5.5.De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde een matrix overgelegd. Uit de matrix volgt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Daarbij is verwezen naar de opbrengst behaald bij verkoop van de vergelijkingsobjecten. Niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Voldoende is dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. Voor alle in de matrix genoemde vergelijkingsobjecten geldt naar het oordeel van het Hof dat deze vergelijkbaar zijn met de woning, omdat het parterre-portiekwoningen zijn die gelegen zijn in dezelfde buurt als de woning. Met de verschillen in gebruiksoppervlakte en in staat tussen de vergelijkingsobjecten en de woning is in de matrix in voldoende mate rekening gehouden. Dit komt tot uiting in de voor de woning gehanteerde prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte (€ 4.157). Die is lager dan de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de vergelijkingsobjecten [adres 2] (€ 4.626) en [adres 4] (€ 5.598). De gemiddelde prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van [adres 3] (€ 4.040) is lager dan die van de woning, maar dit vergelijkingsobject verkeert volgens de Heffingsambtenaar in matige tot gemiddelde staat, terwijl de woning in gemiddelde tot goede staat verkeert. De Heffingsambtenaar heeft met de gerealiseerde verkoopcijfers van de door hem gebezigde vergelijkingsobjecten in beginsel aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
5.6.1.Belanghebbende heeft in de door haar ingediende referentiematrices (zie 2.3.2 en 2.3.3) drie volgens haar vergelijkbare onroerende zaken aangevoerd, waaronder de eveneens door de Heffingsambtenaar als vergelijkingsobject gehanteerde onroerende zaak [adres 2] . De andere twee door belanghebbende gehanteerde onroerende zaken ( [adres 5] en [adres 6] ) zijn aanvankelijk door de Heffingsambtenaar als vergelijkingsobject gebruikt in het taxatieverslag. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de door haar gehanteerde vergelijkingsobjecten beter zijn of in elk geval ook naast de door de Heffingsambtenaar in de matrix aangedragen vergelijkingsobjecten moeten worden gehanteerd ter bepaling van de WOZ-waarde.
5.6.2.Ten aanzien van de verkoop in 2019 van de onroerende zaak [adres 6] overweegt het Hof dat deze dermate ver van de waardepeildatum verwijderd is en dat de onderhoudstoestand van de woning (naar belanghebbende zelf heeft verklaard) dermate in negatieve zin afweek, dat deze om die reden buiten aanmerking dient te worden gelaten. Over de verkoop in het jaar 2020 van de onroerende zaak [adres 6] heeft de Heffingsambtenaar gesteld dat hij deze in de beroepsfase heeft laten vallen als vergelijkingsobject, omdat ten aanzien van deze onroerende zaak geen gegevens beschikbaar zijn waaruit afgeleid kan worden dat die onroerende zaak op de openbare markt is aangeboden. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft gesteld onvoldoende ingebracht om het tegendeel aannemelijk te maken. Het Hof acht de onroerende zaak [adres 6] en de daarvoor gerealiseerde verkoopcijfers in de jaren 2019 en 2020 derhalve niet geschikt ter vergelijking.
5.6.3.De onroerende zaak [adres 2] wordt door beide partijen meegenomen als vergelijkingsobject. Partijen zijn het, blijkens de gegevens in de verschillende matrices en hetgeen ter zitting is besproken, erover eens dat deze onroerende zaak als bovengemiddeld kan worden gekenmerkt. Belanghebbende stelt in haar referentiematrices echter dat ter zake daarvan in de vergelijking met de woning een vermindering van in totaal 25% van de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte (€ 4.538, na door belanghebbende gehanteerde indexatie) in aanmerking moet worden genomen, zodat die prijs uitkomt op € 3.404 per vierkante meter gebruiksoppervlakte. De omvang van deze correctie is door belanghebbende echter niet onderbouwd, anders dan met een verwijzing ter zitting dat andere gemeenten en belastingsamenwerkingen voor KOUDV-factoren ook een correctie van 5% of 10% per punt afwijking hanteren. Deze onderbouwing acht het Hof onvoldoende. Bovendien hanteert belanghebbende in het terugrekenen van de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van bovengemiddelde staat naar gemiddelde staat een onjuiste breuk door uit te gaan van 75/100e in plaats van 100/125e van de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte in bovengemiddelde staat.
5.6.4.De onroerende zaak [adres 5] , die oorspronkelijk in het taxatieverslag van de Heffingsambtenaar ook was meegenomen, is volgens belanghebbende vergelijkbaar, maar bovengemiddeld en aanmerkelijk luxer dan de woning van belanghebbende. Het Hof ziet geen reden deze onroerende zaak buiten beschouwing te laten. Net als bij [adres 2] stelt belanghebbende echter dat de luxe staat van dit object in de vergelijking met de woning aanleiding is voor een vermindering van 25% van de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte (van € 4.268, na door belanghebbende gehanteerde indexatie, tot € 3.215) en onderbouwt belanghebbende de omvang van die vermindering niet en hanteert zij een onjuiste breuk om de vermindering te berekenen. Bovendien is het Hof van oordeel dat aan de hand van de foto’s die deel uitmaken van het dossier niet aannemelijk is geworden dat de staat van deze onroerende zaak bovengemiddeld is.
5.6.5.Gelet op hetgeen in 5.6.1 tot en met 5.6.4 is overwogen ziet het Hof geen aanleiding om op basis van de door belanghebbende aangedragen referentiematrices tot een verlaging van de waarde van de woning te komen.
5.7.1.Hetgeen belanghebbende overigens inbrengt, leidt niet tot het oordeel dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld.
5.7.2.De door de Heffingsambtenaar in de matrix als vergelijking gehanteerde onroerende zaken [adres 3] (matige staat) en [adres 4] (gemiddeld tot goede staat) zijn weliswaar kleiner, maar ze zijn wel gelegen in dezelfde straat als de woning, zodat deze, anders dan belanghebbende meent, rekening houdend met het verschil in vloeroppervlakte en het verschil in onderhoudstoestand ( [adres 3] ), gelijk het Hof in 5.4 reeds overwoog, als vergelijking kunnen dienen.
5.7.3.Belanghebbendes stelling dat het vergelijkingsobject [adres 3] aantoonbaar is gerenoveerd wordt niet onderbouwd, zodat het Hof daaraan voorbij gaat.
5.7.4.Belanghebbende kan niet worden gevolgd in haar stelling dat niet inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de verkoopcijfers zijn geïndexeerd, omdat de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten niet door de Heffingsambtenaar zijn geïndexeerd. In de gedingstukken, ter zitting mondeling aangevuld, heeft de Heffingsambtenaar toegelicht hoe de waarde van woningen in de gemeente jaarlijks tot stand komt, waarbij wordt gezocht naar verkopen zo dicht mogelijk op de waardepeildatum zodat indexering niet noodzakelijk is, en hoe deze waarde in de bezwaarfase wordt herbeoordeeld, waarbij een belangrijk deel van het werk op individueel niveau door taxateurs handmatig wordt verricht. Het Hof heeft geen reden hieraan te twijfelen. Indexatie is daarbij niet aan de orde. Daarbij acht het Hof nog van belang te signaleren dat ten aanzien van het door de Heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobject [adres 4] geldt dat deze onroerende zaak weliswaar eerst in juli 2021 is verkocht, maar dat het koopcontract in mei 2021 tot stand is gekomen en dat een aanzienlijk verschil bestaat tussen de vierkante meterprijs van [adres 4] die volgt uit de gerealiseerde verkoopsom (€ 5.598) en de vierkante meterprijs die bij de waardebepaling voor de woning van belanghebbende is gehanteerd (€ 4.157), zodat een eventueel nodig geachte indexering van de gerealiseerde verkoopprijs daarin, naast het verschil in vloeroppervlak, voldoende is verdisconteerd.