Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
Na tegen de boetebeschikking gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de boete verminderd tot een bedrag van € 500.
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
kande uitspraak op bezwaar met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb in stand worden gelaten (de uitspraak wordt niet vernietigd).
Ófde uitspraak op bezwaar al dan niet in stand blijft, vergt een afweging tussen enerzijds dat het bepaalde in artikel 7:5 van Pro de Awb, op grond waarvan de belastingplichtige recht heeft op een zorgvuldige behandeling van zijn bezwaren door het bestuursorgaan, geen dode letter mag worden, en anderzijds dat belanghebbende niet gebaat is bij vernietiging van de uitspraak, omdat dit slechts zou leiden tot een herhaling van zetten en verlenging van de duur van de procedure.
Kamerstukken II2008/09, 32 128, nr. 3 (Belastingplan 2010), p. 33-35).”.
Stcrt. 2009, 20226). Zoals blijkt uit een brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer is beoogd een koppeling aan te brengen tussen de in het Belastingplan 2010 vervatte wetgeving en de invoering van het nieuwe BBBB:
Kamerstukken II2009/10, 32 128, nr. 54 (Belastingplan 2010)).”.
verzuimboete betreft, zijnde derhalve een boete die ziet op de lichte beboetbare feiten, de massaliteit van het proces van aanslagoplegging in gevallen waarin niet tijdig een aangifte is ingediend en uitgaande van een gedifferentieerde toepassing van artikel 6 van Pro het EVRM, waarbij met inachtneming van de zaak Jussila, voornoemd, aannemelijk is te achten dat er iets lichtere eisen aan de rechtsbescherming mogen worden gesteld, alsmede gelet op hetgeen het EHRM heeft overwogen in zijn arrest in de zaak Västberga, komt het Hof tot de conclusie dat de wijze van boeteoplegging waarbij eerst een boete wordt opgelegd aan de hand van een stelsel van uniforme boetebedragen, en pas daarna, in de bezwaarfase, wordt getoetst of de boete past bij de omstandigheden van het geval en vervolgens de hoogte van de opgelegde boete kan worden voorgelegd aan een onafhankelijke rechter, geen schending vormt van het bepaalde in artikel 6 van Pro het EVRM.
5.Beslissing
verklaartde beide hoger beroepen gegrond,
vernietigtde uitspraak van de Rechtbank,
verklaarthet tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep
vernietigtde uitspraak op bezwaar,
vermindertde boete tot een bedrag van € 250,
gelastdat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 788 vergoedt;
veroordeeltde Inspecteur in de kosten van het bezwaar en van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 2.379,50, en
wijstde Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.