ECLI:NL:GHDHA:2026:31

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
AV001339-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelarrest inzake teruggave van in beslag genomen voorwerpen in strafzaak

Op 15 januari 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een herstelarrest met betrekking tot een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. Het klaagschrift was ingediend door de klager, die als beslagene en voormalige verdachte in een strafzaak om teruggave van in beslag genomen voorwerpen verzocht. De in beslag genomen voorwerpen omvatten gereedschappen, auto-onderdelen en autotoebehoren. Het hof heeft vastgesteld dat de klager waarschijnlijk rechthebbende is op de meerderheid van de voorwerpen en heeft het klaagschrift gegrond verklaard, met uitzondering van enkele specifieke voorwerpen. Het hof heeft uitvoerig het juridisch kader besproken, waaronder de toepassing van artikel 353 Sv en de relevante rechtspraak van de Hoge Raad. De beslissing van het hof houdt in dat de teruggave van de voorwerpen aan de klager moet plaatsvinden, met uitzondering van het motorblok, waarvoor de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de rechthebbende is. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige afweging van de belangen van de strafvordering en de rechten van de beslagene.

Uitspraak

datum uitspraak 15 januari 2026

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ingediend door klager, genaamd:
[naam klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres klager],
hierna te noemen: klager,
in deze zaak woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn advocaat
mr. J.A. Schuttevaer, aan [kantooradres advocaat].
Procesgang
In het opsporingsonderzoek tegen klager zijn op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) onder hem voorwerpen in beslag genomen die zijn vermeld op de beslaglijsten 09/852255-18, 09/837317-19A KBH en 09/837317-19B VbV.
In de strafzaak tegen klager heeft dit hof onder rolnummer 22-003650-21 arrest gewezen op 1 oktober 2024. Tegen dit arrest (hierna ook: het eindarrest) is geen cassatieberoep ingesteld. In dit arrest heeft het hof beslissingen genomen over feiten die verdeeld waren over twee inleidende dagvaardingen, met de parketnummers 09-852255-18 (genoemd dagvaarding I) en 09-837317-19 (genoemd dagvaarding II). Voor zover hier van belang heeft het hof in het eindarrest, op gronden ontleend aan artikel 261 Sv, de inleidende dagvaarding partieel nietig verklaard, en wel ter zake van feit 1 van dagvaarding II, in welk feit aan klager (als verdachte) werd verweten dat hij zich schuldig had gemaakt aan, kort gezegd, gewoontewitwassen van auto-onderdelen.
Het hof heeft in het eindarrest de volgende beslissingen genomen met betrekking tot het beslag.
Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/852255-18
Deze beslaglijst vermeldt vijf items, voorzien van de volgnummers 2, 3, 6, 8 en 9. Voor nummer 2 geldt dat het hof in het eindarrest dienaangaande een last tot teruggave heeft gegeven zoals bedoeld in artikel 353, tweede lid, aanhef en onder b, Sv (teruggave aan een met name genoemde derde). Bij de formulering van de aanstonds nog nader te bespreken last tot bewaring ingevolge artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv heeft het hof uitsluitend expliciet volgnummer 6 genoemd. Dit betekent dat er ten aanzien van de volgnummers 3, 8 en 9 in het eindarrest geen beslissing is genomen (laat staan een beslissing die het beslag heeft doen eindigen).
Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/837317-19A KBH
Met betrekking tot een van de op deze lijst voorkomende items, te weten een linnen tas met administratie, heeft het hof de teruggave aan de beslagene en dus aan klager (toen nog de verdachte) gelast. Op de beslaglijst heeft deze tas volgnummer 5.
Met betrekking tot vijf andere items heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen. Het gaat om de nummers 8, 30, 40, 52 en 73 op de beslaglijst. [1]
Ten aanzien van alle overige voorwerpen op deze beslaglijst heeft het hof een last gegeven zoals bedoeld in artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv (last tot bewaring ten behoeve van de onbekende rechthebbende).
Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/837317-19B VbV
Er is in het eindarrest geen sprake van een specifieke beslissing ten aanzien van een of meer bepaalde voorwerpen op deze lijst. Ten aanzien van alle voorwerpen op deze beslaglijst heeft het hof een last gegeven zoals bedoeld in artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv (last tot bewaring ten behoeve van de onbekende rechthebbende).
Ten aanzien van alle drie de beslaglijsten
De gegeven last tot bewaring zoals bedoeld in artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv (last tot bewaring ten behoeve van de onbekende rechthebbende) is in het eindarrest (op p. 16, bovenaan) als volgt gemotiveerd: “Ten aanzien van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan het hof niet vaststellen wie de rechtmatige eigenaar is. Het hof gelast daarom de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbenden.”
Tot zover de beschrijving van de beslagbeslissingen.
Klager heeft zich vervolgens bij een tijdig ter griffie van dit hof ingekomen klaagschrift ex artikel 552a Sv beklaagd over de inbeslagneming en over het uitblijven van een last tot teruggave. In dit klaagschrift, gedateerd 23 december 2024, heeft de klager om een hernieuwde teruggavebeslissing met betrekking tot de linnen tas met inhoud verzocht. Voor het overige heeft hij verzocht om de teruggave van alle voorwerpen met betrekking waartoe een last tot bewaring ten behoeve van de rechthebbende is gegeven. Gemakshalve rekent het hof daartoe ook de volgnummers 3, 8 en 9 van de beslaglijst met nummer 09/852255-18.
Het hof heeft dit klaagschrift op 11 december 2025 in raadkamer in het openbaar behandeld.
In raadkamer zijn gehoord klager, diens advocaat en de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de linnen tas (nummer 5 op de beslaglijst met nummer 09/837317-19A KBH)
Met betrekking tot de linnen tas met administratie is reeds bij eindarrest gelast dat deze moet worden teruggegeven aan de klager als beslagene. Deze beslissing als zodanig staat op geen enkele manier ter discussie en dient dus uitgevoerd te worden, voor zover dat nog niet is gebeurd. Anders dan verzocht zal dezelfde last niet nog een keer worden gegeven.
Ten aanzien van de voorwerpen met betrekking waartoe bij eindarrest een last is gegeven zoals bedoeld in artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv
Het juridisch kader: vergt het belang van strafvordering de voortduring van het beslag?
Uit hetgeen hieronder nog zal volgen, vloeit voort dat het hof in de eerste plaats dient vast te stellen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. In het onderhavige geval, waarin sprake is van een onherroepelijk eindarrest, lijkt het voor de hand te liggen om te oordelen dat een dergelijk belang ontbreekt. Relevant is evenwel dat de in de hoofdzaak genomen beslissing ter zake van feit 1 van dagvaarding II (partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding) in beginsel een hernieuwde vervolging (en berechting) voor dat feit mogelijk maakt, hetgeen betekent dat er toch een strafvorderlijk belang zou kunnen zijn bij het voortduren van het bij dat feit behorende beslag. Uit de procesopstelling van het Openbaar Ministerie, dat zich in deze beklagzaak op het standpunt heeft gesteld dat het strafvorderlijk belang geen voortduring van het beslag vergt, heeft het hof evenwel opgemaakt dat er geen voornemen bestaat om tot zo’n hernieuwde vervolging over te gaan. Dit betekent – en dit is niet zozeer een beschrijving van het kader, als wel een tussenbeslissing – dat in deze beklagzaak het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert. [2]
Het juridisch kader voor het overige. Een inleiding.
De beschrijving van datgene wat voor het overige het juridisch kader vormt voor de door het hof als beklagrechter te nemen beslissing, vergt de volgende inleiding.
Voor zover in deze zaak van belang onderscheidt het hof drie juridische kaders:
Het juridisch kader voor een beklagprocedure (ex artikel 552a Sv) voorafgaand aan de hoofdzaak;
Het juridisch kader voor beslissingen die de zittingsrechter in de hoofdzaak kan nemen als het strafvorderlijk belang de voortduring van het beslag niet vordert;
Het juridisch kader voor een beklagprocedure (ex artikel 552a Sv) in een situatie als de onderhavige, waarin de zittingsrechter al heeft gesproken en waarin de bewaring ten behoeve van de rechthebbende is gelast.
Juridisch kader A vloeit in de eerste plaats voort uit de overzichtsbeschikking van de Hoge Raad van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823. In ECLI:NL:HR:2023:128, een beschikking van 31 januari 2023, stelt de Hoge Raad vast dat het kader uit 2010 nog steeds geldt. Hij vat dit kader aldus samen: “Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.” Aan de overwegingen die met deze samenvatting beginnen voegt hij aanvullende overwegingen toe met betrekking tot de onderwerpen ‘proportionaliteit en subsidiariteit’ en ‘hernieuwd beklag’, [3] daarmee – op die punten – een “zekere bijstelling” van zijn eerdere rechtspraak bewerkstelligend.
Juridisch kader B wordt gevormd door het eerste en tweede lid van artikel 353 Sv. Op de voet van het bepaalde in artikel 415, eerste lid, Sv zijn deze bepalingen ook in hoger beroep van toepassing. Zij luiden:
“1. In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.
2. De rechtbank gelast, onverminderd artikel 351,
de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen;
de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of
indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.”
Naast de andere hierboven reeds besproken beslagbeslissingen, heeft het hof als zittingsrechter in de onderhavige zaak – zoals hierboven al meermalen vermeld – toepassing gegeven aan onderdeel c van het tweede lid. Daarmee heeft het hof, noodzakelijkerwijs, ook toepassing gegeven aan het eerste lid, omdat de beslissingen uit het tweede lid, slechts mogelijk zijn bij toepasselijkheid van het eerste lid. Op het eerste lid van artikel 353 Sv komt het hof hierna nog terug, en wel onder het subkopje
Toepassing van het juridisch kader op de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen; de ontvankelijkheidstoets.
De Hoge Raad heeft in 2006 uitgelegd wat er gebeurt als onderdeel c van het tweede lid wordt toegepast. Zie HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5785 (r.o. 3.5 en 3.6). Het hof vestigt de bijzondere aandacht op deze passage uit rechtsoverweging 3.6: “(…) doch dat het c) de rechter vrij staat de bewaring van dat voorwerp ten behoeve van de rechthebbende te gelasten,
indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat de beslagene geen recht heeft op het voorwerpen er geen ander is die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (vgl. HR 29 oktober 2002, NJ 2003, 19).” [4]
De overweging (3.7) uit
NJ2003, 19 (ECLI:NL:HR:2002:AE5650) waarnaar de Hoge Raad verwijst luidt: “Uit de onder 3.6 weergegeven passages uit de Memorie van Toelichting moet worden afgeleid dat
in geval naar het oordeel van de rechter aannemelijk is dat degene onder wie is inbeslaggenomen geen recht heeft op het voorwerp, het de rechter vrij staat de bewaring te gelasten.” [5]
Zowel in 2002 als in 2006 behoort de volgende zin tot de door de Hoge Raad relevant geachte en door hem geciteerde passages uit de Memorie van Toelichting: “Dat betekent dat weliswaar nog steeds [lees: ook na inwerkingtreding van de voorgestelde wet] [6] gezegd kan worden dat teruggave aan de beslagene de hoofdregel is, maar dat een uitzondering wordt gemaakt
voor de gevallen waarin die teruggave onredelijke gevolgen zou hebben. (Kamerstukken II 1993-1994, 23 692, nr. 3, p. 3)”. [7]
Tot slot van deze bespreking van kader B merkt het hof op dat voor de beslissingen uit artikel 353, tweede lid, Sv geldt dat zij pas aan de orde komen indien het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen. [8] (Vandaar dat deze omstandigheid hierboven onder B is opgenomen in de korte opsomming van de drie kaders.)
Het hof komt dan nu toe aan de bespreking van het juridisch kader (kader C) waarom het in de onderhavige beklagzaak draait.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klager (wie hij ook is) hanteert het hof als vertrekpunt HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3667. Rechtsoverweging 2.3 van die beschikking luidt aldus: “In de strafzaak tegen de klager heeft het Gerechtshof te Amsterdam de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag waarvan in het onderhavige, nadien ingestelde, beklag teruggave aan de klager wordt verzocht. Door deze beslissing in de strafzaak is het beslag nog niet geëindigd. Zolang het beslag niet is beëindigd, kan een belanghebbende op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift indienen strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen. De klager, die stelt rechthebbende op het geldbedrag te zijn, heeft belang bij – en is derhalve ontvankelijk in – zijn beklag.” (Het hof merkt terzijde op dat dit betekent dat het onderhavige beklag, voor zover het mede betrekking zou hebben gehad op beslissingen die het beslag reeds hebben doen eindigen, [9] in zoverre niet-ontvankelijk zou zijn verklaard.)
Voor het overige neemt het hof, voor de bepaling van kader C, HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2333 tot richtsnoer. In deze beschikking was de klager de beslagene. De Hoge Raad overweegt in deze beschikking het volgende:
“2.2 (…) Bij arrest van 22 februari 2016 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de klager veroordeeld ter zake van diefstal door middel van braak of inklimming, meermalen gepleegd. Daarbij heeft het Hof met betrekking tot de onder de klager op de voet van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen (i) beslist tot teruggave van een aantal bepaalde voorwerpen aan de rechthebbenden en (ii) ten aanzien van de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast. Het klaagschrift van 6 juni 2016 strekt tot teruggave aan de klager van de voorwerpen ten aanzien waarvan in het arrest van 22 februari 2016 de bewaring ten behoeve van de rechthebbende is gelast.
2.4 (…)
Indien – zoals in dit geval – ten tijde van de beoordeling van het beklag de op de voet van art. 353 Sv gegeven beslissing van de strafrechter onherroepelijk is, is die onherroepelijke beslissing voor de beklagrechter een vaststaand gegeven dat hij niet op zijn juistheid mag toetsen. In een zodanig geval moet de beklagrechter beoordelen of de klager redelijkerwijs moet worden aangemerkt
als de rechthebbende ten behoeve van wie de strafrechter de bewaring heeft gelast. [10] Het Hof heeft deze maatstaf toegepast.
2.5.
Het middel klaagt verder dat het Hof zijn oordeel niet toereikend heeft gemotiveerd nu het niet heeft aangegeven wanneer de klager wel als rechthebbende zou kunnen worden aangemerkt. Daarmee stelt het middel een eis die het recht niet kent. Het Hof heeft geoordeeld dat de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs moet worden aangemerkt als de rechthebbende en het heeft gemotiveerd op welke gronden het tot dit oordeel is gekomen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en is, in aanmerking genomen wat door de klager is aangevoerd voor zijn stelling dat hij de rechthebbende is, toereikend gemotiveerd.”
Het juridisch kader voor het overige. Een tussenbeschouwing.
Het hof heeft het nodig gevonden ook de kaders A en B kort te schetsen, omdat naar zijn oordeel kader C niet op zichzelf kan worden beschouwd. Het hof merkt op dat het er niet in is geslaagd kader C gedetailleerder uit te werken dan zojuist in de inleiding is geschied. Dit betekent dat er ten minste één vraag is waarop, naar het oordeel van het hof, de rechtspraak van de Hoge Raad vooralsnog geen antwoord heeft gegeven.
Die vraag is de volgende. Uit de beschrijving van kader B in de inleiding – in het bijzonder uit de eerste twee gecursiveerde passages – komt naar voren dat een last tot bewaring alleen dán door de zittingsrechter kan worden gegeven als aannemelijk is dat de beslagene geen recht heeft op het voorwerp. Zonder dit prealabele oordeel kan niet gekomen worden tot de beslissing om de last tot bewaring te geven. Behoort dit prealabele oordeel daarmee tot de – in r.o. 2.4 van ECLI:NL:HR:2018:2333 bedoelde – beslissing van de strafrechter die de beklagrechter moet houden voor een vaststaand gegeven dat hij niet op zijn juistheid mag toetsen? Zo ja, dan lijkt een gegrondverklaring van een klacht,
ingediend door de beslagene als klagerin een beklagprocedure als de onderhavige, theoretisch onmogelijk. Het beklag van de beslagene strekt er immers toe dat hij voor de rechthebbende wordt gehouden. Maar de beslissing van de strafrechter houdt juist in dat de beslagene
nietde rechthebbende is. [11] Hoe kan de beklagrechter tot het door de beslagene gewenste oordeel komen als hij daarbij niet tevens de – logisch dwingende – conclusie mag trekken dat de beslissing van de strafrechter achteraf onjuist blijkt te zijn geweest? In het verlengde daarvan geldt dat de beslagene zelf nimmer kan kwalificeren “als de rechthebbende ten behoeve van wie de strafrechter de bewaring heeft gelast” (zie de gecursiveerde passage in de laatstgenoemde rechtsoverweging). De bewaring uit artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c, Sv wordt immers per definitie gelast ten behoeve van een ander dan de beslagene.
In de gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad is er na ECLI:NL:HR:2018:2333 zélf, geen latere beklagzaak waarin én de klager de beslagene zelf was én de Hoge Raad toepassing geeft aan het schema van laatstgenoemde beschikking. [12] In ECLI:NL:HR:2018:2333 heeft de Hoge Raad geen aandacht besteed aan de vraag uit de vorige alinea, doch (in r.o. 2.5, hierboven geciteerd) overwogen dat het hof tot het niet onbegrijpelijke en afdoend gemotiveerde oordeel was gekomen “dat de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs moet worden aangemerkt als de rechthebbende”.
Het juridisch kader voor het overige. Conclusie.
Gelet op het slot van de vorige alinea, in het bijzonder de daar geciteerde passage, gaat het hof verder voorbij aan de door hem opgeworpen vraag over de onderlinge verhouding tussen de kaders B en C. Het komt tot de slotsom dat, in een geval als het onderhavige, het aan de beslagene (als klager) is om aannemelijk te maken dat hij degene is die redelijkerwijs moet worden aangemerkt als de rechthebbende. [13] Vanuit een perspectief van ‘bewijs’-last betekent het feit dat klager zélf iets aannemelijk moet maken, dat hij in dit stadium geen aanspraak meer kan maken op toepassing van de hoofdregel uit de kaders A en B, te weten dat – behoudens een ‘tenzij’ – het beslag aan de beslagene moet worden teruggegeven indien het belang van strafvorderering de voortduring van het beslag niet langer vordert. Nu is het omgekeerde aan de orde: de gelaste bewaring zal in stand dienen te blijven, tenzij de klager aannemelijk maakt dat hij (toch) de rechthebbende is. [14] In het verlengde hiervan ziet het hof dan ook parallellen met hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen ten aanzien van hernieuwd beklag, [15] waaruit onder meer blijkt dat de klager ten minste met méér moet komen dan hij bij de laatste gelegenheid naar voren heeft gebracht. [16]
Toepassing van het juridisch kader op de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen; de ontvankelijkheidstoets
In dit geval heeft klager gesteld de rechthebbende te zijn op de voorwerpen waarop het beslag nog rust. Daarmee is hij ontvankelijk in zijn klaagschrift (HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3667; zie hierboven). Het hof heeft zich nog de vraag gesteld of in het onderhavige geval, waarin het betwiste beslag voor het overgrote deel samenhangt met feit 1 van dagvaarding II, de last tot bewaring, voor zover op dat deel betrekking hebbend, wel door de zittingsrechter gegeven had mogen worden. Een nietigverklaring van de inleidende dagvaarding behoort immers niet tot de beslissingen die worden genoemd in het eerste lid van artikel 353 Sv. En, zoals hierboven reeds overwogen, een last uit het tweede lid kan niet worden gegeven zonder toepasselijkheid van het eerste lid. Het staat het hof als beklagrechter echter niet vrij om in deze beslissing van het hof als zittingsrechter te treden, omdat laatstbedoelde beslissing als vaststaand gegeven moet worden beschouwd. Maar zelfs als dat anders zou zijn, dan nog zou het oordeel van het hof als beklagrechter, hoe ook dat oordeel zou hebben geluid, niet hebben kunnen afdoen aan de ontvankelijkheid van klager. Ook overigens betrekt het hof als beklagrechter de
op dit puntmogelijk onjuiste beslissing van de zittingsrechter niet in zijn overwegingen. Dit betekent dat, hoe dan ook, het hof als beklagrechter de door het hof als zittingsrechter gegeven last tot bewaring beschouwt als een “op de voet van art. 353 Sv gegeven beslissing” zoals bedoeld in r.o. 2.4 van ECLI:NL:HR:2018:2333.
Toepassing van het juridisch kader voor het overige op de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen
Bij de concrete beoordeling van het beklag, voor zover betrekking hebbend op de in het kopje hierboven bedoelde voorwerpen, stelt het hof het volgende voorop. In de kern gaat het bij het betreffende beslag voor het allergrootste deel om een (zeer) grote hoeveelheid voorwerpen die gerelateerd zijn aan de handel in (tweedehands) auto’s en aan de handel in auto-onderdelen en toebehoren, zoals alarmsystemen en bepaalde gereedschappen. Ofschoon het bezit van en/of handelingen met deze voorwerpen tot een witwasverdenking hebben geleid, heeft die verdenking uiteindelijk niet tot een vervolging geleid die is afgerond met een veroordeling ter zake van dat misdrijf. In het kader van de onderhavige beklagprocedure heeft klager, door de productie van een groot aantal documenten, gevoegd als bijlagen bij het klaagschrift, ten aanzien van een aanzienlijk deel van de voorwerpen aannemelijk gemaakt dat hij ze op een normale manier heeft gekocht en soms ook, waar dat nodig was, heeft laten registreren (bijvoorbeeld bij de Rdw). Daarmee heeft klager, naar het oordeel van het hof, een fors tegenwicht weten te bieden aan de bewaringsbeslissing van het hof als zittingsrechter die, zoals hierboven is geciteerd, (slechts) gestoeld was op de omstandigheid dat het hof van de desbetreffende voorwerpen niet kon vastellen wie ervan de eigenaar was (een maatstaf die de beklagrechter niet op zijn juistheid mag toetsen). Hierdoor is, al bij al, de situatie ingetreden dat, naar het oordeel van het hof, het waarschijnlijker is dat voor de meerderheid van de voorwerpen geldt dat de klager de rechthebbende is dan dat een ander dit is.
Mede gelet op het summiere karakter van de raadkamerprocedure staat het het hof naar zijn oordeel vrij om laatstbedoelde vaststelling zodanig te extrapoleren dat het klaagschrift – voor zover betrekking hebbend op de voorwerpen waarvan de bewaring is gelast – integraal gegrond wordt verklaard, met dien verstande dat het ook bij zo’n extrapolatie altijd mogelijk blijft om een uitzondering te maken voor specifieke voorwerpen, waarvoor onverminderd is blijven gelden dat het niet aannemelijk is dat de klager daarop rechthebbende is. In deze beklagzaak betekent dit in concreto dat het hof van oordeel is dat de klager, met één hierna te bespreken uitzondering, erin is geslaagd om ten aanzien alle voorwerpen met betrekking waartoe de bewaring is gelast aannemelijk te maken dat hij de rechthebbende daarop is. De daarmee gepaard gaande teruggave aan klager als beslagene heeft, naar het oordeel van het hof, ook gelet op het tijdsverloop, [17] geen onredelijke gevolgen, [18] mede in aanmerking genomen dat die teruggave geen uitsluitsel geeft over civielrechtelijke verhoudingen en ieders aanspraak op de desbetreffende voorwerpen onverlet laat. [19]
De zojuist aangekondigde uitzondering betreft het motorblok genoemd op de slotpagina van het klaagschrift. De tekst van de door de door de klager aangeleverde en op dit motorblok betrekking hebbende bijlage (nummer 78) levert veeleer een contra-indicatie op dan een onderbouwing van het standpunt dat klager de rechthebbende op dit motorblok zou zijn. (Zonder daaraan enige betekenis toe te kennen, merkt het hof op dat niet duidelijk is of dit motorblok voorkomt op een van de twee beslaglijsten die beginnen met het nummer 09/837317-19 en, zo ja, op welke van de twee.)
Voor het maken van verdere uitzonderingen heeft het hof geen aanleiding gevonden, ook niet in hetgeen van de zijde van het Openbaar Ministerie is ingebracht.
Het voorgaande betekent dat het hof, behalve ten aanzien van het zojuist genoemde motorblok, het klaagschrift integraal gegrond zal verklaren.
Deze gegrondverklaring geldt dus ook voor klagers verzoek tot teruggave van een geldbedrag van € 631,-- (ongenummerde p. 90 van het klaagschrift d.d. 23 december 2024; nummer 3 op de beslaglijst met nummer 09/852255-18). Op de laatste pagina van de schriftelijke conclusie d.d. 4 november 2025 wordt hieromtrent door de advocaat-generaal gezegd dat hij met betrekking tot dit bedrag geen kennisgeving van inbeslagneming in het dossier heeft aangetroffen, “zodat niet vastgesteld kan worden dat op dit bedrag (nog) beslag rust”. Deze opvatting miskent dat voor het antwoord op de vraag of een goed in beslag is genomen, niet doorslaggevend is of dat goed is vermeld op een kennisgeving van inbeslagname, in een proces-verbaal van bevindingen, of op de lijst van inbeslaggenomen goederen. [20] Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de bedoelde kennisgeving zich bevindt op de digitale pagina 13 van het digitale bestand met de naam ‘3. Politie pv (Eind dossier) (2)’.
Nu het hof komt tot de hierboven weergegeven beslissingen is er voor klager geen belang meer bij bespreking van het namens hem gedane beroep op schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Tenuitvoerlegging van de teruggavebeslissing
Het hof sluit niet uit dat een of meer voorwerpen inmiddels tegen baat zijn vervreemd (artikel 118, vierde lid, Sv in verbinding met de artikelen 116 en 117 Sv). In dat geval is het beslag blijven rusten op de verkregen opbrengst (artikel 117, vierde lid, Sv). Waar dit het geval is zal tenuitvoerlegging van de hierna te vermelden teruggavebeslissing dienen neer te komen op uitkering van die opbrengst aan klager.
Beslissing
Het hof:
Verklaarthet beklag
ongegrondten aanzien van het motorblok dat is omschreven in het mutatierapport van de politie, Eenheid Den Haag, d.d. 4 mei 2016 met registratienummer PL1500-2016124667-1, gevoegd als bijlage 5 bij proces-verbaal LEFC818006-254;

Verklaart het beklag voor het overige gegrond;

Gelast de teruggave aan klager van:

Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/852255-18

- Alle op deze lijst voorkomende voorwerpen, met uitzondering van volgnummer 2;

Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/837317-19A KBH

- Alle op deze lijst voorkomende voorwerpen, met uitzondering van de volgnummers 5, 8, 30, 40, 52 en 73 en met uitzondering van het zojuist genoemde motorblok, mocht dit voorkomen op deze lijst;

Ten aanzien van de beslaglijst met nummer 09/837317-19B VbV

- Alle op deze lijst voorkomende voorwerpen, met uitzondering van het zojuist genoemde motorblok, mocht dit voorkomen op deze lijst.
Deze beschikking is gegeven door
mr. N. Schaar, als voorzitter, mr. G.C. Haverkate en mr. A.J.P. van Beurden, leden, in bijzijn van de griffier M. van der Mark, en op 15 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Voetnoten

1.In het klaagschrift wordt nummer 52 abusievelijk nummer 50 genoemd.
2.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 (overzichtsbeschikking, r.o. 2.10): “In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter,
3.Zie over ‘hernieuwd beklag’ eerder al r.o. 4.3 van HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1478. Daarin wordt uitdrukkelijk overwogen: “De omstandigheid dat de bewaring ten behoeve van de rechthebbende is gelast ten aanzien van de voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking heeft, staat op zichzelf aan een dergelijk hernieuwd beklag niet in de weg (…)”.
4.De cursivering is van het hof. Naar de gecursiveerde passage zal hieronder worden verwezen.
5.Zie de vorige noot.
6.De passage tussen rechte haken is toegevoegd door het hof.
7.Zie noot 4.
8.Zie de slotzin van randnummer 9 van CAG (mr. Bleichrodt) 3 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1212, alsmede de rechtspraak die wordt genoemd in de bij die slotzin behorende voetnoot met het nummer 5.
9.Zoals bijvoorbeeld de op p. 1 van deze beschikking genoemde last ex artikel 353, tweede lid, aanhef en onder b, Sv, betrekking hebbend op volgnummer 2 van de beslaglijst met nummer 09/852255-18.
10.Zie noot 4.
11.In zijn conclusie vóór HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3544,
12.In HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1814 had de beslagene afstand gedaan van het beslag en was de klaagster (degene die vond dat de bewaring ten behoeve van haar was gelast) een rechtspersoon. In HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1418 was de klager wel de beslagene, maar kwam de Hoge Raad, door bijzonderheden van de zaak, niet toe aan een inhoudelijke toepassing van het kader van ECLI:NL:HR:2018:2333.
13.Aldus ook – zij het niet expliciet vanuit het perspectief van de ‘bewijs’-last – CAG (mr. Spronken) 30 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:751 (randnummer 3.6). Dit is de conclusie voorafgaand aan de beschikking die als laatste in de vorige noot wordt genoemd.
14.Aldus ook de conclusie van (toen nog) plv.-PG mr. Fokkens vóór HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3544,
15.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128 (r.o. 2.5). Weliswaar is er in het onderhavige geval strikt genomen geen sprake van een hernieuwd beklag, maar wel van een beklag nadat zich voor klager al twee keer (namelijk in de hoofdzaak in eerste aanleg en in de hoofdzaak in hoger beroep) de gelegenheid had voorgedaan om in rechte zijn standpunt over het beslag naar voren te (laten) brengen.
16.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128 (slot van r.o. 2.5.2).
17.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128 (slotzin van r.o. 2.4.2).
18.Zie hierboven, bij de beschrijving van kader B, de laatste door het hof gecursiveerde passage.
19.Zie hierboven de slotzin van artikel 353, eerste lid, Sv, alsmede HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 (overzichtsbeschikking, r.o. 2.13).
20.HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:777 (r.o. 2.3).