoeding toekomt aan de gemachtigde en niet aan eiseres. Nu niet gebleken is dat is afgeweken van de machtiging, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiseres niet persoonlijk gecompenseerd behoeft te worden voor spanning en frustratie[3]. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en geen compensatie in de vorm van schadevergoeding toe te kennen.
16. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
(…)
[2] Hoge Raad, 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052
[3] Gerechtshof Den Haag 29 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1918, r.o. 5.8”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of:
  • de Rechtbank belanghebbendes verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling ten onrechte heeft afgewezen;
  • Belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding wegens schending artikel 40, lid 2, Wet WOZ door de Heffingsambtenaar omdat hij niet de volledige onderbouwing van de gehanteerde kapitalisatiefactor heeft verstrekt; en
  • de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Voorts verzoekt belanghebbende om een (proces)kostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep en vraagt hij het Hof te bepalen dat de betaling rechtstreeks aan gemachtigde dient plaats te vinden.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

Uitstelverzoek mondelinge behandeling Rechtbank
5.1.
De Rechtbank heeft op 11 maart 2024 een vooraankondiging aan partijen doen uitgaan voor een mondelinge behandeling op 14 mei 2024. Bij brief van 12 maart 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Rechtbank te kennen gegeven dat hij verhinderd is op de aangekondigde zittingsdatum. De Rechtbank heeft het verzoek om uitstel bij bericht van 29 maart 2024 afgewezen en belanghebbende bij brief van 8 april 2024 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 14 mei 2024. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 13 mei 2024 geprotesteerd tegen het niet verlenen van uitstel voor de mondelinge behandeling door de Rechtbank.
5.2.
De gemachtigde van belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte zijn verzoek om uitstel van de zitting heeft afgewezen. Dit is volgens de gemachtigde in strijd met een goede procesorde.
5.3.
De rechter moet in belastingzaken een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting inwilligen indien een partij daar tijdig om verzoekt en gewichtige redenen aanvoert waarom zij niet aanwezig kan zijn op de dag die voor de zitting is vastgesteld of waarom zij zich niet op die zitting kan voorbereiden. De rechter wijst zo’n verzoek alleen af als hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zo’n uitstel in de weg staan. Deze beslissing moet de rechter in zijn uitspraak motiveren. Bij die beoordeling mag de rechter geen betekenis toekennen aan de mate waarin een partij haar standpunt(en) in de zaak tot dan toe heeft onderbouwd. Voor zover de rechter bij de beoordeling van een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting andere handelingen en gedragingen van die partij betrekt, dient hij zich te beperken tot handelingen en gedragingen van die partij in de desbetreffende zaak en in zijn instantie. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat ondanks de door belanghebbende opgegeven reden (i) het belang van een behoorlijke procesorde – die afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen indien het onderzoek ter zitting zou worden aangehouden, en (ii) dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de belanghebbende om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn (vgl. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:525, r.o. 2.4.1 tot en met 2.4.3).
5.4.
De Rechtbank heeft haar beslissing om geen uitstel te verlenen van het onderzoek ter zitting gebaseerd op de omstandigheid dat de gemachtigde van belanghebbende te veel verhinderingen heeft doorgegeven in de desbetreffende periode. Volgens de Rechtbank is de kans door de door belanghebbende opgegeven verhinderdata heel klein om een geschikte dag te vinden om de zaak op een zitting te plannen. De Rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende werkzaam is bij een kantoor met meerdere medewerkers en de mogelijkheid heeft om een andere medewerker de zitting te laten bijwonen. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling op 14 mei 2024 ten onrechte heeft afgewezen. Anders dan de Rechtbank kennelijk aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, is het Hof van oordeel dat de gemachtigde van belanghebbende met de onder 2.5 bedoelde brief een gewichtige reden heeft aangevoerd. Met die brief heeft de gemachtigde van belanghebbende, zoals door de Rechtbank in de 2.4 bedoelde vooraankondiging is verzocht, ook tijdig en gemotiveerd om een andere zittingsdatum verzocht en verhinderdata opgegeven. In de vooraankondiging zegt de Rechtbank toe alsdan een andere zittingsdatum te zullen vaststellen. De enkele omstandigheid dat sprake is van (zeer) veel verhinderdata in een bepaalde tijdsperiode vormt op zichzelf beschouwd ook geen reden om een verzoek om uitstel af te wijzen (vgl. Gerechtshof Den Haag 1 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1087). Overigens constateert het Hof dat de gemachtigde van belanghebbende in de onder 2.5 bedoelde brief slechts vier verhinderdata heeft genoemd die na de oorspronkelijk door de Rechtbank geplande zittingsdatum vallen. Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt ook overigens niet van zwaarwegende belangen die het verlenen van uitstel in de weg hebben gestaan. Gelet op het voorgaande berust de beslissing van de Rechtbank op het verzoek om uitstel niet op toereikende gronden en is het hoger beroep van belanghebbende wat betreft het weigeren van uitstel van de mondelinge behandeling door de Rechtbank gegrond.
Toezendverplichting (art. 40, lid 2, Wet WOZ)
5.5.
Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt. De hiervoor bedoelde gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052). De gegevens dienen uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar te worden verstrekt (HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.3.1).
5.6.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding wegens schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ omdat de Heffingsambtenaar niet de volledige onderbouwing van de gehanteerde kapitalisatiefactor heeft verstrekt. De verzochte gegevens, namelijk de (gehele) onderbouwing kapitalisatiefactor, zijn volgens belanghebbende te laat door de Heffingsambtenaar verstrekt.
5.7.
De Heffingsambtenaar stelt dat de toezendplicht niet is geschonden en voert daartoe het aan dat de door belanghebbende verzochte kapitalisatiefactor en een overzicht van de gebruikte referentiehuren bij uitspraak op bezwaar zijn verstrekt.
5.8.
Gelet op de inhoud van belanghebbendes verzoek (zie 2.2) was deze voldoende specifiek.
5.9.
Aan de in 5.5 bedoelde eis dat de gegevens voor de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak zijn gebruikt, is slechts voldaan indien die gegevens door de heffingsambtenaar daarvoor rechtstreeks zijn gebruikt. Artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ verplicht de heffingsambtenaar daarom niet tot het verstrekken van afschriften van bronnen waaraan hij die gegevens heeft ontleend (en dus ook niet van de bronnen van die bronnen, enzovoorts) (HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297). De door de Heffingsambtenaar bij de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak gebruikte kapitalisatiefactor is een gegeven dat aan de waardevaststelling ten grondslag ligt. De voor de waardering van de onroerende zaak gehanteerde kapitalisatiefactor is vermeld in het taxatieverslag en in de uitspraak op bezwaar. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ echter niet van toepassing op de gegevens waarop de kapitalisatiefactor is gebaseerd. Het Hof is daarom van oordeel dat artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet is geschonden door de gang van zaken rondom de onderbouwing van de kapitalisatiefactor, zodat de Rechtbank terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.
Vergoeding van immateriële schade
5.10.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hij geen spanning en frustratie heeft ondervonden omdat hij de vordering wegens immateriële schade in de machtiging bij voorbaat heeft overgedragen aan de gemachtigde.
5.11.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aan het toekennen van een vergoeding wegens immateriële schade niet in de weg staat dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een zodanige vergoeding aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald (vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3.). Dat de belanghebbende bij voorbaat een beslissing heeft genomen over de besteding van de vergoeding die hij eventueel zal krijgen voor spanning en frustratie vanwege de lange duur van een procedure, zoals in het onderhavige geval, brengt niet mee dat die spanning en frustratie hem bespaard zullen blijven, en hij dus niet zulke immateriële schade zal lijden (HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.2.).
5.12.
Het voorgaande betekent dat niet relevant is dat voor de tussen belanghebbende en de gemachtigde gesloten overeenkomst bepalingen gelden die met zich brengen dat belanghebbende niet persoonlijk gecompenseerd wordt voor veronderstelde spanning en frustratie. Geen rechtsregel bepaalt dat in zo’n situatie geen recht op vergoeding voor veronderstelde immateriële schade bestaat. Derhalve heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de bepaling in de machtiging meebrengt dat belanghebbende niet persoonlijk gecompenseerd behoeft te worden voor spanning en frustratie en heeft de Rechtbank ten onrechte volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en dat geen compensatie in de vorm van schadevergoeding wordt toegekend. Belanghebbende komt in aanmerking voor een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5.13.
Op grond van vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen, uitspraak doet (zie het overzichtsarrest HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.3.1, 3.3.2 en 3.4.2.). De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen.
5.14.
Het bezwaarschrift is door de Heffingsambtenaar ontvangen op 13 april 2022 en hij heeft uitspraak gedaan op 22 december 2022. Het beroepschrift is op 2 februari 2023 door de Rechtbank ontvangen en de Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 28 mei 2024. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Heffingsambtenaar tot en met de datum waarop de Rechtbank uitspraak doet, zijn twee jaar en (ruim) een maand verstreken. De redelijke termijn is aldus met minder dan zes maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500 (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.2.1 en 3.5). De overschrijding dient te worden toegerekend aan de bezwaarfase, nu de Heffingsambtenaar bij het doen van uitspraak buiten de voor hem geldende termijn van een half jaar is getreden en de Rechtbank binnen de voor haar geldende termijn van anderhalf jaar is gebleven.
5.15.
De Heffingsambtenaar zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500 aan belanghebbende voor de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en de beroepsfase.
Slotsom
5.16.
Het hoger beroep is gelet op het onder 5.1 tot en met 5.4, en 5.10 tot en met 5.14 overwogene gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten.
Beroepsfase
6.2.
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in beroep stelt het Hof de kosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Awb bestuursrecht in verbinding met het Bpb vast op
€ 233,50: 1 punt (1 punt beroepschrift Rechtbank) à € 934 x 0,25 (gewicht van de zaak). Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase uitsluitend is gelegen in de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg wordt toegekend (zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526).
Hoger beroepsfase
6.3.
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep stelt het Hof de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage vast op € 46,70: 1 punt (hogerberoepschrift) à € 934 x 0,5 (gewicht van de zaak) x 0,1 (vermenigvuldigingsfactor Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, WHpkv). Bij de vaststelling van de wegingsfactor heeft het Hof mede acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep uitsluitend grieven van formeelrechtelijke aard zijn aangevoerd. Ten aanzien van de vermenigvuldigingsfactor merkt het Hof op dat de gemachtigde zich niet erop heeft beroepen een bijzonder geval te zijn in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
6.4.
Nu de uitspraak van de Rechtbank is bekendgemaakt na 1 januari 2024 en het bestreden besluit, de WOZ-beschikking niet wordt gewijzigd, heeft het Hof factor 0,1 toegepast voor de proceskosten in hoger beroep. Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding.
Griffierechten
6.5.
Verder dient de Heffingsambtenaar de voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van tezamen € 924 (€ 365 + € 559) aan belanghebbende te vergoeden (ECLI:NL:HR:2024:567).
Uitbetaling van proceskostenvergoeding en griffierecht
6.6.
Belanghebbende heeft klachten gericht tegen het cessieverbod van artikel 30a, lid 4 en 5, Wet WOZ en het Hof verzocht te bepalen dat de betaling van de vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht, in overeenstemming met dat wat is opgenomen in de aan de gemachtigde verleende volmacht, rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden.
6.7.
De belastingrechter is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding en het griffierecht dient plaats te vinden. Belanghebbende dient zich bij een geschil daarover te wenden tot de burgerlijke rechter (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4).

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade en het niet verlenen van uitstel voor de mondelinge behandeling;
  • veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
  • veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten in beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 280,20;
  • draagt de Heffingsambtenaar op aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 924 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, M.J.M. van der Weijden en C. Maas in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout H.A.J. Kroon

De beslissing is op 13 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.