Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Itot uitgangspunt dat betrokkene heeft aangevoerd dat hij een
second opinionwil over de stoornis. Het onderdeel klaagt vervolgens dat de rechtbank ten onrechte geen (gemotiveerde) beslissing heeft gegeven op dit verzoek.
Tactusen dat hij met een IBS (inbewaringstelling) in Zutphen opgenomen is geweest. In de geneeskundige verklaring staat verder dat er duidelijk negatieve symptomen zijn en dat ziektebesef en ziekte-inzicht volledig ontbreken.
twee psychiatersop
verschillende momenten [5] na onderzoek tot het oordeel zijn gekomen dat bij betrokkene sprake is van
meerdere stoornissen. [betrokkene 2] heeft in de geneeskundige verklaring geconcludeerd dat de stoornis van de geestvermogens bij betrokkene een chronisch karakter heeft. De rechtbank heeft op blz. 2 overwogen dat betrokkene “al jaren bekend is met een schizoaffectie stoornis, middelenafhankelijkheid en persoonlijkheidsproblematiek”.
waaromde conclusies van de geneeskundige verklaring in twijfel worden getrokken en
waarophet verzochte onderzoek zich zou moeten richten. [6] Het ter zitting gedane verzoek van betrokkene is wel zeer summier en voldoet niet aan deze (minimum)eisen. Blijkens het proces-verbaal heeft betrokkene ter zitting verklaard dat hij een
second opinionwil over “de stoornis”. Meer is niet aangevoerd. Betrokkene heeft ook niet gespecificeerd over welke van de vastgestelde stoornissen hij een nader onderzoek wenst. Betrokkene is ter zitting bijgestaan door een advocaat. De advocaat is op het punt van de
second opinionechter in het geheel niet ingegaan. Indien de advocaat het met de oordelen van de psychiaters omtrent de stoornissen niet eens was, dan had het op zijn weg gelegen om het verzoek van betrokkene nader te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan. Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat hij uitsluitend verweer heeft gevoerd op het punt van de vastgestelde gevaren.
second opinonniet expliciet een beslissing heeft gegeven. Standaard jurisprudentie van Uw Raad is dat gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing een verzoek aan de rechtbank om door een deskundige nader onderzoek te doen verrichten slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. [7] Uw Raad heeft in de beschikking van 29 april 2005 geoordeeld dat de eisen die aan de motivering van de rechtbank moeten worden gesteld, afhangen van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten [8] . In het licht van het in 2.6 vermelde had de rechtbank naar mijn mening kunnen volstaan met een summier gemotiveerde afwijzing van het verzoek. Het is niet ondenkbaar dat in het oordeel van de rechtbank besloten ligt dat zij het verzochte nadere onderzoek naar de vastgestelde stoornissen niet nodig heeft geoordeeld, omdat daaromtrent reeds voldoende duidelijkheid bestond nu (i) de diagnose door verschillende psychiaters op verschillende tijdstippen is gesteld en (ii) één van hen heeft geoordeeld dat de stoornis van de geestvermogens bij betrokkene een
chronischkarakter heeft. Echter het proces-verbaal noch de bestreden beschikking maken van deze eventuele gedachtegang melding. Nu een expliciete beslissing op een gedaan verzoek om een
second opinionvereist is en de rechtbank die beslissing niet heeft gegeven, kan de bestreden beschikking op dit punt niet in stand blijven.
second opinionover heeft gevraagd - heeft aangenomen dat een vrijheidsberoving voor de duur van een jaar kan rechtvaardigen, althans dat zij in het licht van alle stukken “een keuze uit die stukken heeft gemaakt” die onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.
anderepsychiater, [betrokkene 2]. In punt 4 van de verklaring gaat [betrokkene 2] in op het gevaar. Onder 4a (“op grond van welke gedragingen van betrokkene oordeelt u dat de stoornis van de geestvermogens een gevaar oplevert voor betrokkene zelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen”) schrijft hij het volgende: