Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
11.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 4 december 2018;
- het deskundigenbericht van prof. dr. [orthopedisch chirurg] van 30 oktober 2019;
- het deskundigenbericht van mr. drs. [verzekeringsarts] van 22 februari 2020;
- het aanvullend deskundigenbericht van mr. drs. [verzekeringsarts] van 29 oktober 2020;
- het deskundigenbericht van mevrouw [arbeidsdeskundige 1] van 19 januari 2021;
- een akte uitlating mondelinge behandeling van [werknemer] van 23 februari 2021;
- een akte wenselijkheid zitting van [werkgever] van 23 februari 2021;
- een memorie na deskundigenberichten van [werknemer] van 30 maart 2021;
- een memorie na deskundigenbericht van [werkgever] van 30 maart 2021;
- een antwoordmemorie na deskundigenberichten van [werknemer] van 4 mei 2021;
- een antwoordmemorie na deskundigenberichten van [werkgever] van 4 mei 2021.
12.De verdere beoordeling
kunnenzijn voor zijn gezondheid (rov 3.18);
mogelijkrugbelastend was op de onderdelen duwen en trekken, frequent hanteren van zware lasten, staan en lopen tijdens het werk en afwisseling van houding en dat [werkgever] technische maatregelen heeft genomen ter voorkoming van mogelijke rugbelasting. Dat de belasting op die onderdelen mogelijk rugbelastend was, betekent nog niet dat (aannemelijk is dat) de rugklachten zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden. Volgens deskundigen [orthopedisch chirurg] en [verzekeringsarts] zouden de rugklachten van [werknemer] net zo goed kunnen zijn ontstaan zonder enige belastende activiteit. Deskundige [orthopedisch chirurg] heeft geconcludeerd dat de afwijkingen (discopathieën van de CWK en LWK) passen bij het normale patroon bij veroudering. Hij is daar in zijn rapport uitvoerig op ingegaan. Het hof maakt uit het rapport van deskundige [orthopedisch chirurg] op, dat de door [werknemer] ervaren chronische pijnklachten worden veroorzaakt door normale veroudering. Deskundige [orthopedisch chirurg] concludeert dat niet met zekerheid is vast te stellen dat [werknemer] dezelfde soort chronische pijnen ontwikkeld zou hebben zonder mogelijke overbelasting tijdens het werk. Het hof is van oordeel dat dit ook niet met zekerheid vastgesteld hoeft te worden, maar dat er wel een voldoende aannemelijk verband moet zijn tussen de arbeidsomstandigheden en de gezondheidsklachten. Dat de rugklachten zijn veroorzaakt door de werkzaamheden (of dat dat aannemelijk is), kan niet uit de ter griffie gedeponeerde deskundigenberichten worden afgeleid. Deskundige [orthopedisch chirurg] is in zijn rapport uitvoerig ingegaan op de publicaties en studies naar dit onderwerp en hij is ook specifiek ingegaan op staan, tillen/dragen en op duwen/trekken (dus de door deskundige [arbeidsdeskundige 1] genoemde punten). Het hof is van oordeel dat uit zijn rapport moet worden afgeleid dat het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker is. Weliswaar heeft deskundige [orthopedisch chirurg] nog vermeld dat het waarschijnlijk is dat zonder de mogelijke werkgerelateerde overbelasting de klachten minder zouden zijn geweest en misschien niet hadden geleid tot het staken van werkzaamheden, maar daaruit volgt niet dat aannemelijk is dat de gezondheidsklachten zijn veroorzaakt door het werk. Het hof ziet steun voor dit oordeel in het rapport van deskundige [verzekeringsarts] . Op de vraag van het hof of hij nog opmerkingen heeft die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, verwijst deskundige [verzekeringsarts] naar het rapport van deskundige [orthopedisch chirurg] waarin hij aangeeft dat het niet uitgesloten is dat [werknemer] zonder enige overbelasting dezelfde soort afwijkingen en hetzelfde soort klachten had kunnen ontwikkelen. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de bevindingen uit de radiologische onderzoeken en het klachtenpatroon van [werknemer] net zo goed ontstaan zouden kunnen zijn zonder enige belastende activiteit.
Kamerstukken II1951/52, 881, nr. 6, p. 30) te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de wederpartij. Het hof is van oordeel dat de omvang van de vergoeding in dit geval niet kan worden vastgesteld, zodat het hof deze zal schatten.