AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging rechtbankuitspraak over zelfstandigenaftrek en belastingaanslagen 2016-2017
Belanghebbende, een fiscaal en juridisch adviseur die in 2010 naar Brazilië emigreerde, maakte bezwaar tegen aanslagen IB/PVV en Zvw voor 2016 en 2017. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, kende een beperkte vergoeding immateriële schade toe en vergoedde proceskosten deels aan belanghebbende.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat het bezwaar tegen de aanslag 2016 ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard, dat het vertrouwensbeginsel was geschonden door de inspecteur, dat hij recht had op zelfstandigenaftrek voor 2016 en 2017, en dat de inspecteur algemene beginselen van behoorlijk bestuur had geschonden. Het hof oordeelde dat het bezwaar tegen de aanslag 2016 terecht niet-ontvankelijk was omdat het geen betere positie voor belanghebbende kon opleveren. De zelfstandigenaftrek werd geweigerd vanwege het ontbreken van bewijs dat het urencriterium was gehaald.
Het hof verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat de inspecteur nooit een standpunt innam dat belanghebbende geen belasting verschuldigd was na 2012, en dit vertrouwen bovendien snel werd weersproken. Ook werden geen andere schendingen van algemene beginselen van behoorlijk bestuur vastgesteld. De rechtbank had de vergoeding immateriële schade correct vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1687 tot en met 23/1690
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende], wonend in [woonplaats] (Brazilië)
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 oktober 2023, nummers BRE 21/5734 tot en met 21/5737, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1.Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft voor de jaren 2016 en 2017 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 genoemde aanslagen. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 en 2017 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De beslissing van de rechtbank luidt:
“De rechtbank
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.250;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 533,50 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Minister tot betaling van € 533,50 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur de helft van door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem vergoedt, zijnde een bedrag € 24,50;
- bepaalt dat de Minister de helft van door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem vergoedt, zijnde een bedrag € 24,50.”
1.4.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 13 augustus 2025 een nader stuk ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025 in ‘s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de andere partij, nadere stukken overgelegd. De inspecteur heeft een pleitnota overgelegd. Deze stukken zijn in kopie aan de andere partij verstrekt.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen ter beschikking wordt gesteld.
2.Feiten
Algemeen
2.1.
Belanghebbende verricht onder de naam ‘ [de onderneming] ’ (hierna: de onderneming) werkzaamheden als zelfstandig fiscaal en juridisch adviseur. Op de website van de onderneming staat het kantooradres [adres 1] te [plaats] vermeld.
2.2.
Belanghebbende is op 7 december 2010 naar Brazilië geëmigreerd.
Voorgaande jaren: 2010 tot en met 2014
2.3.
Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2010 tot en met 2012 verlies uit Nederlandse onderneming aangegeven. Voorts heeft belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2015 winst uit Nederlandse onderneming aangegeven.
2.4.
De inspecteur heeft belanghebbende bij brieven van 7 juli 2015 en 1 oktober 2015 verzocht informatie te verstrekken om de aangiften IB/PVV en Zvw voor het jaar 2013 te kunnen beoordelen. In deze brieven wordt belanghebbende, onder meer, verzocht een overzicht te verstrekken ten aanzien van de uren die belanghebbende in het jaar 2013 aan de onderneming heeft besteed.
2.5.
Belanghebbende heeft bij brief van 13 oktober 2015 gereageerd op het verzoek van de inspecteur van 7 juli 2015. In deze brief verklaart belanghebbende, onder meer, het volgende:
“- Overzicht van het aantal uren
Zoals hiervoor aangegeven ben ik fulltime werkzaam als ZZP’er en heb ik geen andere inkomsten uit werkzaamheden dan wel dienstverband. Zonder meer kwalificeer ik voor het minimaal aantal uren van 1.225 per kalenderjaar voor het drijven van mijn onderneming, zowel in directe als indirecte uren. Ook uren die om niet verricht worden kwalificeren voor de uren voor de zelfstandingaftrek.”
2.6.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat belanghebbende in de jaren 2012 en 2014 geen winst uit Nederlandse onderneming heeft genoten en heeft voor die jaren nihilaanslagen IB/PVV opgelegd en geen aanslagen Zvw opgelegd. Belanghebbende heeft tegen die aanslagen bezwaar gemaakt, omdat belanghebbende vond dat in de aanslag voor het jaar 2012 ten onrechte geen verlies in aanmerking was genomen. Nadat dit bezwaar ongegrond was verklaard, heeft belanghebbende beroep ingesteld. Op 7 augustus 2017 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
2.7.1.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de in 2.6 genoemde uitspraak van de rechtbank, dat bij het hof is geregistreerd onder nummer BK-SHE 17/00634. In het verweerschrift in de hoger beroepsprocedure over het jaar 2012 heeft de inspecteur gesteld:
“Gelet op dit alles kan niet worden uitgesloten dat belanghebbende sinds zijn emigratie zijn onderneming niet uitsluitend drijft met behulp van een vaste inrichting in Nederland dan wel in het geheel geen gebruik maakt van een vaste inrichting / vaste vertegenwoordiger in Nederland maar slechts van een Nederlands postadres.”
2.7.2.
Op 6 juli 2018 vond bij het hof de zitting plaats waarop het geschil met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2012 werd behandeld. Belanghebbende heeft vervolgens middels een brief gericht aan het hof met datum 15 augustus 2018 het hoger beroep ingetrokken. In deze brief staat onder meer de volgende tekst:
“De Belastingdienst stelt echter, uitdrukkelijk op de hoogte van de hiervoor genoemde vaststaande feiten, dat:
• Mijn onderneming vanaf emigratie naar Brazilië is gestaakt (in bezwaar);
• Er is geen vaste inrichting in Nederland met behulp waarvan ik winst uit onderneming geniet (in bezwaar tot aan hoger beroep);
• De Rechtbank deelt de mening van de Belastingdienst in haar uitspraak d.d. 7 augustus 2017
Hoewel ik uitdrukkelijk in bezwaar, bij de Rechtbank en bij u deze stellingname correct betwist heb, blijft de Belastingdienst consequent bij haar standpunt. Daarmee ben ik volgens de Belastingdienst uitdrukkelijk geen Belasting verschuldigd over mijn inkomsten uit onderneming (dan wel inkomsten uit overige werkzaamheden) vanaf het jaar 2012 en later. Niet voor niets heeft de inspecteur over de kalenderjaren 2012 (verlies) en over 2014 (winst), mijn inkomsten na correctie van de door mij ingediende aangiften IB/PVV, op nihil gesteld.
Dat ik geen inkomstenbelasting in Nederland verschuldigd ben is een uitdrukkelijke
standpuntbepaling van de Belastingdienst, meermalen door haar verkondigd. Dit betekent ook dat, voor zover de situatie zoals deze hiervoor genoemd is, niet veranderd, ik geen inkomstenbelasting in Nederland vanaf het kalenderjaar 2012 en later verschuldigd ben. Ik mag mij namelijk uitdrukkelijk op deze standpuntbepaling van de Belastingdienst beroepen. Zij kan hierop, zonder gewijzigde omstandigheden, ook niet op terugkomen. En deze situatie zal ook de komende jaren met zekerheid niet veranderen. Derhalve zal ik mij vanaf nu op dit uitdrukkelijke standpunt van de Belastingdienst beroepen.”
2.7.3.
In een e-mail van 23 augustus 2018 reageert de inspecteur op de intrekking van het hoger beroep, waarin onder meer de volgende tekst staat:
“Na afloop van de zitting van 8 juli '18 kwamen wij, de heer […] en ondergetekende, met u overeen om na de uitspraak van het Gerechtshof met elkaar in gesprek te gaan over uw fiscale aangelegenheden in en met Nederland na 2012; er loopt immers nog een bezwaarprocedure tegen de aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2014 en de ingekomen aangiften inkomstenbelasting 2015 en 2016 behoeven ook nog een beoordeling. In deze gevallen is het steeds van belang om vast te stellen of op het adres [adres 1] te [plaats] een vaste inrichting aanwezig is met behulp waarvan in Nederland belaste winst uit onderneming wordt behaald.
Graag wil ik u uitnodigen voor een gesprek en gebruik maken van uw aanbod om dit op uw
kantooradres in [plaats] te houden.”
2.7.4.
Belanghebbende reageert nog diezelfde dag per e-mail met onder andere de volgende tekst:
“Uw standpunt in deze is duidelijk. Ik ben geen inkomstenbelasting in Nederland
verschuldigd voor de winst uit mijn eenmanszaak [eenmanszaak] .
Dit heeft u uitdrukkelijk in bezwaar, in beroep bij de Rechtbank als in hoger beroep hij het
Gerechtshof bevestigd en u, ondanks mijn verweren, blijvend op dit standpunt gesteld.
Zelfs ondanks mijn uitdrukkelijke feitelijke weergaven in deze .
Inmiddels heb ik mij aan uw standpunt in deze geconformeerd . Ik verzoek u derhalve de
aanslagen IB/PVV 2015, 2016 en 2017 conform uw standpuntbepaling in deze af te wikkelen, namelijk dat ik in Nederland geen inkomstenbelasting verschuldigd ben . Het verzamelinkomen dient derhalve jaarlijks op nihil gesteld te worden.
Ik beroep mij dan ook nadrukkelijk op uw standpuntbepaling in deze. Dat is ook de reden
dat ik het hoger beroep bij het Gerechtshof heb ingetrokken, zeker nadat u daar uitvoerig hebt aangegeven dat u vastgesteld heeft dat ik geen Inkomstenbelasting met mijn eenmanszaak [eenmanszaak] in Nederland verschuldigd ben.
2012, 2013, 2014, 2015 en daarna zijn consequent dezelfde feiten van toepassing. Deze zijn niet veranderd en zullen de komende jaren ook niet gaan veranderen.
Een afspraak bij mij op kantoor te [plaats] is derhalve ook niet meer nodig, daar uw standpunt in deze al vaststaat en ik mij daarop beroep. Ik mag er ook nadrukkelijk op vertrouwen dat u uw standpunt ook bij de afwikkeling van de aanslagen in de jaren na 2012 volgt.
Vertrouwende dat u de door mij ingediende aangiften 2015, 2016 en 2017 en de jaren daarna conform uw standpuntbepaling corrigeert en daarbij de verzamelinkomens op nihil stelt.”
2.7.5.
De inspecteur reageert op 30 augustus 2018 op deze e-mail van belanghebbende met onder andere de volgende tekst:
“U geeft aan dat een afspraak in [plaats] op uw bedrijfsadres niet meer nodig is omdat de inspecteur een standpunt ingenomen heeft waarop u zich nu beroept voor 2015 en volgende jaren.
Uw interpretatie van het door de inspecteur ingenomen standpunt deel ik niet. De inspecteur (ik) heeft bij de behandeling van uw bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting 2012 bij herhaling verzocht om uw stellingen over het bestaan van een vaste inrichting op het adres [adres 1] te [plaats] op een voor de inspecteur verifieerbare wijze aannemelijk te maken. Dit hebt u ondanks de meermaals geboden mogelijkheden niet gedaan, want u meende te kunnen volstaan met louter blote stellingen. Daarnaast hebt u uitdrukkelijk afgezien van uw recht om gehoord te worden in de bezwaarfase. Dat maakte dat de inspecteur de stelling heeft betrokken dat u niet aannemelijk hebt gemaakt dat er in 2012 en latere jaren sprake is van een Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 7.2., tweede lid, aanhef en onderdeel b, Wet IB. Zie daartoe de uitspraak op het bezwaarschrift en de verweerschriften van de inspecteur inzake uw (hoger) beroep tegen de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Dit is geenszins het standpunt dat u vanaf medio 2012 geen belasting meer verschuldigd bent!
Juist vanwege de voortdurende onduidelijkheid over en de kwalificatie van de activiteiten die vanaf medio 2012 in of vanuit het adres [adres 2] te [plaats] plaatsvinden gingen wij, de heer […] en ik, na afloop van de zitting bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in op uw aanbod om ter plaatse met u de feitelijke situatie te aanschouwen, bespreken en beoordelen. Dat willen wij nog steeds en daarom vraag ik u opnieuw het gesprek met ons aan te gaan in [plaats] .”
2.7.6.
Het hof heeft na de intrekking van het hoger beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2012 in die zaak geen uitspraak meer gedaan en heeft geen proces-verbaal opgemaakt van de zitting van 6 juli 2018.
Onderhavige jaren: 2016 en 2017
2.8.
Belanghebbende heeft op 18 juni 2017 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.807. Belanghebbende heeft daarbij een zelfstandigenaftrek van € 7.280 en een MKB-winstvrijstelling van € 1.760 in aanmerking genomen (de ondernemingsaftrek). De belastbare winst uit Nederlandse onderneming vóór de ondernemingsaftrek bedraagt op basis van die aangifte € 19.847.
2.9.
De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 11 maart 2019 aan belanghebbende medegedeeld voornemens te zijn af te wijken van de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2016. Belanghebbende heeft bij brief van 6 april 2019 hierop gereageerd. Naar aanleiding van de reactie heeft de inspecteur de afwijking van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 herzien.
2.10.
De inspecteur heeft met dagtekening 23 augustus 2019 definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.168. De inspecteur heeft daarbij geen zelfstandigenaftrek in aanmerking genomen en de MKB-winstvrijstelling aangepast tot een bedrag van € 679. De belastbare winst uit Nederlandse onderneming vóór de ondernemingsaftrek bedraagt € 4.847. Het verschuldigde bedrag ten aanzien van de IB/PVV voor het jaar 2016 is nihil en het verschuldigde bedrag ten aanzien van de Zvw bedraagt € 229.
2.11.
Belanghebbende heeft met dagtekening 1 oktober 2019 bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2016.
2.12.
Belanghebbende heeft op 15 maart 2018 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van € 3.748. Belanghebbende heeft daarbij een zelfstandigenaftrek van € 7.280 en een MKB-winstvrijstelling van € 611 in aanmerking genomen. De belastbare winst uit Nederlandse onderneming vóór de ondernemingsaftrek bedraagt op basis van die aangifte € 11.639.
2.13.
De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 18 september 2020 aan belanghebbende medegedeeld voornemens te zijn af te wijken van de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV en Zvw 2017.
2.14.
De inspecteur heeft dagtekening 6 oktober 2020 de aanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.010. De Inspecteur heeft daarbij geen zelfstandigenaftrek in aanmerking genomen en de MKB-winstvrijstelling aangepast tot een bedrag van € 1.629. De belastbare winst uit Nederlandse onderneming vóór de ondernemingsaftrek bedraagt € 11.639. Het verschuldigde bedrag ten aanzien van de IB/PVV voor het jaar 2017 is € 3.657 en het verschuldigde bedrag ten aanzien van de Zvw bedraagt € 540.
2.15.
Belanghebbende heeft met dagtekening 24 oktober 2020 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017.
2.16.
Belanghebbende heeft op 1 september 2023 een nader stuk bij de rechtbank ingediend met daarbij de volgende bijlagen:
“1. Brief van Belastingdienst d.d. 7 juli 2015 inzake 2013
2. Brief aan Belastingdienst d.d. 13 oktober 2015 inzake 2013
10. Intrekking bezwaar Belastingdienst d.d. 18 augustus 2018 inzake 2014”
3.Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil is in hoger beroep betreft het antwoord op of:
a. het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2016 onterecht niet-ontvankelijk is verklaard;
b. het vertrouwensbeginsel is geschonden ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen Zvw 2016 en 2017;
c. belanghebbende recht heeft op zelfstandigenaftrek in de jaren 2016 en 2017;
d. de inspecteur heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
e. de inspecteur artikel 8:42 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft geschonden;
f. de rechtbank de vergoeding voor immateriële schade voor overschrijding van de redelijke termijn onjuist heeft vastgesteld; en
g. de aanslagen Zvw naar onjuiste bedragen zijn opgelegd.
3.2.
Belanghebbende beantwoord deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken op bezwaar, tot gegrondverklaring van de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016, tot toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade en tot een vergoeding van de proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep. Met betrekking tot de opgelegde aanslagen concludeert belanghebbende primair tot oplegging van de aanslag IB/PVV 2017 naar een bedrag van nihil en tot vernietiging van de aanslagen Zvw 2016 en 2017, en subsidiair tot toekenning van de zelfstandigenaftrek voor de onderhavige jaren en overeenkomstige vermindering van de aanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4.Gronden
Vooraf en ambtshalve
Getuigenaanbod
4.1.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur tijdens de zitting van dit hof op 6 juli 2018 ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2012 expliciet heeft verkondigd dat belanghebbende geen winst uit onderneming in Nederland geniet, omdat hij in Brazilië woonachtig is. Hij stelt verder dat de raadsheren die deel uitmaakten van de zittingscombinatie kunnen getuigen dat de inspecteur dit inderdaad heeft verkondigd. Voorzover deze stelling aangemerkt moet worden als een verzoek om deze raadsheren als getuigen op te roepen, wijst het hof dit verzoek af. In de rechtspraak is het als een feit van algemene bekendheid erkend dat het vrijwel onmogelijk is om juist en volledig te getuigen over gebeurtenissen van vele jaren geleden. Van deze raadsheren kan daarom niet verwacht worden dat zij de stelling van belanghebbende zouden kunnen bevestigen. Daarnaast geldt dat het proces-verbaal van een zitting de enige kenbron is van wat tijdens de zitting is voorgevallen. [1] Dat geen proces-verbaal is opgesteld omdat belanghebbende dat hoger beroep heeft ingetrokken zonder in bezit te zijn van het proces-verbaal, moet voor zijn rekening komen, zeker omdat belanghebbende als ervaren gemachtigde in belastingzaken kennis heeft van het fiscale procesrecht.
Ten aanzien van het geschil
Ontvankelijkheid bezwaar tegen aanslag IB/PVV 2016
4.2.1.
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur zijn bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2016 onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De inspecteur heeft volgens belanghebbende ten onrechte nagelaten het bedrag van de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek bij beschikking vast te stellen. Belanghebbende stelt voorts dat zijn beroep gegrond had moeten worden verklaard, omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2016 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2.2.
Voorop moet worden gesteld dat een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. [2] Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen, zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Indien het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en is voldaan aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, en moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is.
4.2.3.
De aan belanghebbende opgelegde aanslag IB/PVV 2016 bedraagt nihil. Het bezwaar daartegen kan niet leiden tot vermindering. Dat het bezwaar belanghebbende anderszins in een betere positie kan brengen, is gesteld noch gebleken. De rechtbank heeft om deze reden terecht geoordeeld dat de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2016 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2.4.
Ten aanzien van de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek geldt dat deze ingevolge artikel 3.76, lid 6, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) door de inspecteur wordt vastgesteld bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit bedrag wordt afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Het verschuldigde bedrag aan IB/PVV is bij het opleggen van de aanslag voor het jaar 2016 vastgesteld op nihil. In voornoemde aanslag ligt de beschikking besloten dat de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek nihil bedraagt. [3] Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het bezwaar dat belanghebbende tegen de voornoemde aanslag heeft ingesteld ook moet worden geacht te zijn gericht tegen de beschikking ten aanzien van de zelfstandigenaftrek en dit bezwaar is, in zoverre, ontvankelijk.
4.2.5.
De stelling van belanghebbende dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren omdat de inspecteur het bezwaar dat is gericht tegen de beschikking ten aanzien van de zelfstandigenaftrek in het jaar 2016 onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, treft geen doel. De inspecteur stelt dat belanghebbende geen zelfstandigenaftrek toekomt en zou het bezwaar daarom ongegrond hebben verklaard indien hij het ontvankelijk had geacht. Aan het bezwaar van belanghebbende zou dus ook in dat geval niet tegemoet zijn gekomen. Belanghebbende heeft daarom geen belang bij vernietiging van de uitspraak op bezwaar tegen de vaststellingsbeschikking. De rechtbank heeft dit in haar oordeel eveneens onderkend en verwijst daarbij terecht naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2022. [4] .
Vertrouwensbeginsel ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen Zvw 2016 en 2017
4.3.1.
Belanghebbende stelt – zoals opgemerkt in 4.1. – dat de inspecteur tijdens de zitting van dit hof van 6 juli 2018 expliciet heeft verkondigd dat belanghebbende in het jaar 2012 geen winst uit onderneming in Nederland heeft genoten, omdat hij in Brazilië woonachtig is. Belanghebbende stelt dat sprake is van een bewuste standpuntbepaling en betoogt dat hieruit volgt dat de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat belanghebbende bij gelijkblijvende omstandigheden ook in latere jaren geen belasting is verschuldigd over door hem behaalde winst uit onderneming.
4.3.2.
De inspecteur betwist de stellingen van belanghebbende, alsmede dat hij vertrouwen zou hebben gewekt dat geen belasting is verschuldigd over de behaalde winst uit onderneming. Daarbij wijst de inspecteur op zijn e-mails van 23 en 30 augustus 2018, zoals weergegeven in 2.7.3 en 2.7.5.
4.3.3.
In de eerste plaats geldt – zoals opgemerkt in 4.1. – dat het proces-verbaal van een zitting de enige kenbron is van wat tijdens de zitting is voorgevallen. Nu geen proces-verbaal is opgesteld, is de stelling van belanghebbende over de uitlatingen van de inspecteur tijdens de zitting niet te controleren. Het hof kan daarom alleen oordelen over de vraag of de correspondentie van partijen ten aanzien van deze procedure het door belanghebbende gestelde gewekte vertrouwen aannemelijk maakt.
4.3.4.
Uit het verweerschrift in hoger beroep in de procedure met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2012 (zie 2.7.1) en de e-mails van 23 en 30 augustus 2018 komt naar het oordeel van het hof naar voren dat de inspecteur onvoldoende zicht heeft gehad op de feiten en omstandigheden (“ kan niet worden uitgesloten”, “behoeven ook nog een beoordeling”, “de voortdurende onduidelijkheid over en de kwalificatie van de activiteiten die vanaf medio 2012 […] plaatsvinden”) en dat hij graag de feitelijke situatie met belanghebbende zou willen aanschouwen, bespreken en beoordelen. Dat de inspecteur in de procedure ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2012 de positie heeft ingenomen dat geen sprake is van in Nederland belaste winst uit onderneming, doet hier niet aan af. In die procedure wilde belanghebbende dat een verlies in aanmerking zou worden genomen, terwijl de inspecteur dus kennelijk naar zijn mening onvoldoende zicht had op de relevante feiten en omstandigheden. Het is daarom verklaarbaar dat de inspecteur in die procedure heeft gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van (negatief) te belasten winst uit onderneming, omdat onduidelijkheid bestond over het bestaan van een vaste inrichting in Nederland. Dit brengt tevens met zich mee dat in latere jaren steeds opnieuw moet worden bezien of de bekende feiten en omstandigheden zijn gewijzigd, welke bewijslast geldt en waartoe dat in die jaren dan leidt.
4.3.5.
Daarnaast geldt dat de inspecteur het door belanghebbende gestelde gewekte vertrouwen vrijwel direct na de kenbaarheid daarvan heeft weersproken, zoals volgt uit de intrekking van het hoger beroep op 15 augustus 2018 en de e-mails van de inspecteur van 23 en 30 augustus 2018.
4.3.6.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de inspecteur geen uitlatingen heeft gedaan waarmee bij belanghebbende het gerechtvaardigde vertrouwen kon worden gewekt dat door hem behaalde winst uit onderneming in de jaren volgend op 2012 niet belast zou worden.
Zelfstandigenaftrek
4.4.1.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op zelfstandigenaftrek in de jaren 2016 en 2017. Belanghebbende voert daartoe aan dat hij in de jaren 2016 en 2017 ‘fulltime’ ondernemer was, en om die reden geen urenoverzicht hoeft te overleggen om aan te tonen dat hij die jaren ten minste 1.225 uren (per jaar) heeft besteed aan werkzaamheden voor de onderneming. Voorts stelt belanghebbende dat de inspecteur voor het jaar 2013 heeft geoordeeld dat hij met dezelfde onderbouwing wél in zijn bewijslast ten aanzien van het urencriterium is geslaagd en dat de inspecteur daarmee bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat in latere jaren de zelfstandigenaftrek eveneens zou worden toegekend.
4.4.2.
De inspecteur stelt dat belanghebbende geen recht heeft op zelfstandigenaftrek. Volgens de inspecteur voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarden voor de zelfstandigenaftrek, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het urencriterium wordt voldaan. De inspecteur voert daartoe aan dat belanghebbende op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt hoeveel uren hij aan zijn werkzaamheden voor de onderneming heeft besteed.
4.4.3.
Ingevolge artikel 3.76 Wet IB 2001 wordt de zelfstandigenaftrek toegekend aan de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Aan het urencriterium wordt ingevolge artikel 3.6 Wet IB 2001 voldaan indien gedurende het kalenderjaar ten minste 1.225 uren worden besteed aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.
4.4.4.
Op belanghebbende rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij in de jaren 2016 en 2017 ten minste 1.225 uren heeft besteed aan zijn onderneming. Belanghebbende is, ook in hoger beroep, niet geslaagd in zijn bewijslast. De enkele blote stelling van belanghebbende dat hij ‘fulltime’ werkzaamheden verricht ten behoeve van zijn onderneming, is onvoldoende om aan te nemen dat aan het urencriterium is voldaan.
4.4.5.
De stelling van belanghebbende dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden omdat hij heeft beslist dat belanghebbende voor het jaar 2013 wél in zijn bewijslast ten aanzien van het urencriterium zou zijn geslaagd, treft geen doel. Belanghebbende kan aan de beslissing van de inspecteur niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat hij met de uit 2013 stammende verklaring voor de jaren na 2013 zou hebben voldaan aan de op hem rustende bewijslast en in die jaren daarom ook recht heeft op zelfstandigenaftrek, aangezien ieder jaar op zichzelf beoordeeld moet worden. Daarnaast geldt dat de inspecteur in 2013 de aanslag heeft vastgesteld op grond van de uitlatingen van belanghebbende, zonder dat belanghebbende die verder had onderbouwd met stukken of gegevens uit zijn administratie. Het is dus juist de inspecteur geweest die heeft vertrouwd op uitlatingen van belanghebbende. In het kader van de controlebevoegdheden van de inspecteur staat het hem vrij om te toetsen of dit vertrouwen gerechtvaardigd is, door belanghebbende te vragen om de feiten die dienen ter onderbouwing van de zelfstandigenaftrek aannemelijk te maken met overlegging van de daartoe relevante stukken of gegevens uit zijn administratie, zoals in de onderhavige jaren. Dat belanghebbende daarin niet is geslaagd, komt voor zijn eigen rekening.
Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur anders dan het vertrouwensbeginsel
4.5.1.
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur naast het vertrouwensbeginsel ook andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, te weten het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Voorts stelt belanghebbende dat de rechtbank ook deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden door onzorgvuldig, onjuist en in strijd met de haar bekende feiten uitspraak te doen.
4.5.2.
Belanghebbende – op wie ten deze de bewijslast rust – heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt, op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat de inspecteur de voornoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. De inspecteur heeft in de gehele procedure zijn standpunten uitvoerig gemotiveerd. Dat belanghebbende het niet eens is met deze standpunten en de motivering daarvan is evident, maar dat brengt niet met zich mee dat het motiveringsbeginsel is geschonden. Daarnaast heeft de inspecteur steeds inhoudelijk op alle stellingen van belanghebbende gereageerd, waarmee ook geen aanleiding bestaat om een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanwezig te achten. Verder ziet het hof in de stukken van het geding en hetgeen besproken is ter zitting geen aanwijzingen dat het rechtszekerheidsbeginsel zou zijn geschonden. Voorzover belanghebbende daarmee doelt op het vertrouwensbeginsel, verwijst het hof naar de daarop betrekking hebbende overwegingen in 4.3 en 4.4.
4.5.3.
Belanghebbendes betoog dat de rechtbank de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden door onzorgvuldig, onjuist en in strijd met de haar bekende feiten uitspraak de doen, slaagt evenmin. Allereerst geldt dat de rechtbank geen bestuursorgaan is en in zoverre niet is gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit neemt niet weg dat de belastingrechter onder omstandigheden is gebonden aan bepaalde geschreven en ongeschreven beginselen van behoorlijke rechtspraak, zoals het beginsel van hoor en wederhoor en de motiveringsplicht. Met betrekking tot de uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat de rechtbank een dergelijk beginsel heeft geschonden.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
4.6.1.
Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten, in het geding te brengen. [5]
4.6.2.
Indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom een verzoek doet tot overlegging van dat stuk door de inspecteur, moet aan dat verzoek worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is en bovendien aannemelijk is dat het de inspecteur ter beschikking staat of heeft gestaan. [6] De beoordeling of de inhoud van het desbetreffende stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is (geweest), kan niet geschieden zonder kennisneming van die inhoud. Dit neemt niet weg dat de rechter onder omstandigheden ook zonder kennisneming van het desbetreffende stuk kan beslissen dat dit stuk niet van enig belang voor de besluitvorming kan zijn (geweest). [7]
4.6.3.
Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 AwbPro aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan het verzuim. [8]
4.6.4.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur artikel 8:42, lid 1, Awb heeft geschonden en voert daartoe aan dat de inspecteur heeft verzuimd de in 2.16 bedoelde bijlagen over te leggen. Daarnaast heeft de inspecteur volgens belanghebbende de stukken moeten inbrengen die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit om in de jaren volgend op 2013 niet meer de zelfstandigenaftrek toe te kennen.
4.6.5.
De inspecteur stelt dat de in 2.16 bedoelde bijlagen 1 tot en met 4 en 7 geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, en bijlage 6 en 8 tot en met 10 wél door de inspecteur zijn verstrekt. Ten aanzien bijlage 5 stelt de inspecteur dat deze brief hem niet ter beschikking stond.
4.6.6.
Naar het oordeel van het hof hebben de door belanghebbende gevraagde stukken niet op de onderhavige zaak betrekking in de zin van artikel 8:42, lid 1, Awb. De door belanghebbende bedoelde stukken hebben geen betrekking op de jaren 2016 en 2017, maar op de jaren 2012 tot en met 2014. Deze stukken zijn verder alleen relevant in het kader van de stellingen van belanghebbende dat de inspecteur met uitlatingen ten aanzien van deze jaren vertrouwen zou hebben gewekt dat in de onderhavige jaren is geschonden. Nu de inspecteur van mening is dat hij geen vertrouwen heeft gewekt, brengt dit met zich mee dat deze stukken naar het oordeel van de inspecteur geen relevantie hebben voor deze zaak. Het is dan niet aan de inspecteur, maar aan belanghebbende om de gestelde schending van het vertrouwensbeginsel aan de rechter voor te leggen en zijn stellingen met de daartoe relevante stukken te onderbouwen. Dat heeft belanghebbende ook gedaan. De grief van belanghebbende over de op de zaak betrekking hebbende stukken faalt daarmee.
Berekening vergoeding immateriële schade
4.7.1.
Belanghebbende stelt recht te hebben op een (hogere) vergoeding van immateriële schade. De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 1.250 aan belanghebbende, en de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 500 aan belanghebbende. De rechtbank is hierbij uitgegaan van het juiste toetsingskader. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en neemt de gronden daartoe over. Voor een hogere vergoeding van immateriële bestaat dan ook geen aanleiding.
4.7.2.
Voor zover belanghebbende stelt dat de met de inspecteur ter zitting van de rechtbank gesloten overeenkomst bij wijze van compromis ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade anders luidt dan in het proces-verbaal van die mondelinge behandeling is opgenomen, geldt – zoals opgemerkt in 4.1. en 4.3.3. – dat het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank de enige kenbron is van hetgeen tijdens die zitting is voorgevallen, en moet worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen daarin over de gang van zaken is vermeld. Hetzelfde geldt voor andere onderdelen van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank die volgens belanghebbende niet zouden stroken met hetgeen daadwerkelijk tijdens die zitting besproken zou zijn.
Aanslagen Zvw
4.8.
Het oordeel dat de aanslagen IB/PVV juist zijn vastgesteld brengt mee dat ook de bijdrage-inkomens voor de aanslagen Zvw niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep tegen die aanslagen is daarom eveneens ongegrond.
Tussenconclusie
4.9.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht
4.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 AwbPro. Het hof zit evenmin aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
5.Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, P.J.J. Vonk en R.A. Bosman, in tegenwoordigheid van T. van Hout, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
T. van Hout E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.