Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
BESCHIKKING
Toepassing van het juridisch kader op de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen; de ontvankelijkheidstoets.
indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat de beslagene geen recht heeft op het voorwerpen er geen ander is die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (vgl. HR 29 oktober 2002, NJ 2003, 19).” [4]
NJ2003, 19 (ECLI:NL:HR:2002:AE5650) waarnaar de Hoge Raad verwijst luidt: “Uit de onder 3.6 weergegeven passages uit de Memorie van Toelichting moet worden afgeleid dat
in geval naar het oordeel van de rechter aannemelijk is dat degene onder wie is inbeslaggenomen geen recht heeft op het voorwerp, het de rechter vrij staat de bewaring te gelasten.” [5]
voor de gevallen waarin die teruggave onredelijke gevolgen zou hebben. (Kamerstukken II 1993-1994, 23 692, nr. 3, p. 3)”. [7]
als de rechthebbende ten behoeve van wie de strafrechter de bewaring heeft gelast. [10] Het Hof heeft deze maatstaf toegepast.
ingediend door de beslagene als klagerin een beklagprocedure als de onderhavige, theoretisch onmogelijk. Het beklag van de beslagene strekt er immers toe dat hij voor de rechthebbende wordt gehouden. Maar de beslissing van de strafrechter houdt juist in dat de beslagene
nietde rechthebbende is. [11] Hoe kan de beklagrechter tot het door de beslagene gewenste oordeel komen als hij daarbij niet tevens de – logisch dwingende – conclusie mag trekken dat de beslissing van de strafrechter achteraf onjuist blijkt te zijn geweest? In het verlengde daarvan geldt dat de beslagene zelf nimmer kan kwalificeren “als de rechthebbende ten behoeve van wie de strafrechter de bewaring heeft gelast” (zie de gecursiveerde passage in de laatstgenoemde rechtsoverweging). De bewaring uit artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv wordt immers per definitie gelast ten behoeve van een ander dan de beslagene.
op dit puntmogelijk onjuiste beslissing van de zittingsrechter niet in zijn overwegingen. Dit betekent dat, hoe dan ook, het hof als beklagrechter de door het hof als zittingsrechter gegeven last tot bewaring beschouwt als een “op de voet van art. 353 Sv Pro gegeven beslissing” zoals bedoeld in r.o. 2.4 van ECLI:NL:HR:2018:2333.
ongegrondten aanzien van het motorblok dat is omschreven in het mutatierapport van de politie, Eenheid Den Haag, d.d. 4 mei 2016 met registratienummer PL1500-2016124667-1, gevoegd als bijlage 5 bij proces-verbaal LEFC818006-254;