ECLI:NL:GHDHA:2026:327

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
BK-24/358
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 40 lid 2 Wet WOZArt. 7:9 AwbArt. 7:4 lid 2 AwbArt. 8:113 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde en afwijzing schending toezendplicht en hoorrecht

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een appartement te Westland vast op €481.000 voor het jaar 2022. Belanghebbende betwistte deze waarde en voerde aan dat de toezendplicht en het hoorrecht waren geschonden, en dat de waarde te hoog was vastgesteld. De Rechtbank wees het beroep af en het Gerechtshof bevestigt deze uitspraak.

In de procedure werd vastgesteld dat de heffingsambtenaar voldoende informatie had verstrekt om de vastgestelde waarde te onderbouwen, waaronder een taxatieverslag en een matrix met vergelijkingsobjecten. De klacht dat nieuwe referentieobjecten pas in de uitspraak op bezwaar werden genoemd, faalde omdat deze niet ten grondslag lagen aan de waarde. Ook was er geen schending van het hoorrecht, omdat de aanvullende referentieverkopen slechts de reeds ingenomen standpunten bevestigden.

De door belanghebbende aangevoerde waarderingspunten, zoals het ontbreken van correcties voor balkons en loggia’s en de staat van het appartement, werden onvoldoende onderbouwd. De bewijslast hiervoor lag bij belanghebbende, die niet slaagde in het aannemelijk maken van een lagere waarde. Het Hof concludeerde dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was en dat het motiveringsbeginsel niet was geschonden.

De procedure werd voortgezet door de erfgenamen na het overlijden van belanghebbende. De mondelinge behandeling vond plaats zonder aanwezigheid van belanghebbende, die niet om uitstel had verzocht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde en wijst het hoger beroep af wegens onvoldoende bewijs van schendingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/358

Uitspraak van 25 februari 2026

in het geding tussen:

wijlen [X] , gewoond hebbende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: D. van der Locht)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westland, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 februari 2024, nummer SGR 22/7319.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 481.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Westland (de aanslag) alsmede aanslagen in de rioolheffing en de afvalstoffenheffing.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar daartegen afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft op 8 juli 2024 een nader stuk ingediend, aangeduid als verweerschrift.
1.5.
Belanghebbende heeft op 22 november 2024 een nader stuk ingediend.
1.6.
Belanghebbende is overleden op [overlijdensdatum] 2025. Uit de op 30 juli 2025 overgelegde volmacht blijkt op dat zijn erfgenamen de procedure wensen voort te zetten.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 18 februari 2026. De Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende is met bericht van verhindering, welk bericht is binnengekomen op de ochtend van de zitting, niet verschenen en heeft niet om uitstel van de zitting gevraagd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
De woning is een appartement uit het jaar 2007 met een gebruiksoppervlakte van ongeveer 115 m2. De woning beschikt over een onderpandige berging/schuur, een parkeerplaats in de kelder en een dakterras van 28 m2. Belanghebbende was appartementseigenaar van de woning.
2.2.
De Heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase de volgende stukken aan belanghebbende verstrekt:
• een taxatieverslag, met daarop:
- de objectkenmerken van de woning;
- de objectkenmerken, de koopprijzen en koopdata van de referentiewoningen;
• een matrix, met daarop:
- de objectkenmerken van de woning;
- de objectkenmerken, de koopprijzen en koopdata van de referentiewoningen;
- de waardeopbouw van de vier woningen;
- de gehanteerde prijzen per vierkante meter van de vier woningen;
• een overzicht met baten en lasten rioolheffing en afvalstoffenheffing 2022;
• een onderbouwing van indexeringspercentage woningen belastingjaar 2022;
• nadere informatie over kostendekkendheid rioolheffing en afvalstoffenheffing 2022.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld :
“1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 465.000.
2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Met de matrix en hetgeen overigens door verweerder is aangevoerd, maakt hij aannemelijk dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning, waaronder de ligging, alsook met de aanwezige VvE-reserves.
4. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, doet aan het hiervoor gegeven oordeel niet af. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat het object [adres 2] moet worden betrokken in de vergelijking omdat dit object is gelegen in een ronde toren en als gevolg daarvan spitsvormig is. Dat maakt het minder goed vergelijkbaar met de woning dan de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten.
5. Belanghebbende heeft (al dan niet voor het eerst ter zitting) gesteld dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden omdat de heffingsambtenaar de grondstaffel en de waarde van alle objectonderdelen niet heeft verstrekt, geen analyse van de indexering heeft verstrekt en ook niet het bedrag per afwijkende factor voor de KOUDV-factoren. Deze beroepsgrond faalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de informatie die hij in de bezwaarfase aan belanghebbende heeft verstrekt, waaronder de grondstaffel en een onderbouwing van de indexering, aan de toezendplicht voldaan. Het moeten toezenden van een (verdergaande) analyse van de indexering vindt geen steun in het recht. Wat betreft het bedrag per afwijkende factor voor de KOUDV-factoren en de waarde van de objectonderdelen merkt de rechtbank op dat waarderen geen exacte wetenschap is en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet gaat over de vraag of de samenstellende onderdelen van het object op de juiste bedragen zijn vastgesteld of om het vaststellen van de juiste bedragen van verschillen in KOUDV-factoren of objectonderdelen, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel.[1]
6. De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar doet aan ‘doelredeneren’ faalt eveneens. Het staat de heffingsambtenaar vrij om in de beroepsfase andere vergelijkingsobjecten te gebruiken of om van andere KOUDV-factoren uit te gaan dan in de bezwaarfase.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
8. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar minder dan twee jaar vóór de uitspraakdatum van de rechtbank ontvangen. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
[1] Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de Heffingsambtenaar de toezendverplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden, of in bezwaar op grond van artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een nadere hoorzitting had moeten plaatsvinden, of de WOZ-waarde in de beschikking te hoog is vastgesteld en of de rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de onroerende zaak nader wordt vastgesteld op € 465.000 en – naar het Hof begrijpt – tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om een (proces)kostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep en vraagt hij het Hof te bepalen dat de betaling rechtstreeks aan gemachtigde dient plaats te vinden.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot niet-ontvankelijkheid onderscheidenlijk ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Volmacht
5.1.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de door de gemachtigde overgelegde volmacht van (de erfgenaam van) belanghebbende niet voldoet aan de vereisten. Het Hof heeft de recent overgelegde machtiging beoordeeld en komt tot de slotsom dat de machtiging voldoende is voor procesvertegenwoordiging.
Toezendverplichting (art. 40, lid 2, Wet WOZ)
5.2.1.
Belanghebbende betoogt dat de Heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de op hem rustende toezendverplichting. Ondanks een daartoe strekkend en voldoende gespecificeerd verzoek heeft hij de indexering van de verkoopcijfers van de referentiepanden, de waardering van de bijgebouwen, de VVE-reserves en de grondstaffels niet inzichtelijk gemaakt. Verder heeft hij een aantal van de referentiepanden pas voor het eerst genoemd in de uitspraak op bezwaar. Dit moet resulteren in toekenning van een proceskostenvergoeding, klaagt belanghebbende.
5.2.2.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat voldoende gegevens verstrekt zijn om de gemachtigde in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de vastgestelde waarde, zodat is voldaan aan de toezendverplichting. In de uitspraak op bezwaar zijn geen vervangende, maar aanvullende referentieverkopen vermeld. Verder wijst de Heffingsambtenaar erop dat de gemachtigde zelf [adres 3] en [adres 4] heeft aangedragen als referentiewoningen.
5.2.3.
De klacht over de toezendplicht faalt. Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052). In aanvulling op hetgeen de Rechtbank heeft overwogen over de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ is het Hof van oordeel dat het verzoek van belanghebbende tot het verstrekken van gegevens die niet reeds in het taxatieverslag of de matrix waren opgenomen, dermate onspecifiek was dat de Heffingsambtenaar niet gehouden was naar aanleiding daarvan enige stukken te overleggen.
5.2.4.
De klacht van belanghebbende dat artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geschonden omdat sommige referentiepanden voor het eerst zijn vermeld in de uitspraak op bezwaar faalt aangezien gesteld noch gebleken is dat de gegevens van deze objecten ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde van de woning.
Nadere hoorzitting (art. 7:9 Awb Pro)
5.3.1.
Belanghebbende wijst erop dat in de uitspraak op bezwaar vergelijkingsobjecten worden gebruikt die niet eerder aan de orde zijn geweest. De hoorzitting had toen al plaatsgehad, zodat er geen mogelijkheid meer was om daarover debat te voeren en een beroepsprocedure noodzakelijk werd. Gelet op het bepaalde in artikel 7:9 Awb Pro levert dit volgens belanghebbende een schending van het hoorrecht op.
5.3.2.
In de uitspraak op bezwaar zijn volgens de Heffingsambtenaar geen vervangende, maar aanvullende referentieverkopen vermeld. Van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 7:9 Awb Pro is volgens hem geen sprake. Verder wijst hij erop dat de gemachtigde in bezwaar zelf [adres 3] en [adres 4] heeft aangedragen als referentiewoningen.
5.3.3.
Op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit op grond van artikel 7:9 Awb Pro aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. Uit de parlementaire behandeling van deze bepaling kan worden opgemaakt dat deze bepaling bedoeld is voor situaties waarin naar aanleiding van het hoorgesprek nader onderzoek wordt gedaan en daaruit feiten of omstandigheden bekend worden die voor de uitkomst van de bezwaarschriftprocedure van aanmerkelijk belang kunnen zijn (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 152). Zodanige feiten of omstandigheden kunnen bijvoorbeeld niet bekend worden naar aanleiding van een rapport dat slechts een bevestiging vormt van een van meet af aan door het bestuursorgaan ingenomen standpunt (vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2821).
5.3.4.
Vast staat dat de Heffingsambtenaar in het onderhavige geval reeds voor het hoorgesprek een taxatieverslag en een matrix met vergelijkingsobjecten heeft verstrekt aan de belanghebbende. Vervolgens heeft de belanghebbende een woningwaarderapport overgelegd met daarin nieuwe vergelijkingsobjecten. Naar aanleiding van laatstgenoemd rapport en het hoorgesprek, heeft de Heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar (additionele) referentieverkopen opgenomen die deels overeengekomen met de objecten uit het woningwaarderapport. Het ligt in een dergelijk geval naar het oordeel van het Hof niet in de rede om belanghebbende voor de uitspraak op bezwaar nogmaals in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De additionele referentiepanden die de Heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar noemt, dienen slechts ter bevestiging van het reeds door hem ingenomen standpunt. Van een schending van artikel 7:9 Awb Pro is daarom geen sprake, nog daargelaten dat belanghebbende aan zijn klacht daarover geen rechtsgevolg heeft verbonden.
WOZ-waarde
5.4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld en dat het oordeel van de Rechtbank hierover onvoldoende is gemotiveerd. Verder wijst hij erop dat het vergelijkingsobject [adres 5] een balkon heeft en de vergelijkingsobjecten [adres 3] en [adres 4] beschikken over een loggia. Omdat daaraan geen waarde is toegekend, is de Heffingsambtenaar uitgegaan van een te hoge vierkantemeterprijs. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de wet van het afnemend grensnut. Ten slotte kan belanghebbende niet volgen hoe de Heffingsambtenaar heeft gecorrigeerd voor de ligging. Volgens belanghebbende is [adres 4] het beste vergelijkingsobject. Uitgaande van de vierkantemeterprijs daarvan en rekening houdend met de wet van het afnemend grensnut, de verzakkingen en de gescheurde vloertegels, komt belanghebbende op een waarde die lager ligt dan de door hem bepleite € 465.000.
5.4.2.
Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde heeft de Heffingsambtenaar verwezen naar een matrix waarin behalve de gegevens van de woning ook die van drie vergelijkingsobjecten zijn opgenomen, te weten [adres 4] , [adres 3] en [adres 5] , alle gelegen te [woonplaats] . In de matrix wordt de waarde van de woning bepaald op € 492.181. De Heffingsambtenaar tekent aan dat het dakterras (waaraan hij een waarde toekent van € 4.400) nog niet in deze waarde is meegenomen.
5.4.3.
De waarde van de bovenwoning wordt ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de bovenwoning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de bovenwoning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 43-44).
5.4.4.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571 geoordeeld dat bij de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet WOZ de normale regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast gelden. Die regels brengen mee dat de rechter ten aanzien van de door een partij aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen in hoeverre die zijn bestreden en, zo ja, in hoeverre die door deze partij aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd (HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, r.o. 3.2). Slechts indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt, mag de rechter de waarde op een door hem gekozen grondslag vaststellen (HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300, r.o. 3.2; het Oostflakkee-arrest). Indien de belanghebbende een beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waarde van de onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het derhalve aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden (vgl. HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776, r.o. 2.4, en HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, r.o. 4.2.3). Deze bewijsrechtelijke uitgangspunten gelden ook voor de procedure in hoger beroep (HR 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:619, r.o. 4.2.2 en 4.3).
5.4.5.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar met de matrix, hetgeen hij daaraan ten grondslag heeft gelegd en zijn toelichting daarop voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de prijs per vierkante meter die hij heeft afgeleid uit de verkoopprijzen voor de referentieobjecten weliswaar niet is gecorrigeerd voor de aanwezige balkons en loggia’s, maar dat daartegenover staat dat in de matrix evenmin enig bedrag voor het bij de woning behorende dakterras is begrepen in de waardering. Het Hof acht aannemelijk dat die twee correcties, die een tegenovergestelde uitwerking zouden hebben op de vastgestelde waarde van de woning, in hun afwezigheid tegen elkaar wegvallen. Uit de matrix blijkt voorts dat de Heffingsambtenaar wel degelijk heeft gecorrigeerd voor de wet van het afnemend grensnut, te weten met € 1 per vierkante meter. In zoverre faalt het betoog van belanghebbende bij gebrek aan feitelijke grondslag. Belanghebbendes betoog dat de Heffingsambtenaar voor deze correctie de door belanghebbende voorgestane ‘wortelformule’ moet gebruiken, vindt geen steun in het recht. Hij is ook in dit opzicht vrij in de keuze van de bewijsmiddelen die hij nuttig acht om aan de op hem rustende bewijslast te voldoen. De gescheurde vloertegels en verzakkingen waarvan belanghebbende rept, betreffen waardeverminderende omstandigheden. De bewijslast daarvan rust op belanghebbende, nu de Heffingsambtenaar deze gemotiveerd heeft bestreden. Aan de hand van het door belanghebbende overgelegde fotomateriaal en de inpandige opname door de Heffingsambtenaar kan echter niet worden afgeleid dat sprake is van meer dan één beschadigde tegel. Voor een dergelijke verwaarloosbare schade behoeft niet te worden gecorrigeerd. Bij dat alles komt nog bij dat de waarde waartoe de Heffingsambtenaar in zijn matrix concludeert ruim € 10.000 hoger is dan de vastgestelde waarde. De waarde van de woning is dus niet te hoog vastgesteld.
Motiveringsklachten
5.5.
Voor zover belanghebbende grieven gericht heeft tegen de motivering van de uitspraak van de Rechtbank, falen die reeds omdat de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat, indien de uitspraak van de rechtbank niet of niet voldoende met redenen is omkleed, dit slechts ten gevolge heeft dat het Hof, zo het een zodanige uitspraak bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen (vgl. HR 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5668, r.o. 3.2). Het Hof dient in een zodanig geval dus in overeenstemming met artikel 8:113, lid 1, Awb de uitspraak van de rechtbank te bevestigen met verbetering van de gronden.
Slotsom
5.6.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, P.J.J. Vonk en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout P.C. van den Brink
De beslissing is op 25 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.