In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een rentebeschikking op basis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de heffing van griffierecht. Belanghebbende vordert onder meer een hogere rentevergoeding, een hogere proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank had de rentebeschikking vastgesteld op €25, de proceskostenvergoeding toegekend en het griffierecht vergoed. Belanghebbende stelde dat het vooraf heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht en dat hij recht heeft op rentevergoeding over het griffierecht. Het hof oordeelt dat het Unierecht geen vrijstelling van griffierecht voorschrijft en dat het niet toekennen van rente over het griffierecht niet in strijd is met het Unierecht.
Verder is het hof van oordeel dat de hoorplicht en het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet zijn geschonden, dat het hof bevoegd is om het Unierecht toe te passen zonder prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ, en dat de inspecteur bevoegd is de rentebeschikking te nemen. De rechtbank heeft de rentevergoeding correct vastgesteld en de proceskostenvergoeding passend toegewezen. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen omdat belanghebbende ter zitting heeft verklaard geen spanning of frustratie te ervaren.
Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een hogere rentevergoeding, hogere proceskostenvergoeding of vergoeding van immateriële schade. Ook wordt het griffierecht niet opnieuw vergoed. De redelijke termijn is wel overschreden, maar dit leidt niet tot een schadevergoeding.