Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:590

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
23/856
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12b Wet bpmArt. 1 Wet bpmArt. 5 Wet bpmArt. 20 Algemene wet rijksbelastingenArt. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM voor gebruikte auto uit het buitenland

Belanghebbende least een auto van een Duitse GmbH en koopt deze na kortlopende huurperiodes. De inspecteur legt een naheffingsaanslag BPM op omdat de auto feitelijk ter beschikking stond en gebruikt werd op de Nederlandse weg. De rechtbank vernietigt de aanslag, maar het hof heropent het onderzoek na een arrest van de Hoge Raad.

Het hof oordeelt dat belanghebbende de auto vanaf 20 juli 2013 feitelijk ter beschikking had en dat de auto bestemd was voor duurzaam gebruik in Nederland. De inspecteur slaagt er niet in te bewijzen dat de auto in juli 2013 al in Nederland is gebruikt, maar wel dat op 7 september 2013 gebruik op de Nederlandse weg plaatsvond. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 78.814 minus reeds betaalde BPM.

Het hof bevestigt dat het verdedigingsbeginsel niet is geschonden bij de oplegging van de tweede naheffingsaanslag. Ook is het opleggen van een tweede naheffingsaanslag toegestaan na vernietiging van de eerste. De verzuimboete wordt verminderd tot 10% van de verschuldigde belasting met een maximum van € 5.278 en niet verder dan € 50.

Verder oordeelt het hof dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld over samenhang van zaken en kostenvergoedingen, en wijst het verzoek tot vergoeding van werkelijke proceskosten af. De naheffingsaanslag, belastingrentebeschikking en boetebeschikking worden verminderd, en de inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 78.814 minus reeds betaalde BPM, de boetebeschikking wordt verminderd en de inspecteur wordt veroordeeld tot kostenvergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/856
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en het incidentele hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 april 2023, nummer BRE 19/2660, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank incidenteel hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , [naam] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 23/836.
1.7.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een exemplaar daarvan overgelegd aan de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Het hof heeft vervolgens beslist dat de zaak zal worden aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in de zaak met nummer 23/02907, naar aanleiding van de conclusie van advocaat-generaal Koopman van 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:379.
1.10.
De Hoge Raad heeft op 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1410, arrest gewezen. Belanghebbende heeft op 9 oktober 2025 gereageerd op het door de Hoge Raad gewezen arrest. Gelet hierop heeft het hof beslist dat het onderzoek in de zaak zal worden heropend en dat het hoger beroep in de zaak op een nadere zitting zal worden behandeld. Het hof heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld eveneens te reageren op het door de Hoge Raad gewezen arrest. De inspecteur heeft op 13 november 2025 een schriftelijke reactie gegeven. Dit stuk is doorgestuurd naar belanghebbende.
1.11.
Belanghebbende heeft vóór de nadere zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.12.
De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 6] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 23/836.
1.13.
Het hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Op 28 februari 2013 sluit belanghebbende een koopovereenkomst voor de aankoop van een [merk auto] (hierna: de auto) met [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ).
2.2.
Op 17 juni 2013 wordt een koopbevestiging opgesteld voor dezelfde auto met als koper [bedrijf 2] Gmbh (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is een Duitse ondernemer gevestigd in [plaats] Duitsland. De prijs van de auto exclusief btw en bpm is € 229.704. [bedrijf 1] factureert aan [bedrijf 2] met vermelding van het Duitse kenteken van de auto en als afleverdatum 19 juli 2013. Deze factuur wordt door [bedrijf 2] voldaan.
2.3.
Op 25 juni 2013 sluit belanghebbende een huurovereenkomst met [bedrijf 2] voor de auto. De maandelijkse huursom bedraagt blijkens dit contract € 5.150 exclusief omzetbelasting. Daarnaast moet de huurder volgens het contract jaarlijks € 4.000 vergoeden voor verzekering en € 1.000 voor belasting. De kilometerstand bij aanvang is volgens de overeenkomst 10 kilometer. Volgens deze huurovereenkomst zijn alle kosten van brandstof, reiniging, onderhoud, olie verversen, banden en remmen voor rekening van belanghebbende. In de overeenkomst staat dat de auto in [plaats] , Duitsland aan belanghebbende wordt overgedragen. Volgens de overeenkomst moet belanghebbende een borg stellen voor de huur. De borg bedraagt € 231.250. De huurovereenkomst bevat verder een koopoptie. Belanghebbende is gerechtigd na afloop van de huurovereenkomst de auto te kopen conform de bepalingen van de koopovereenkomst die in bijlage 3 bij de huurovereenkomst staan. [bedrijf 2] biedt belanghebbende al de mogelijkheid deze koopovereenkomst af te sluiten. De betaalde huurtermijnen alsmede het niet-benutte deel van de borgstelling komen in mindering op de koopprijs.
2.4.
De koopovereenkomst tussen [bedrijf 2] en belanghebbende is gedateerd op 18 juni 2013. In de overeenkomst staat dat de auto een half jaar op naam van [bedrijf 2] moet staan en in die periode huurt belanghebbende de auto.
2.5.
Belanghebbende betaalt op 17 juli 2013 een bedrag van € 231.250 aan [bedrijf 2] als borg.
2.6.
De auto is op 9 juli 2013 toegelaten en op een Duits kenteken gezet. [bedrijf 1] factureert op 18 juli 2013 aan [bedrijf 2] met vermelding van het Duitse kenteken van de auto en als afleverdatum 19 juli 2013. [bedrijf 2] betaalt op 18 juli 2013 € 229.704 aan [bedrijf 1] .
2.7.
Op 20 juli 2013 wordt een gebruiksovereenkomst opgemaakt tussen [bedrijf 2] en belanghebbende. De kilometerstand bij aanvang is 230. De overeenkomst loopt initieel van 20 juli 2013 tot 30 september 2013 en wordt door middel van aanvullende gebruiksovereenkomsten steeds verlengd tot 30 april 2014. [bedrijf 2] factureert per kwartaal een aantal huurtermijnen aan belanghebbende. Deze huurtermijnen worden afgeboekt van de borg.
2.8.
Op 16 april 2014 wordt de auto geleverd door [bedrijf 2] aan belanghebbende voor een bedrag van € 170.000 exclusief € 32.300 Duitse omzetbelasting. Het bedrag komt overeen met de aanvankelijke aanschafprijs minus de vervallen huurtermijnen. De kilometerstand van de auto bedraagt op dat moment 7.243.
2.9.
De auto wordt door belanghebbende op 18 april 2014 geleverd aan [bedrijf 3] . In mei 2014 wordt voor de auto aangifte gedaan voor de bpm. De auto wordt vervolgens terug geleverd aan belanghebbende.
2.10.
De auto is in onderhoud geweest bij [bedrijf 1] , gevestigd in [vestigingsplaats] . Hiervoor zijn door [bedrijf 1] de volgende onderhoudsfacturen opgemaakt:
Factuur-nummer
Factuur-datum
Werkorder-datum
Tenaamstelling
Opmerkingen
[nummer 1]
26-07-2013
16-07-2013
[bedrijf 1]
[nummer 2]
05-09-2013
07-08-2013
n.v.t.
Afleverklaar maken nieuwe auto
[nummer 3]
05-09-2013
07-08-2013
[bedrijf 2]
Opgehaald en teruggebracht [woonplaats]
[nummer 4]
05-09-2013
07-08-2013
[bedrijf 2]
[nummer 5]
30-09-2013
27-09-2013
[bedrijf 2]
[nummer 6]
05-11-2013
28-10-2013
[bedrijf 2]
Opgehaald in [woonplaats] , door klant opgehaald
[nummer 7]
05-11-2013
28-10-2013
[bedrijf 2]
Opgehaald in [woonplaats] , door klant opgehaald bij [bedrijf 1]
[nummer 8]
04-12-2013
26-11-2013
[bedrijf 2]
[nummer 9]
17-01-2014
23-12-2013
[bedrijf 2]
[nummer 10]
17-01-2014
23-12-2013
[bedrijf 2]
[nummer 11]
20-05-2014
09-04-2014
Belanghebbende
[nummer 12]
15-05-2014
09-04-2014
Belanghebbende
[nummer 13]
15-05-2014
09-04-2014
Belanghebbende
[nummer 14]
15-05-2014
09-04-2014
Belanghebbende
[nummer 15]
20-05-2014
09-04-2014
Belanghebbende
[nummer 16]
02-09-2014
03-07-2014
[bedrijf 2]
[nummer 17]
02-09-2014
03-07-2014
[bedrijf 2]
[nummer 18]
22-12-2014
29-09-2014
[bedrijf 2]
[nummer 19]
22-12-2014
29-09-2014
[bedrijf 2]
[nummer 20]
22-12-2014
29-09-2014
[bedrijf 2]
[nummer 21]
30-04-2015
03-04-2014
Belanghebbende
Opgehaald in [woonplaats] , door klant opgehaald
2.11.
Op diverse onderhoudsfacturen van [bedrijf 1] en gebruiksovereenkomsten staan kilometerstanden vermeld:
Datum
Kilometerstand
toename
16-7-2013
101
101
20-7-2013
230
129
7-8-2013
3.136
2.906
27-9-2013
3.872
736
28-10-2013
4.41
538
26-11-2013
4.711
301
23-12-2013
5.691
980
9-4-2014
7.689
1.998
2.12.
Met dagtekening 30 juni 2017 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag bpm, een vergrijpboete- en een belastingrentebeschikking opgelegd aan belanghebbende voor dit feitencomplex. De inspecteur heeft het daartegen ingediende bezwaar gegrond verklaard vanwege schending van het verdedigingsbeginsel, de naheffingsaanslag, de vergrijpboete- en de belastingrentebeschikking zijn vernietigd.
In de motivering van de uitspraak op bezwaar van 15 februari 2018 is in de slotopmerkingen het volgende opgenomen:
“Ik wijs u nadrukkelijk op het volgende. Indien op een later tijdstip alsnog duidelijk wordt dat de belanghebbende te weinig BPM heeft afgedragen kan op grond van artikel 20 Algemene Pro wet rijksbelastingen een nieuwe naheffingsaanslag opgelegd worden.”
2.13.
Per brief van 12 november 2018 kondigt de inspecteur opnieuw een naheffingsaanslag bpm aan. Op 22 november 2018 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen belanghebbende, zijn gemachtigde en de inspecteur.
2.14.
Met de dagtekening 27 december 2018 legt de inspecteur opnieuw een naheffingsaanslag bpm op ten bedrage van € 88.156. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 17.361 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 5.278 opgelegd (hierna: de boetebeschikking). Belanghebbende maakt hiertegen bezwaar. Bij uitspraak op bezwaar van 3 juni 2019 is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.15.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag, belastingrente- en boetebeschikking vernietigd, zich onbevoegd verklaard om in deze procedure uitspraak te doen over de verzochte (invorderings)rentevergoeding, de minister veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.500, bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 174 aan belanghebbende moet vergoeden, de inspecteur veroordeeld tot een betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende en beslist dat, indien de vergoeding van immateriële schade, de proceskostenvergoeding en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak door de rechtbank is gedaan.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd en of de rechtbank de juiste nevenbeslissingen heeft genomen.
Meer specifiek is in geschil het antwoord op de volgende vragen:
Principaal hoger beroep:
( i) Heeft de rechtbank de naheffingsaanslag terecht vernietigd?
Incidenteel hoger beroep, indien het hoger beroep van de inspecteur slaagt:
  • ii) Is sprake van dubbele heffing?
  • iii) Is het verdedigingsbeginsel geschonden?
  • iv) Kan een naheffingsaanslag worden opgelegd als eerder voor hetzelfde feit een naheffingsaanslag is opgelegd en vernietigd?
  • v) Kan een verzuimboete worden opgelegd als eerder voor hetzelfde feit een vergrijpboete is opgelegd en vernietigd?
  • vi) Heeft de inspecteur de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
  • vii) Zijn de rechtbank en het hof bevoegd uitleg te geven aan het Unierecht?
  • viii) Bestaat er aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU)?
Incidenteel hoger beroep:
  • ix) Heeft belanghebbende recht heeft op een vergoeding van rente in verband met in strijd met het Unierecht geheven belasting?
  • x) Heeft belanghebbende recht op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase?
  • xi) Heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat samenhang bestaat tussen de bpm-zaak en de ob-zaak van belanghebbende zodat maar één vergoeding van immateriële schade en één proceskostenvergoeding moet worden toegekend?
  • xii) Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de werkelijke proceskosten?
3.2.
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank, toekenning van een rentevergoeding en toekenning een aanvullende vergoeding voor (proces)kosten.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Vraag (i) naheffingsaanslag
4.1.
Artikel 12b Wet bpm (tekst 2013) bepaalt:
“Ingeval van constatering van het gebruik van de weg met een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van het in artikel 1, vijfde, zesde of achtste lid genoemde feit niet is betaald, kan de belasting worden nageheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg wordt daarbij gesteld op het tijdstip van constatering.”.
4.2.
Primair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag op grond van een nieuwe en ongebruikte auto terecht is opgelegd nu de auto vanaf de aflevering aan belanghebbende (op 20 juli 2013) - ook gelet op de onderlinge contractuele verhoudingen - bestemd was voor duurzaam weggebruik in Nederland en daarvoor ook daadwerkelijk door belanghebbende is gebruikt. Volgens de inspecteur staat buiten discussie dat de auto belanghebbende feitelijk ter beschikking stond.
4.3.
Belanghebbende voert aan dat de inspecteur in 2013 op geen enkel moment heeft geconstateerd dat de auto hem feitelijk ter beschikking stond. De naheffingsaanslag vermeldt ook geen moment van constatering. Pas in de loop van 2016 is door de inspecteur geconstateerd dat in 2013 met de auto gebruik is gemaakt van de Nederlandse weg. Aangezien de verschuldigde bpm toen al was voldaan, acht belanghebbende naheffing niet (meer) mogelijk. Verder betwist belanghebbende dat hij in 2013 met de auto duurzaam gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse weg. Volgens belanghebbende maakt de inspecteur niet aannemelijk dat belanghebbende de auto op 5 september 2013 en 5 november 2013 zelf bij [bedrijf 1] heeft opgehaald en zelfs als dit aannemelijk wordt geacht, betekent het ophalen van de auto na onderhoud niet dat sprake is van duurzaam gebruik van de Nederlandse weg.
4.4.
In artikel 1, lid 6, Wet bpm is bepaald dat ingeval een niet geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon, de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Ingevolge artikel 5, lid 2, Wet bpm wordt met betrekking tot een niet geregistreerde personenauto de belasting geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Op grond van artikel 12b Wet bpm (wettekst 2013) kan, ingeval van constatering van het gebruik van de weg met een personenauto waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van het in artikel 1, lid 6, genoemde feit niet is betaald, de belasting worden nageheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg wordt daarbij gesteld op het tijdstip van constatering. De bewijslast ter zake van de feiten en omstandigheden op grond waarvan de heffing van bpm is gebaseerd, rust op de inspecteur.
4.5.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende kan worden aangemerkt als degene aan wie de auto in 2013 feitelijk ter beschikking stond. Belanghebbende heeft de auto op 20 juli 2013 opgehaald en de auto staat vanaf dat moment feitelijk tot zijn beschikking. Van belang zijn vervolgens de antwoorden op de vragen of belanghebbende met de auto gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse weg en vanaf welk moment dat gebruik is aangevangen.
4.6.
Op grond van de jurisprudentie van het HvJ EU is het Nederland toegestaan om een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen, ongeacht de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto, in gevallen waarin de auto hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar aldus feitelijk duurzaam wordt gebruikt (vgl. HvJ EU 21 november 2013, C-302/12, X, V-N 2013/59.22, punten 24 tot en met 26, en de in die punten andere aangehaalde arresten van het HvJ EU). [1] Het begrip “gebruik van de weg” in artikel 12b Wet bpm dient verdragsconform te worden uitgelegd als “beoogd duurzaam gebruik” dan wel “feitelijk duurzaam gebruik”. Het is aan de inspecteur om dit aannemelijk te maken. Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de auto is bestemd voor duurzaam gebruik van de openbare weg in Nederland. In de huurovereenkomst staat immers dat belanghebbende de vaste bestuurder is. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en zijn hoofdverblijf in Nederland. De auto is ook bestemd om aangekocht te worden door belanghebbende, zoals blijkt uit de overeenkomst van 18 juni 2013. De auto is in onderhoud bij [bedrijf 1] in Nederland en belanghebbende heeft zelf verklaard dat de auto veelal bij hem thuis in [woonplaats] staat. De vraag vanaf welk moment sprake is van gebruik van de openbare weg in Nederland als bedoeld in artikel 1, lid 6, Wet bpm komt hierna aan de orde.
4.7.
De inspecteur bestrijdt dat belanghebbende – zoals hij tijdens onder meer de zitting bij het hof heeft verklaard – de auto in Duitsland heeft gehaald en vervolgens naar Italië is gereden, zonder dat toen sprake is geweest van gebruik van de Nederlandse weg. De inspecteur verwijst in dit kader naar de hoeveelheid kilometers die staan vermeld op diverse stukken. Op 16 juli 2013 bedroeg de kilometerstand 101 km volgens een werkplaatsfactuur van [bedrijf 1] . Op de gebruiksovereenkomst van 20 juli 2013 staat een kilometerstand van 230 km vermeld. In die tussenliggende periode is dus 129 km met de auto gereden. Volgens belanghebbende heeft [bedrijf 2] de auto opgehaald bij [bedrijf 1] en overgebracht naar [plaats] (Duitsland). De inspecteur stelt dat de enkele reisafstand [vestigingsplaats] - [plaats] 160 km bedraagt, zodat het verhaal van belanghebbende niet kan kloppen. Hij vermoedt dat belanghebbende de auto in [vestigingsplaats] heeft opgehaald en naar zijn woonplaats in [woonplaats] heeft gereden, omdat die afstand 113,4 km bedraagt. Tevens stelt de inspecteur dat uit informatie van de Duitse autoriteiten volgt dat [bedrijf 2] helemaal geen kantoor in [plaats] had en dat op dat adres slechts een postbus aanwezig was.
4.8.
Belanghebbende bestrijdt de stellingen van de inspecteur gemotiveerd. Hij stelt dat de auto wel degelijk in [plaats] (Duitsland) is afgehaald op 20 juli 2013 en dat hij vervolgens met de auto naar Italië is gereden, waar de auto ook is gespot op 29 juli 2013. Belanghebbende wijst er op dat de auto mogelijk met een autotransporter van [vestigingsplaats] naar [plaats] is vervoerd. Wat betreft het adres van [bedrijf 2] stelt belanghebbende dat de informatie van de Duitse autoriteiten van een veel latere datum is en dat in 2013 [bedrijf 2] wel degelijk over een kantoor in [plaats] beschikte.
4.9.
Het hof acht de inspecteur niet geslaagd in het bewijs dat in juli 2013 een belastbaar feit zich heeft voorgedaan in de vorm van gebruik met de auto van de openbare weg in Nederland. De inspecteur heeft daar geen bewijs voor en de veronderstellingen die hij ten grondslag voor zijn standpunt aanvoert, zijn door belanghebbende gemotiveerd bestreden.
4.10.
De inspecteur heeft subsidiair gesteld dat sprake is van fraus legis. Deze stelling kan de inspecteur echter niet baten. Ook in het geval de verhuurconstructie zou worden weggedacht en uit wordt gegaan van een levering door [bedrijf 1] aan belanghebbende, dan moet nog steeds worden vastgesteld wanneer voor het eerst gebruik is gemaakt van de openbare weg in Nederland. Voor de heffing van de bpm zou dit dus niet tot een andere uitkomst leiden.
4.11.
De inspecteur heeft meer subsidiair het standpunt ingenomen dat het gebruik van de weg in Nederland is aangevangen op 7 september 2013, de datum waarop de auto volgens belanghebbende voor een storing bij [bedrijf 1] is gebracht met een kilometerstand van 3.136 kilometer. Voor dat geval dient volgens de inspecteur de naheffingsaanslag te worden verminderd tot een bedrag van € 78.814. Een berekening van dit bedrag is als bijlage 5 bij de motivering van het hoger beroep opgenomen. De inspecteur heeft daarbij de waardevermindering berekend met toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel.
4.12.
Belanghebbende betwist ook in dit geval dat hij met de auto duurzaam gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse weg. Volgens belanghebbende is de auto destijds opgehaald door [bedrijf 1] en teruggebracht in [woonplaats] . Evenmin is het gebruik in 2013 door de inspecteur geconstateerd, aldus belanghebbende.
4.13.
Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat in ieder geval op 7 september 2013 door belanghebbende gebruik is gemaakt van de openbare weg in Nederland. De stelling dat de auto niet is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland, heeft het hof al verworpen onder 4.6. De stelling van belanghebbende dat op 7 september 2013 de auto door een medewerker van [bedrijf 1] is opgehaald en teruggebracht, betekent niet dat de auto belanghebbende niet ter beschikking stond. Voorts stond de auto in [woonplaats] bij belanghebbendes huis. Het kan dan ook niet anders dan dat belanghebbende de auto vanuit Italië naar Nederland heeft gereden en in Nederland gebruik heeft gemaakt van de openbare weg. Het heffingstijdstip ligt dus mogelijk al eerder dan 7 september 2013, maar dat zou niet tot een lagere naheffingsaanslag leiden. Belanghebbende heeft overigens niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat in het geval het heffingstijdstip is gelegen op 7 september 2013, de naheffingsaanslag zoals berekend door de inspecteur op een lager bedrag moet worden gesteld. Dat op de naheffingsaanslag geen specifiek tijdstip is vermeld, leidt het hof niet tot een ander oordeel. [2]
Vraag (ii) dubbele heffing
4.14.
Belanghebbende betoogt dat sprake is van dubbele (bpm-)heffing, omdat de auto in 2014 in het Nederlandse kentekenregister is geregistreerd en ter zake van dat feit de volledige verschuldigde bpm is voldaan. In het verlengde daarvan heeft belanghebbende betoogd dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen rekening heeft gehouden met het evenredigheidsbeginsel. Zelfs als belanghebbende met de auto hoofdzakelijk duurzaam gebruik maakte van de Nederlandse weg – hetgeen door belanghebbende wordt betwist – dan is met de auto maximaal 10 maanden gebruik gemaakt van de Nederlandse weg, te weten van 20 juli 2013 tot 12 mei 2014. Volgens belanghebbende ligt daar de begrenzing van de heffing. Omdat de inspecteur een naheffingsaanslag voor het volledige bedrag heeft opgelegd, dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd.
4.15.
In zijn arrest van 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8259, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“3.3.1. Voor zover hier van belang is in artikel 1, leden 2 en 5 [hof: thans 6], van de Wet bepaald dat BPM is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens en ter zake van de aanvang van het gebruik in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 met een niet-geregistreerde personenauto welke feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam.
De tekst van artikel 1 van Pro de Wet sluit niet uit dat met betrekking tot één en dezelfde personenauto de beide hiervoor omschreven belastbare feiten zich voordoen met als gevolg dat ter zake van elk van die belastbare feiten BPM is verschuldigd (…).
3.3.2.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet moet evenwel worden afgeleid dat de wetgever voor motorrijtuigen geen dubbele heffing van BPM heeft beoogd. Blijkens die totstandkomingsgeschiedenis is zowel met het in het eerste lid als het in het vijfde lid van artikel 1 van Pro de Wet omschreven belastbare feit beoogd eenmalig BPM te heffen voor een personenauto ter zake van het toetreden van die personenauto tot het verkeer op de Nederlandse openbare weg (vgl. Kamerstukken II 1992/93, nr. 22868, nr. 3, blz. 3).
3.3.3.
Gelet op het hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 overwogene en in het licht van het bepaalde in artikel 20, leden 1 en 2, van de AWR moet worden aanvaard dat indien met betrekking tot een personenauto het in artikel 1, lid 5, van de Wet omschreven belastbare feit zich voordoet en nadien, doch voordat ter zake van dat belastbare feit een naheffingsaanslag BPM wordt opgelegd, voor diezelfde auto verschuldigde BPM wordt betaald, ter zake van dat belastbare feit slechts BPM kan worden nageheven voor zover meer BPM is verschuldigd dan reeds is betaald.
Daarbij verdient opmerking dat een en ander geen gevolgen heeft voor de eventuele toepassing van boetebepalingen (…).”
4.16.
In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat belanghebbende bpm verschuldigd is tot een bedrag van € 78.814 (zie r.o. 4.11 t/m 4.13). Tevens staat vast dat, voordat de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd, voor deze auto bpm op aangifte is voldaan in verband met de registratie in het kentekenregister door [bedrijf 3] . Gelet op het onder 4.15 vermelde arrest, kan slechts bpm worden nageheven voor zover meer bpm is verschuldigd dan reeds is betaald. In de correspondentie tussen de inspecteur en gemachtigde wordt gesproken over een mogelijk bedrag van € 35.000. Nu geen duidelijkheid hierover bestaat zal het hof oordelen dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot een bedrag van € 78.814 minus het door [bedrijf 3] op aangifte reeds voldane bedrag aan bpm.
Vraag (iii) verdedigingsbeginsel
4.17.
Belanghebbende stelt dat bij de oplegging van de tweede naheffingsaanslag wederom het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, omdat de inspecteur geen kennisgeving heeft gestuurd aan belanghebbende met de (expliciete) mogelijkheid om zijn bezwaren voorafgaand aan de naheffingsaanslag kenbaar te maken.
4.18.
De rechtbank heeft omtrent dit betoog het volgende overwogen en geoordeeld:
“3.3. (…) Belanghebbende is door de inspecteur bij brief van 12 november 2018, de zogenoemde vooraankondiging, in de gelegenheid gesteld om te reageren op de aangekondigde naheffingsaanslag. Op verzoek van belanghebbende heeft er op 22 november 2018 een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende en de inspecteur over de aangekondigde naheffingsaanslag. Gelet hierop faalt de stelling van belanghebbende dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, aangezien belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag zijn zienswijze naar behoren kenbaar heeft kunnen maken.”
4.19.
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt deze. In hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank.
Vraag (iv) tweede naheffingsaanslag.
4.20.
Volgens belanghebbende kan geen tweede naheffingsaanslag worden opgelegd, nadat is vast komen te staan dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden bij het opleggen van de eerste naheffingsaanslag. Deze vraag was aan de orde in het bij de Hoge Raad lopende cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2023 [3] en in welke zaak de Advocaat-Generaal een conclusie heeft uitgebracht. [4] De Hoge Raad heeft op 26 september 2025 arrest [5] gewezen en de Advocaat-Generaal niet gevolgd in diens conclusie. Gelet op dit arrest van de Hoge Raad dient het standpunt van belanghebbende te worden verworpen. Ook overigens ziet het hof geen belemmering in het opleggen van een tweede naheffingsaanslag nadat de eerste naheffingsaanslag is vernietigd. Van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur of schending van een grondrecht uit het Handvest is geen sprake.
Vragen (v) en (vi) verzuimboete
4.21.
De inspecteur heeft op grond van artikel 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen een verzuimboete van € 5.278 opgelegd. Belanghebbende stelt dat het opleggen van een verzuimboete nadat een eerdere vergrijpboete is opgelegd, maar vernietigd, niet is toegestaan op grond van artikel 5:43 Algemene Pro wet bestuursrecht en paragraaf 15, lid 3, Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst (hierna: BBBB). Het hof verwerpt dit door belanghebbende verdedigde standpunt. In deze bepaling is het zogenoemde ne-bis-in-idem-beginsel neergelegd. Dit beginsel brengt tot uitdrukking dat iemand niet twee maal wordt beboet voor dezelfde overtreding. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, omdat de aanvankelijk opgelegde vergrijpboete is vernietigd en dus niet meer bestaat. Van het tweemaal beboeten is dan ook geen sprake. Voor zover belanghebbende de hoogte van de boete bestrijdt, is het hof van oordeel dat een boete van 10%, zoals neergelegd in paragraaf 24 BBBB, passend en geboden is. De boete dient daarom te worden verminderd tot 10% van de verschuldigde belasting met een maximum van € 5.278 en niet verder dan € 50.
Vraag (vii) en (viii) uitleg van het Unierecht en prejudiciële vragen
4.22.
De stelling van de gemachtigde van belanghebbende dat de rechtbank artikel 267, letter a en artikel 267, tweede alinea, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft geschonden door uitleg te geven aan de bepalingen van het Unierecht terwijl alleen het HvJ EU bevoegd is om dat te doen, is onjuist en wordt door het hof verworpen. Evenmin bestond voor de rechtbank in dit geval de verplichting om prejudiciële vragen te stellen. Datzelfde geldt voor het hof. Het hof ziet daar in de bijzonderheden van dit geschil ook geen aanleiding toe.
Vraag (ix) rentevergoeding
4.23.
Belanghebbende stelt dat hij aanspraak maakt op een rentevergoeding over de in strijd met het Unierecht geheven belasting. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om in de onderhavige procedure uitspraak te doen over de verzochte (invorderings)rentevergoeding en dit als volgt gemotiveerd. Het hof ziet geen aanleiding om anders te oordelen.
“3.7. Voor zover belanghebbende bepleit dat ook recht bestaat op invorderingsrente op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990, kan dat in deze procedures niet aan de orde komen. De wetgever heeft immers erin voorzien dat voor een dergelijke rentevergoeding een verzoek aan de ontvanger kan worden gedaan, en in deze procedures liggen niet (de uitspraken op bezwaar tegen) de beschikkingen van de ontvanger voor. De rechtbank is in zoverre onbevoegd om daarover te oordelen in deze procedures; het Unierecht maakt dat niet anders.2
voetnoot 2: Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341 en Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790.”
Vragen (x) kostenvergoeding voor de bezwaarfase
4.24.
Belanghebbende betoogt dat de rechtbank de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte heeft vastgesteld op € 592 omdat ten onrechte het lagere tarief van € 296 per punt is toegepast.
4.25.
Deze klacht is gegrond. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 [6] heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het verschil in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief van € 666 (tarief 2026) per punt.
Vragen (xi) samenhang zaken bij vergoeding van immateriële schade en proceskosten
4.26.
Belanghebbende heeft zich verzet tegen het oordeel van de rechtbank dat met betrekking tot de beroepsfase sprake is van samenhang tussen de bpm-zaak van belanghebbende, met in de beroepsfase het nummer BRE 19/2660, en de ob-zaak van belanghebbende, met in de beroepsfase het nummer BRE 19/2426.
4.27.
Het hof stelt vast dat de rechtbank heeft overwogen dat in de bpm-zaak van belanghebbende hetzelfde feitencomplex aan de orde is en dat de fasen van de procedure gelijktijdig zijn doorlopen. Op basis daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor alle fasen van de procedure een zodanige samenhang bestaat dat ter vaststelling van het bedrag van de vergoeding van immateriële schade voor de zaken van belanghebbende gezamenlijk éénmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd.
4.28.
Vooropgesteld wordt dat in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, in dit verband dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. [7] Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat vanwege samenhang slechts één vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende moet worden toegekend.
4.29.
Belanghebbende klaagt er verder over dat de rechtbank de proceskostenvergoeding heeft berekend op € 2.266 voor deze zaak en de ob-zaak tezamen. Volgens belanghebbende dient voor iedere zaak afzonderlijk een proceskostenvergoeding te worden vastgesteld, omdat geen sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank heeft de beslissing met betrekking tot de proceskosten als volgt gemotiveerd:
“4. Het beroep is gegrond omdat de naheffingsaanslag, belastingrentebeschikking en de boetebeschikking worden vernietigd. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
4.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 296. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Vanwege de samenhang met de omzetbelastingzaak van belanghebbende met zaaknummer 19/2426 dient voor beide zaken samen dit bedrag eenmaal te worden toegekend. Uit overwegingen van eenvoud wordt het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten volledig aan deze zaak toegekend en bedraagt dan ook € 2.266.”
4.30.
Artikel 3, lid 1, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) definieert samenhangende zaken als: door één of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, Bpb is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de ob-zaak en de bpm-zaak voor wat betreft de beroepsfase als samenhangende zaken kunnen worden aangemerkt. Het hof acht dit oordeel juist. Het gaat om hetzelfde feitencomplex en hoewel de juridische vraag die voorligt in beide zaken verschillend is, is er wel sprake van een zodanige eenduidige beoordeling van het feitencomplex, dat sprake is van samenhang.
Vraag (xii) werkelijke proceskosten
4.31.
Belanghebbende betoogt dat uit het Unierecht voortvloeit dat hij aanspraak maakt op een volledige vergoeding van de door hem gemaakte kosten van door derden beroepsmatig vereende rechtsbijstand. De forfaitaire regeling van het Bpb volstaat volgens belanghebbende niet en is daarom strijdig met het Unierecht. Reeds het opnieuw opleggen van een boete bij de tweede naheffingsaanslag en het verdedigen daarvan door de inspecteur is een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht die volledige vergoeding rechtvaardigt. De inspecteur handelt volgens belanghebbende tegen beter weten in en dient te worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten.
4.32.
Het hof overweegt dat de regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming. [8] Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt echter op zichzelf geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid, 3 Bpb voor een hogere vergoeding. [9]
4.33.
Het hof ziet geen reden om over te gaan tot het vergoeden van de werkelijke kosten van belanghebbende die zijn gemaakt. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb, die tot een dergelijke vergoeding zouden moeten leiden. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering. [10]
4.34.
Ook ziet het hof geen aanleiding voor het oordeel dat de inspecteur tegen beter weten in heeft geprocedeerd en daarmee jegens belanghebbende in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. De verwijzing van belanghebbende naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland waarin ten laste van de inspecteur een integrale kostenvergoeding [11] van € 83.677 is toegekend, geeft het hof geen aanleiding voor een ander oordeel.
Belastingrentebeschikking
4.35.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de naheffingsaanslag niet in stand blijft ziet het hof aanleiding om de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig te verminderen.
Tussenconclusie
4.36.
De slotsom is dat zowel het principale hoger beroep als het incidentele hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.37.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.
4.38.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. [12] Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, blijft buiten beschouwing de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een uitspraak in een procedure bij een andere rechter. De buiten beschouwing te laten periode vangt aan op het moment waarop de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing tot aanhouding en eindigt uiterlijk op de dag van de openbaarmaking van de uitspraak van die andere rechter of, indien dat eerder is, de dag waarop de inspecteur de belanghebbende dan wel de rechter partijen in kennis stelt van de inhoud van die uitspraak. [13] Dit betekent dat de periode tussen 5 december 2024 en 26 september 2025 (9 maanden en 21 dagen) niet wordt meegerekend voor de in aanmerking te nemen termijn. Dit heeft tot gevolg dat de redelijke termijn voor berechting van de zaak in hoger beroep niet is overschreden.
Ten aanzien van het griffierecht
4.39.
Het hof ziet geen aanleiding om van de inspecteur griffierecht te heffen.
Ten aanzien van de proceskosten
4.40.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde incidentele hoger beroep gegrond is.
4.41.
Gelet op hetgeen onder 4.25 is overwogen stelt het hof de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vast op € 1.332. Omdat de rechtbank het bedrag van de kostenvergoeding voor bezwaar en de proceskostenvergoeding voor het beroep in één bedrag in het dictum heeft genoemd, zal het hof de proceskostenvergoeding voor het beroep eveneens opnieuw vaststellen naar de huidige tarieven. [14] Het hof stelt de tegemoetkoming in beroep aldus op 2 (punten) [15] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.
4.42.
Het hof stelt de tegemoetkoming in hoger beroep op 3 (punten) [16] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 2.802.
4.43.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb Pro heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het principale hoger beroep gegrond;
  • verklaart het incidentele hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de immateriëleschadevergoeding;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 78.814 minus het door [bedrijf 3] op aangifte reeds voldane bedrag aan bpm;
  • vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
  • vermindert de boetebeschikking tot 10% van de verschuldigde belasting met een maximum van € 5.278 en niet verder dan tot € 50;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.332 onder verrekening van het reeds betaalde bedrag;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 4.670, onder verrekening van het reeds betaalde bedrag;
  • bepaalt dat, voor zover de in hoger beroep toegekende (proces)kostenvergoeding en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A.S. van Middelkoop T.A. Gladpootjes
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:281, r.o. 3.4.3.
2.Vgl. Hoge Raad 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:102, n.a.v. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 mei 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1931.
3.Hof ‘s-Hertogenbosch 5 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2187.
4.Conclusie A-G Koopman 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:379
5.Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1410.
6.Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
7.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.10.2.
8.Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5.
9.Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5.
10.Hoge Raad 30 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2060; Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2995 en Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4.
11.Rechtbank Noord-Holland 26 juni 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6712.
12.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.3.
13.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.7.1. t/m 3.7.5.
14.Vgl. Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1665.
15.1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Bpb.
16.1 punt voor het incidentele hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting, zie Bpb.