In deze zaak staat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal in verband met medeplegen van hennepteelt. De betrokkene werd veroordeeld voor medeplegen van het telen van 455 hennepplanten in een bedrijfspand. Het hof stelde het totale voordeel op € 28.491,94 en rekende 50% daarvan toe aan de betrokkene, wat neerkomt op € 14.245,97.
De verdediging voerde aan dat de betrokkene slechts een kleine rol had en slechts een beperkt bedrag per week ontving, zonder daadwerkelijke winstdeelname. Het hof oordeelde echter dat de betrokkene en zijn mededader een nauwe en bewuste samenwerking hadden en dat onvoldoende aanknopingspunten bestonden voor een andere verdeling dan een gelijke toerekening.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet gebonden is aan wettige bewijsmiddelen voor de toerekening van het voordeel, maar dat het hof op basis van de omstandigheden van het geval en het onderzoek ter terechtzitting een redelijke verdeling mag maken. Het hof is gebonden aan het oordeel in de strafzaak en mocht de toerekening zo motiveren. Het middel van cassatie faalt en het beroep wordt verworpen.