ECLI:NL:HR:2004:AO2281
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsmacht Hoge Raad bij fiscale boetebeschikking en naleving IVBPR
In deze zaak heeft X B.V. beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem, dat een boetebeschikking wegens het niet-tijdig doen van aangifte in de vennootschapsbelasting 1999 had bevestigd. De boete bedroeg ƒ 1750. Belanghebbende stelde dat het ontbreken van een tweede feitelijke instantie voor de beoordeling van fiscale boetes in strijd was met artikel 14 lid 5 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Het Hof verwierp dit verweer met het argument dat beroep bij de Hoge Raad mogelijk is en dat deze rechter kan toetsen of zijn rechtsmacht voldoet aan de verdragsnormen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat het begrip "reviewed" in artikel 14 lid 5 IVBPR Pro niet zonder meer een ruimere rechtsmacht impliceert dan die aan de Hoge Raad is toegekend. Tevens wees de Hoge Raad op de taak van de wetgever om institutionele voorzieningen te treffen voor adequate rechtsbescherming.
De Hoge Raad constateerde dat er geen sprake is van een situatie waarin de wetgever bewust nalaat te voldoen aan het IVBPR, mede gelet op een ingediend wetsvoorstel om binnen afzienbare tijd een tweede feitelijke instantie in te voeren. Het cassatieberoep werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de boetebeschikking blijft in stand.