Conclusie
[verweerster],
1.Feiten en procesverloop
€ 4.359,72 vermeld. [verweerster] heeft deze debiteurenlijst geregistreerd op 29 augustus 2012.
€ 11.033,07 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Meijs q.q./Bank of Tokyo:
daartoe bestemde akte’ en (b) ‘
mededeling daarvan’ aan de schuldenaar van de te verpanden vordering (art. 3:236 lid 2 jo Pro 3:94 lid 1 BW). Men spreekt in dat geval van een
openbaarpandrecht.
geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan’ aan de debiteur (aldus art. 3:239 lid 1 BW Pro). Dan ontstaat een zogenoemd
stilpandrecht.
bepaald. Voldoende daarvoor is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. [29] Een generieke omschrijving van de te verpanden vorderingen is daarvoor toereikend. Dat voor nadere specificaties te rade moet worden gegaan bij de boekhouding van de pandgever doet niet af aan de voldoende bepaaldheid van de vorderingen. [30] Later is hier door Uw Raad aan toegevoegd dat het feit dat (naast de vorderingen) ook de pandgevers in de akte generiek zijn omschreven, niet in de weg staat aan een rechtsgeldige verpanding van hun vorderingen op derden. [31]
Haviltex-maatstaf). [34]
stilverpanden van een toekomstige vordering geldt daarbij het vereiste c.q. de beperking dat die vordering
rechtstreeks zal (moeten) worden verkregen uit een op het tijdstip van vestiging van het pandrecht reeds bestaande rechtsverhouding(zie art. 3:239 lid 1 BW Pro, het zgn. ‘grondslagvereiste’). Dit betekent dat alleen ‘relatief’ toekomstige vorderingen bij voorbaat stil kunnen worden verpand. Het stil verpanden van ‘absoluut’ toekomstige vorderingen is volgens art. 3:239 lid 1 BW Pro dus niet mogelijk. [36] Wanneer niet aan deze eis is voldaan, is de vestigingshandeling nietig en kan er geen geldig pandrecht tot stand komen. [37]
openbareverpanding bij voorbaat geldt geen grondslagvereiste als bedoeld in art. 3:239 lid 1 BW Pro. [41] De enige beperking is erin gelegen dat ten tijde van de mededeling de identiteit van de toekomstige schuldenaar bekend moet zijn. [42] Als de schuldenaar van de (absoluut dan wel relatief) toekomstige vordering al bekend is, kan direct (bij voorbaat) een openbaar pandrecht op deze toekomstige vordering worden gevestigd door middel van een akte en mededeling aan die toekomstige schuldenaar (art. 3:236 lid 2 jo Pro. 3:97 lid 1 jo. 3:94 lid 1 BW). [43]
de pandhouderde bevoegdheid gegeven
een overeenkomstig dit artikel gevestigd pandrecht mede te delenaan de persoon of personen jegens wie het verpande recht moet worden uitgeoefend, wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn verplichtingen jegens hem is tekortgeschoten. Deze bepaling is vooral van belang voor de bevoegdheid tot het innen van verpande vorderingen. De pandhouder is immers ingevolge artikel 7 van Pro het gewijzigd ontwerp [
nu art. 3:246 lid 1 BW Pro, A-G] eerst tot inning bevoegd, wanneer hij zijn pandrecht heeft medegedeeld aan de schuldenaar uit de verpande vordering. Men zie deze memorie bij genoemd artikel. [45] (...) Gezien het belang van de pandgever dat niet te spoedig naar buiten blijkt dat hij zijn vorderingen op derden heeft verpand, behoort de bevoegdheid van de pandhouder tot de hier bedoelde mededeling in beginsel – partijen kunnen anders overeenkomen – niet te vroeg in te treden.” [46]
thans art. 6:263, A-G] (...) In vergelijkbare omstandigheden behoort de in het onderhavige artikel bedoelde pandhouder zich tegen de dreigende tekortkoming van de pandgever of de schuldenaar te kunnen beveiligen, zulks in afwachting van het ontstaan van zijn bevoegdheid om overeenkomstig de artikelen 3.9.2.9 e.v. tot executie over te gaan.” [47]
overeenkomstig dit artikel gevestigd pandrecht’. [49] Waar art. 3:239 lid 3 BW Pro spreekt van het doen van mededeling van ‘
de verpanding’ gaat het dan ook om mededeling van
een reeds eerder gevestigd stil pandrecht.De hier bedoelde mededeling ex art 3:239 lid 3 BW Pro onderscheidt zich dus van de in art. 3:236 lid 2 jo Pro. 3:94 lid 1 BW bedoelde mededeling in die zin dat de laatstgenoemde mededeling constitutief is voor de totstandkoming van het pandrecht en dat de eerstgenoemde strekt tot openbaarmaking van een reeds tot stand gekomen stil pandrecht. Men zou kunnen spreken van een ‘
constitutieve’of ‘
vestigings’mededeling (art. 3:236 lid 2 jo Pro 3:94 lid 1 BW) versus een ‘
openbaarmakings’mededeling (art. 3:239 lid 3 BW Pro). De eerste kan dan ook niet na faillietverklaring van de pandgever worden gedaan (art. 35 lid 1 Fw Pro), de laatste wel. [50]
beperkttot de situatie dat de pandgever of de schuldenaar in zijn verplichtingen jegens de pandhouder tekortschiet of hem goede grond geeft te vrezen voor toekomstig tekortschieten. Partijen kunnen echter overeenkomen dat deze bevoegdheid op een ander tijdstip ingaat (lid 3, tweede volzin). Genoemd wordt het voorbeeld dat de bank als pandhouder bedingt dat zij tot mededeling kan overgaan wanneer blijkt dat de pandgever, in strijd met zijn overeenkomst met de bank, zijn bankzaken laat lopen via een andere bank. [51] Betoogd wordt dat in de meeste pandaktes wordt overeengekomen dat de pandhouder te allen tijde tot mededeling bevoegd is. [52] Het instrument van de mededeling moet echter met de nodige omzichtigheid worden gehanteerd. De pandhouder moet rekening houden met het belang van de pandgever dat het pandrecht niet ontijdig en zonder goede reden bekend wordt. Voortijdige bekendmaking zou wellicht een onnodige déconfiture kunnen uitlokken, hetgeen onder omstandigheden kan leiden tot aansprakelijkheid van de pandhouder. [53] De wet regelt niet welke gevolgen intreden indien de pandhouder mededeling van de verpande vordering doet zonder daartoe bevoegd te zijn. Aan te nemen valt dat de mededeling rechtskracht heeft tegenover de schuldenaar, zodat hij conform art. 3:246 lid 1 BW Pro niet meer bevrijdend aan de pandgever kan betalen (zie hierna onder 2.19). De pandgever zal zijn schade op de pandhouder kunnen verhalen. [54]
inningsbevoegdwordt en dat een betaling aan de pandgever niet meer bevrijdend is ten opzichte van de pandhouder (zie art. 3:246 lid 1 BW Pro). [55] De toelichting vermeldt hierover nader:
betalingen in ontvangst nemen e.a., A-G] de pandhouder evenwel slechts toe, wanneer het pandrecht aan de schuldenaar uit de verpande vordering is medegedeeld. Aldus is in dit artikel verdisconteerd dat artikel 3 [
nu art. 3:239 BW Pro, A-G] thans onbeperkt toelaat op vorderingen pandrecht te vestigen zonder mededeling aan de schuldenaar. Voor de gerechtigde op een op die wijze gevestigd pandrecht op een vordering betekent deze nadere eis in zoverre een beperking, dat hij in zijn verhouding tot de pandgever slechts tot inning bevoegd is, wanneer hij zijn pandrecht aan de schuldenaar mag meedelen. Inning uit hoofde van een pandrecht houdt immers mededeling van dat pandrecht in. Dat de pandhouder niet eerder uit hoofde van zijn pandrecht tot inning bevoegd is, past ook bij de aard van het niet openbaar gevestigde pandrecht. Daarbij laten immers partijen de feitelijke beschikking over de vordering in verhouding tot de debiteur aan de pandgever. Het zou daarom niet op zijn plaats zijn om aan deze de bevoegdheid tot inning die hem als schuldeiser toekomt, reeds vóór de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar te ontnemen. Anderzijds wordt niet geëist dat de schuldenaar om bevrijdend aan de pandhouder te kunnen betalen zou moeten nagaan, of de pandhouder zijn pandrecht mocht mededelen. De bevoegdheid van de pandhouder uit hoofde van zijn pandrecht nakoming te eisen of betalingen in ontvangst te nemen is in het eerst lid zonder meer aan de mededeling van het pandrecht verbonden. Aldus heeft de schuldenaar een beter houvast voor de beantwoording van de vraag aan wie hij bevrijdend kan betalen. Vanaf de mededeling van het pandrecht dient hij zich in beginsel aan de pandhouder te betalen; vóórdien aan de pandgever.” [56]
omzetting’ van een stil pand in een openbaar pand dan wel de bevoegdheid tot verandering van de
aardvan het pandrecht van stil tot openbaar pand. [58] Tegen het gebruik van deze terminologie bestaat geen bezwaar voor zover daarmee wordt uitgedrukt dat het stil gevestigde pandrecht vanaf de mededeling dezelfde rechtsgevolgen heeft als een openbaar gevestigd pandrecht (inningsbevoegdheid pandhouder (art. 3:246 lid 1 BW Pro); bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid (art. 3:239 lid 4 jo Pro 3:88 BW)). De zogenoemde ‘omzetting’ leidt echter niet tot rangwisseling. [59] Evenmin kan zij tot gevolg hebben dat het openbaar gemaakte stille pandrecht alsnog zou komen te rusten op ten tijde van de vestiging (registratie) absoluut toekomstige en als zodanig niet voor stille verpanding vatbare vorderingen.
alle huidige en toekomstige (bedrijfs)vorderingen op derden, zoals deze op enig tijdstip zijn samengesteld’in pand geven (zie hiervoor alinea 1.1 (ii)), onder meer nog het volgende inhoudt:
pandakte(rov. 4.5), welke oordelen in hoger beroep niet zijn bestreden. [62]
vestiging,
op 5 september 2012, van een
openbaarpandrecht op de voet van art. 3:236 lid 2 jo Pro 3:94 lid 1 BW. Hierna zal ik deze wijze van verpanding kortheidshalve ook wel aanduiden als ‘openbare verpanding ad hoc’.
eersteplaats betoogt zij dat [verweerster] – naar [verweerster] ook zelf heeft gesteld – op 8 december 2010 een stil pandrecht heeft verkregen op de bestaande en relatief toekomstige vorderingen van NuAdvies en dat de brief van 5 september 2012 strekte tot mededeling van dat stille pandrecht en overgang van de inningsbevoegdheid op [verweerster] . Waar ten tijde van de vestiging (8 december 2010) echter nog geen rechtsverhouding tussen NuAdvies en HBL bestond, blijkt feitelijk geen sprake te zijn van verpande vorderingen. [66] Ook de registratie op 29 augustus 2012 van het debiteurenoverzicht d.d. 24 augustus 2012 heeft geen verpanding tot stand gebracht, nu dit debiteurenoverzicht niet kwalificeert als een pandakte, aldus HBL. [67] Zou dit laatste anders zijn, dan zou hoogstens de op het debiteurenoverzicht vermelde vordering ad € 4.359,72 kunnen zijn verpand. [68] Verder heeft BHL betwist dat [verweerster] bevoegd was tot openbaarmaking van het stil pandrecht op de voet van art. 3:239 lid 3 BW Pro nu haar vordering op NuAdvies niet vaststaat. [69]
tweedeplaats voert HBL aan dat [verweerster] , gelet op haar verklaringen in en buiten rechte en haar handelen (registraties), nimmer de wil heeft gehad tot het vestigen van een openbaar pandrecht. [70]
tweede gevolg, namelijk dat er ook een openbaar pandrecht is gevestigd op vorderingen die nog niet stil verpand waren. Door de mededeling wordt voldaan aan het constitutief vereiste voor de vestiging van een openbaar pandrecht (art. 3:236 lid 2 jo Pro. 3:94 lid 1 BW), zodat ook absoluut toekomstige vorderingen onder het pandrecht vallen, aldus [verweerster] . [72]
geopenbaardc.q.
omgezetin een openbaar pandrecht, dat op zijn beurt, nu het niet is onderworpen aan het grondslagvereiste van art. 3:239 lid 1 BW Pro, alle vier (op dat moment bestaande en toekomstige) vorderingen van NuAdvies beslaat.
tweeledigis geweest: (i)
omzettingvan het reeds op 8 december 2010 gevestigde stil pandrecht in een openbaar pandrecht, én (ii)
vestiging ad hoc van een openbaar pandrechtop dan bestaande en toekomstige vorderingen. Zich bewust zijnde van de beperking van art. 3:239 lid 1 BW Pro neemt het hof aan dat de vorderingen van NuAdvies, voor zover niet reeds stil verpand, op 5 september 2012 alsnog openbaar zijn verpand.
uitsluitendeen openbaarmaking op 5 september 2012 van het eerder op 8 december 2010 gevestigde stil pandrecht, dan wel (b) een
combinatievan én (i) omzetting van een stil pandrecht (voor zover op de vorderingen in kwestie daadwerkelijk ontstaan) én (ii) een openbare verpanding ad hoc (voor zover de vorderingen nog niet stil waren verpand). In dat licht bezie ik de klachten.
subonderdeel 1.1klaagt HBL dat het hof heeft miskend dat (ook) bij de vaststelling van de reikwijdte van een pandrecht op bestaande en toekomstige vorderingen van de pandgever op een schuldenaar, dat aanvankelijk
stilis verkregen maar in een later stadium door mededeling van de pandhouder aan de schuldenaar
openbaarwordt gemaakt, acht dient te worden geslagen op het vereiste van art. 3:239 lid Pro 1, laatste bijzin, BW. Toepassing van dat vereiste brengt volgens HBL mee dat de reikwijdte van een dergelijk pandrecht is beperkt tot die vorderingen die op het moment van vestiging van het stil pandrecht reeds bestonden, dan wel op dat moment door de pandgever rechtstreeks zouden worden verkregen uit een dan (op het moment van vestiging van het stil pandrecht) reeds bestaande rechtsverhouding.
vervolgverpandingalsnog onder het – later openbaar gemaakte – stil pandrecht zijn gebracht (zie s.t. nr. 3.9) en klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Daartoe wordt in het bijzonder gewezen op de als essentieel aan te merken stellingen van HBL (i) dat de debiteurenlijst van 24 augustus 2012, waarop [verweerster] haar pandrecht heeft gebaseerd, niet als pandakte kan worden gekwalificeerd, en (ii) dat in casu hooguit verpanding van de vordering van € 4.359,72 (de factuur van 19 juli 2012) heeft kunnen plaatsvinden, aangezien deze als enige op de debiteurenlijst van 24 augustus 2012 vermeld staat.
subonderdeel 1.3dat het hof niet (voldoende kenbaar) aan de hand van de (al dan niet geobjectiveerde) Haviltex-maatstaf heeft onderzocht of [verweerster] een openbaar pandrecht heeft verkregen op bestaande en toekomstige vorderingen van NuAdvies op HBL, en zo ja welke reikwijdte dit pandrecht heeft.
openbaarpandrecht heeft verkregen, is dat in het licht van de essentiële stellingname van HBL onjuist of onbegrijpelijk (aldus s.t. nr. 3.10 en 3.12).
wilheeft gehad om een
openbaarpandrecht te vestigen (procesinleiding p. 5, vanaf “Voorts heeft HBL...”). [80]
openbaarpandrecht en dat [verweerster] dit zelf ook niet heeft betoogd (aldus s.t. nr. 3.11).
tweefuncties kunnen worden toegeschreven, te weten die van (i) openbaarmakingsmededeling op de voet van art. 3:239 lid 3 BW Pro en tevens (ii) vestigingsmededeling in de zin van art. 3:236 lid 2 jo Pro 3:94 lid 1 BW (voor zoveel nodig), stipt het subonderdeel terecht de kwestie aan of dit geacht moet worden overeenkomstig de bedoeling van partijen – pandgever en pandnemer – te zijn geweest. Men zou nu kunnen betogen dat het hof de als pandakte gekwalificeerde rekening-courantovereenkomst van 6 november 2007, die (enkel) spreekt van verlening van een pandrecht op
allebestaande en toekomstige vorderingen op derden, kennelijk aldus heeft uitgelegd dat deze naar de bedoeling van partijen strekt tot vestiging van
elkpandrecht – stil dan wel openbaar – waarmee het beoogde doel – verpanding van alle vorderingen – zo dicht mogelijk kan worden benaderd. Een dergelijke enigszins normatieve uitleg strookt op het eerste gezicht met de normatieve uitleg die ten aanzien van pandakten waarbij generiek ‘alle’ vorderingen in pand worden gegeven, niet ongebruikelijk is. Ik verwijs naar de praktijk van periodieke stille verpanding waarin de functie van stampandakte en nadere pandakten geacht wordt meerledig (verpanding, verpanding bij voorbaat, obligatoire verplichting tot verpanding) te zijn, al is dat niet expliciet uitgeschreven. [81]
wijzevan totstandkoming van het pandrecht (mededeling of registratie). Zonder daartoe strekkende wilsovereenstemming met de pandgever kan de pandhouder een en dezelfde pandakte niet gebruiken voor een stille
eneen openbare verpanding, al naar gelang hem dat het beste uitkomt. Hebben partijen bij de vestiging geopteerd voor een (al dan niet periodieke) stille verpanding (met de daaraan inherente beperkingen voor het pandobject) en is niets overeengekomen over het tijdstip waarop of de voorwaarden waaronder daarvan door de pandhouder kennis mag worden gegeven aan de debiteur, dan gelden de wettelijke gronden voor mededeling (art. 3:239 lid 3 BW Pro). De pandhouder zit dan in het spoor van de stille verpanding – zijn wil zou in zoverre als ‘zakelijk gebonden’ kunnen worden gekwalificeerd – en moet geacht worden rechtens niet in staat te zijn eigenmachtig de wissel om te zetten naar het spoor van de openbare verpanding ad hoc. Ware het anders, dan zou tevens de regeling van art. 3:239 lid 3 BW Pro worden omzeild c.q. ondergraven.
tevenste doen strekken tot vestiging, op een later moment, van een openbaar pandrecht. De daarop gerichte klachten van HBL treffen mijns inziens doel.