ECLI:NL:HR:2011:BM8030
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in cassatieberoep inzake profijtontneming
De Hoge Raad behandelde op 8 februari 2011 het cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage in een economische strafzaak betreffende profijtontneming. Betrokkene had middelen van cassatie ingediend via zijn advocaten, maar deze schriftuur voldeed niet aan de vereisten voor ontvankelijkheid omdat zij niet tijdig was ingediend en niet voldeed aan de wettelijke eisen omtrent de inhoud.
De Hoge Raad oordeelde dat alleen middelen van cassatie die een stellige en duidelijke klacht bevatten over de schending van een rechtsregel of een vormverzuim in behandeling kunnen worden genomen. De ingediende schriftuur was gericht op vernietiging van de bestreden uitspraak onder de voorwaarde dat andere middelen gegrond zouden worden bevonden, wat niet voldeed aan deze eis.
Daarnaast wees de Hoge Raad op de wettelijke bepalingen in art. 557.4 en art. 511i Sv, die bepalen dat een uitspraak op een vordering tot profijtontneming pas ten uitvoer kan worden gelegd nadat de veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan, en dat een dergelijke vordering vervalt indien de veroordeling achterwege blijft.
Ten slotte verklaarde de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep wegens het niet naleven van de termijnvoorschriften voor het indienen van cassatiemiddelen. Dit arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad, met als voorzitter vice-president F.H. Koster en raadsheren J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en M.A. Loth.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet-tijdige indiening van middelen van cassatie.