ECLI:NL:HR:2007:AY9678
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Borgtocht door directeur-grootaandeelhouder en toepassing bijzondere borgtochtregels
De zaak betreft een geschil tussen een bank en een directeur-grootaandeelhouder die zich borg had gesteld voor de vennootschap waarvan hij indirect meerderheidsaandeelhouder was. De bank vorderde betaling op grond van de borgtocht, terwijl de borgsteller zich verweerde en in reconventie schadevergoeding eiste wegens vermeend onrechtmatig handelen van de bank bij de uitwinning van zekerheden.
De rechtbank wees de vordering van de bank toe en wees de reconventionele vorderingen af. Het hof bekrachtigde dit deels, maar beperkte het bedrag van de hoofdsom. De Hoge Raad bevestigde dat de borgtocht niet als particuliere borgtocht kwalificeert omdat de borgsteller handelde ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening en dat middellijk aandeelhouderschap onder art. 7:857 BW Pro valt.
Verder vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof vanwege een onjuiste rechtsopvatting omtrent de overdracht van vorderingen (Abtretungserklärung). De Hoge Raad stelde dat de overdracht rechtsgeldig was volgens art. 3:94 BW Pro en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling.
De Hoge Raad wees tevens de overige klachten af als niet ontvankelijk of niet relevant voor rechtseenheid. De bank werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem wegens onjuiste rechtsopvatting over overdracht van vorderingen.