ECLI:NL:HR:2007:BB9094
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- P.C. Kop
- E.J. Numann
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid verzoek omgangsregeling biologische vader kunstmatig geïnsemineerd kind
In deze zaak stond de vraag centraal of de man, biologische vader van een door kunstmatige inseminatie verwekt minderjarig kind, op grond van artikel 1:377f BW gerechtigd is tot omgang met het kind. De man had een verzoek ingediend tot vaststelling van een omgangsregeling met het kind, maar de rechtbank verklaarde hem niet-ontvankelijk omdat geen nauwe persoonlijke betrekking was vastgesteld.
Het hof oordeelde echter dat wel sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking, mede gelet op de hechte vriendschapsrelatie tussen de moeder en de man ten tijde van de bevruchting, de intenties van partijen over de rol van de man in het leven van het kind, en de voortdurende wens van de man tot omgang. Het hof achtte de man ontvankelijk en stelde een nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat voor ontvankelijkheid bijkomende omstandigheden moeten worden aangetoond die een nauwe persoonlijke betrekking rechtvaardigen, maar dat hiervoor geen strikte eisen gelden zoals een huwelijk of langdurige relatie. Ook het feit dat het contact voor de geboorte verbroken werd en daarna nauwelijks contact was, maakte de nauwe persoonlijke betrekking niet per definitie teniet. Het beroep van de moeder werd verworpen, waarmee het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgang met zijn biologische dochter.