2.5.Het middel klaagt verder dat het Hof zijn oordeel niet toereikend heeft gemotiveerd nu het niet heeft aangegeven wanneer de klager wel als rechthebbende zou kunnen worden aangemerkt. Daarmee stelt het middel een eis die het recht niet kent. Het Hof heeft geoordeeld dat de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs moet worden aangemerkt als de rechthebbende en het heeft gemotiveerd op welke gronden het tot dit oordeel is gekomen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en is, in aanmerking genomen wat door de klager is aangevoerd voor zijn stelling dat hij de rechthebbende is, toereikend gemotiveerd.”
Het juridisch kader voor het overige. Een tussenbeschouwing.
Het hof heeft het nodig gevonden ook de kaders A en B kort te schetsen, omdat naar zijn oordeel kader C niet op zichzelf kan worden beschouwd. Het hof merkt op dat het er niet in is geslaagd kader C gedetailleerder uit te werken dan zojuist in de inleiding is geschied. Dit betekent dat er ten minste één vraag is waarop, naar het oordeel van het hof, de rechtspraak van de Hoge Raad vooralsnog geen antwoord heeft gegeven.
Die vraag is de volgende. Uit de beschrijving van kader B in de inleiding – in het bijzonder uit de eerste twee gecursiveerde passages – komt naar voren dat een last tot bewaring alleen dán door de zittingsrechter kan worden gegeven als aannemelijk is dat de beslagene geen recht heeft op het voorwerp. Zonder dit prealabele oordeel kan niet gekomen worden tot de beslissing om de last tot bewaring te geven. Behoort dit prealabele oordeel daarmee tot de – in r.o. 2.4 van ECLI:NL:HR:2018:2333 bedoelde – beslissing van de strafrechter die de beklagrechter moet houden voor een vaststaand gegeven dat hij niet op zijn juistheid mag toetsen? Zo ja, dan lijkt een gegrondverklaring van een klacht,ingediend door de beslagene als klagerin een beklagprocedure als de onderhavige, theoretisch onmogelijk. Het beklag van de beslagene strekt er immers toe dat hij voor de rechthebbende wordt gehouden. Maar de beslissing van de strafrechter houdt juist in dat de beslagenenietde rechthebbende is.Hoe kan de beklagrechter tot het door de beslagene gewenste oordeel komen als hij daarbij niet tevens de – logisch dwingende – conclusie mag trekken dat de beslissing van de strafrechter achteraf onjuist blijkt te zijn geweest? In het verlengde daarvan geldt dat de beslagene zelf nimmer kan kwalificeren “als de rechthebbende ten behoeve van wie de strafrechter de bewaring heeft gelast” (zie de gecursiveerde passage in de laatstgenoemde rechtsoverweging). De bewaring uit artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv wordt immers per definitie gelast ten behoeve van een ander dan de beslagene. In de gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad is er na ECLI:NL:HR:2018:2333 zélf, geen latere beklagzaak waarin én de klager de beslagene zelf was én de Hoge Raad toepassing geeft aan het schema van laatstgenoemde beschikking.In ECLI:NL:HR:2018:2333 heeft de Hoge Raad geen aandacht besteed aan de vraag uit de vorige alinea, doch (in r.o. 2.5, hierboven geciteerd) overwogen dat het hof tot het niet onbegrijpelijke en afdoend gemotiveerde oordeel was gekomen “dat de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs moet worden aangemerkt als de rechthebbende”. Het juridisch kader voor het overige. Conclusie.
Gelet op het slot van de vorige alinea, in het bijzonder de daar geciteerde passage, gaat het hof verder voorbij aan de door hem opgeworpen vraag over de onderlinge verhouding tussen de kaders B en C. Het komt tot de slotsom dat, in een geval als het onderhavige, het aan de beslagene (als klager) is om aannemelijk te maken dat hij degene is die redelijkerwijs moet worden aangemerkt als de rechthebbende.Vanuit een perspectief van ‘bewijs’-last betekent het feit dat klager zélf iets aannemelijk moet maken, dat hij in dit stadium geen aanspraak meer kan maken op toepassing van de hoofdregel uit de kaders A en B, te weten dat – behoudens een ‘tenzij’ – het beslag aan de beslagene moet worden teruggegeven indien het belang van strafvorderering de voortduring van het beslag niet langer vordert. Nu is het omgekeerde aan de orde: de gelaste bewaring zal in stand dienen te blijven, tenzij de klager aannemelijk maakt dat hij (toch) de rechthebbende is.In het verlengde hiervan ziet het hof dan ook parallellen met hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen ten aanzien van hernieuwd beklag,waaruit onder meer blijkt dat de klager ten minste met méér moet komen dan hij bij de laatste gelegenheid naar voren heeft gebracht.
Toepassing van het juridisch kader op de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen; de ontvankelijkheidstoets
In dit geval heeft klager gesteld de rechthebbende te zijn op de voorwerpen waarop het beslag nog rust. Daarmee is hij ontvankelijk in zijn klaagschrift (HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3667; zie hierboven). Het hof heeft zich nog de vraag gesteld of in het onderhavige geval, waarin het betwiste beslag voor het overgrote deel samenhangt met feit 1 van dagvaarding II, de last tot bewaring, voor zover op dat deel betrekking hebbend, wel door de zittingsrechter gegeven had mogen worden. Een nietigverklaring van de inleidende dagvaarding behoort immers niet tot de beslissingen die worden genoemd in het eerste lid van artikel 353 Sv. En, zoals hierboven reeds overwogen, een last uit het tweede lid kan niet worden gegeven zonder toepasselijkheid van het eerste lid. Het staat het hof als beklagrechter echter niet vrij om in deze beslissing van het hof als zittingsrechter te treden, omdat laatstbedoelde beslissing als vaststaand gegeven moet worden beschouwd. Maar zelfs als dat anders zou zijn, dan nog zou het oordeel van het hof als beklagrechter, hoe ook dat oordeel zou hebben geluid, niet hebben kunnen afdoen aan de ontvankelijkheid van klager. Ook overigens betrekt het hof als beklagrechter deop dit puntmogelijk onjuiste beslissing van de zittingsrechter niet in zijn overwegingen. Dit betekent dat, hoe dan ook, het hof als beklagrechter de door het hof als zittingsrechter gegeven last tot bewaring beschouwt als een “op de voet van art. 353 Sv gegeven beslissing” zoals bedoeld in r.o. 2.4 van ECLI:NL:HR:2018:2333. Toepassing van het juridisch kader voor het overige op de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen
Bij de concrete beoordeling van het beklag, voor zover betrekking hebbend op de in het kopje hierboven bedoelde voorwerpen, stelt het hof het volgende voorop. In de kern gaat het bij het betreffende beslag voor het allergrootste deel om een (zeer) grote hoeveelheid voorwerpen die gerelateerd zijn aan de handel in (tweedehands) auto’s en aan de handel in auto-onderdelen en toebehoren, zoals alarmsystemen en bepaalde gereedschappen. Ofschoon het bezit van en/of handelingen met deze voorwerpen tot een witwasverdenking hebben geleid, heeft die verdenking uiteindelijk niet tot een vervolging geleid die is afgerond met een veroordeling ter zake van dat misdrijf. In het kader van de onderhavige beklagprocedure heeft klager, door de productie van een groot aantal documenten, gevoegd als bijlagen bij het klaagschrift, ten aanzien van een aanzienlijk deel van de voorwerpen aannemelijk gemaakt dat hij ze op een normale manier heeft gekocht en soms ook, waar dat nodig was, heeft laten registreren (bijvoorbeeld bij de Rdw). Daarmee heeft klager, naar het oordeel van het hof, een fors tegenwicht weten te bieden aan de bewaringsbeslissing van het hof als zittingsrechter die, zoals hierboven is geciteerd, (slechts) gestoeld was op de omstandigheid dat het hof van de desbetreffende voorwerpen niet kon vastellen wie ervan de eigenaar was (een maatstaf die de beklagrechter niet op zijn juistheid mag toetsen). Hierdoor is, al bij al, de situatie ingetreden dat, naar het oordeel van het hof, het waarschijnlijker is dat voor de meerderheid van de voorwerpen geldt dat de klager de rechthebbende is dan dat een ander dit is.
Mede gelet op het summiere karakter van de raadkamerprocedure staat het het hof naar zijn oordeel vrij om laatstbedoelde vaststelling zodanig te extrapoleren dat het klaagschrift – voor zover betrekking hebbend op de voorwerpen waarvan de bewaring is gelast – integraal gegrond wordt verklaard, met dien verstande dat het ook bij zo’n extrapolatie altijd mogelijk blijft om een uitzondering te maken voor specifieke voorwerpen, waarvoor onverminderd is blijven gelden dat het niet aannemelijk is dat de klager daarop rechthebbende is. In deze beklagzaak betekent dit in concreto dat het hof van oordeel is dat de klager, met één hierna te bespreken uitzondering, erin is geslaagd om ten aanzien alle voorwerpen met betrekking waartoe de bewaring is gelast aannemelijk te maken dat hij de rechthebbende daarop is. De daarmee gepaard gaande teruggave aan klager als beslagene heeft, naar het oordeel van het hof, ook gelet op het tijdsverloop,geen onredelijke gevolgen,mede in aanmerking genomen dat die teruggave geen uitsluitsel geeft over civielrechtelijke verhoudingen en ieders aanspraak op de desbetreffende voorwerpen onverlet laat.
De zojuist aangekondigde uitzondering betreft het motorblok genoemd op de slotpagina van het klaagschrift. De tekst van de door de door de klager aangeleverde en op dit motorblok betrekking hebbende bijlage (nummer 78) levert veeleer een contra-indicatie op dan een onderbouwing van het standpunt dat klager de rechthebbende op dit motorblok zou zijn. (Zonder daaraan enige betekenis toe te kennen, merkt het hof op dat niet duidelijk is of dit motorblok voorkomt op een van de twee beslaglijsten die beginnen met het nummer 09/837317-19 en, zo ja, op welke van de twee.)
Voor het maken van verdere uitzonderingen heeft het hof geen aanleiding gevonden, ook niet in hetgeen van de zijde van het Openbaar Ministerie is ingebracht.
Het voorgaande betekent dat het hof, behalve ten aanzien van het zojuist genoemde motorblok, het klaagschrift integraal gegrond zal verklaren.
Deze gegrondverklaring geldt dus ook voor klagers verzoek tot teruggave van een geldbedrag van € 631,-- (ongenummerde p. 90 van het klaagschrift d.d. 23 december 2024; nummer 3 op de beslaglijst met nummer 09/852255-18). Op de laatste pagina van de schriftelijke conclusie d.d. 4 november 2025 wordt hieromtrent door de advocaat-generaal gezegd dat hij met betrekking tot dit bedrag geen kennisgeving van inbeslagneming in het dossier heeft aangetroffen, “zodat niet vastgesteld kan worden dat op dit bedrag (nog) beslag rust”. Deze opvatting miskent dat voor het antwoord op de vraag of een goed in beslag is genomen, niet doorslaggevend is of dat goed is vermeld op een kennisgeving van inbeslagname, in een proces-verbaal van bevindingen, of op de lijst van inbeslaggenomen goederen.Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de bedoelde kennisgeving zich bevindt op de digitale pagina 13 van het digitale bestand met de naam ‘3. Politie pv (Eind dossier) (2)’.
Nu het hof komt tot de hierboven weergegeven beslissingen is er voor klager geen belang meer bij bespreking van het namens hem gedane beroep op schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Tenuitvoerlegging van de teruggavebeslissing
Het hof sluit niet uit dat een of meer voorwerpen inmiddels tegen baat zijn vervreemd (artikel 118, vierde lid, Sv in verbinding met de artikelen 116 en 117 Sv). In dat geval is het beslag blijven rusten op de verkregen opbrengst (artikel 117, vierde lid, Sv). Waar dit het geval is zal tenuitvoerlegging van de hierna te vermelden teruggavebeslissing dienen neer te komen op uitkering van die opbrengst aan klager.
Verklaarthet beklag
ongegrondten aanzien van het motorblok dat is omschreven in het mutatierapport van de politie, Eenheid Den Haag, d.d. 4 mei 2016 met registratienummer PL1500-2016124667-1, gevoegd als bijlage 5 bij proces-verbaal LEFC818006-254;