Uitspraak
zetelende te Ridderkerk,
kantoorhoudende te Rotterdam,
2.Beantwoording van de prejudiciële vragen
3.Beslissing
4 juni 2021.
Hoge Raad
In deze prejudiciële procedure heeft de Hoge Raad geoordeeld over de kwalificatie van schulden die voortvloeien uit bestuursrechtelijke lasten die aan een curator zijn opgelegd wegens niet-naleving van milieuwetgeving. De zaak betreft de curator van Ridderkerkse Taxi Centrale B.V., die na faillissement bestuursrechtelijke lasten kreeg opgelegd vanwege bodemverontreiniging.
De Hoge Raad beantwoordde drie prejudiciële vragen. Ten eerste oordeelde hij dat dergelijke schulden boedelschulden zijn, omdat zij voortvloeien uit het handelen of nalaten van de curator in zijn hoedanigheid en daarmee een onmiddellijke aanspraak jegens de boedel vormen. Ten tweede stelde de Hoge Raad dat het feit dat de curator bestuursrechtelijk als 'overtreder' is aangemerkt niet betekent dat deze schulden automatisch boedelschulden zijn; de civiele rechter is hierin niet gebonden door de formele rechtskracht van het bestuursrechtelijke oordeel.
Ten derde concludeerde de Hoge Raad dat omstandigheden zoals het tijdstip van ontstaan van de milieuschulden, de aard van de milieuschuld of de soort milieuverplichting niet relevant zijn voor de kwalificatie als boedelschuld. De Hoge Raad bevestigde hiermee de zelfstandige verplichting van de curator tot naleving van milieuwetgeving en de civielrechtelijke kwalificatie van de daaruit voortvloeiende schulden.
Uitkomst: Schulden voortvloeiend uit bestuursrechtelijke milieulasten opgelegd aan de curator zijn boedelschulden en het bestuursrechtelijke oordeel bindt de civiele rechter niet.