Conclusie
TWI)
HTC)
[…] /Octrooibureau Zuid. [1] TWI meent dat de Hoge Raad daarvan is teruggekomen in
ABN Amro Bank/Berzona. [2] M.i. boekt zij ook in cassatie geen succes.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
rechtsklachtkomt erop neer dat blijkens Hoge Raad-rechtspraak dwangsommen niet als steunvordering kunnen dienen, aangezien deze nu eenmaal niet ter verificatie in een faillissement kunnen worden ingediend. Hetgeen in de onderhavige zaak tot geen andere conclusie leidt dan dat niet is voldaan aan het pluraliteitsvereiste, wat het hof miskent in rov. 3.5.
[…] /Octrooibureau Zuiduit 1996 heeft de Hoge Raad mede geoordeeld dat art. 611e lid 2 Rv niet eraan in de weg staat dat, wat betreft een vordering ter zake van verbeurde dwangsommen, zo’n vordering: (a) van de aanvrager door hem naast andere vorderingen ten grondslag wordt gelegd aan de stelling dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen; en (b) van derden door de aanvrager wordt gebezigd als steunvordering. [6]
ABN Amro Bank/Berzonauit 2014. Want daarin oordeelde hij mede dat voor een steunvordering voldoende is dat het gaat om een vordering die ter verificatie in het faillissement kan worden ingediend opdat de schuldeiser kan meedelen in de opbrengst van de vereffening die in dat kader plaatsvindt, eventueel na toepassing van art. 133 Fw Pro. [7] Wat betekent dat dwangsommen niet als steunvordering kunnen dienen, aangezien deze nu eenmaal niet ter verificatie in een faillissement kunnen worden ingediend.
motiveringsklachtkomt erop neer dat onbegrijpelijk is dat het hof geen betekenis toekent (en zelfs geen woord wijdt) aan het feit dat ook de curator zelf in de onder 1.9 hiervoor bedoelde brief [8] heeft gesteld dat (uit
ABN Amro Bank/Berzonavolgt dat) verbeurde dwangsommen niet kunnen dienen als steunvordering. En dat, nu geen sprake is van een verifieerbare vordering, niet is voldaan aan het pluraliteitsvereiste. Terwijl, als het hof die brief wel in zijn oordeel had betrokken, dit tot een ander oordeel had moeten nopen.
Inleidende opmerkingen
Pluraliteitsvereiste en steunvordering
ABN Amro Bank/Berzonais “voldoende” dat het gaat om een vordering die ter verificatie kan worden ingediend opdat de schuldeiser kan meedelen in de opbrengst van de vereffening die in dat kader plaatsvindt, eventueel na toepassing van art. 133 Fw Pro. [18]
Civielrechtelijke dwangsom in faillissement
rechterzijn opgelegd. Ik citeer uit de gemeenschappelijke toelichting ter zake: [29]
De eerste van deze twee regels geldt thans al in Nederland artikel 33a, Faillissementswet.
Beide regels zijn gerechtvaardigd uit een oogpunt van logica en billijkheid, in het bijzonder met het oog op bescherming van de andere schuldeisers van de gefailleerde, die meer nadeel zouden ondervinden van de schuldigdheid van de dwangsom dan hijzelf.De dwangsom heeft ten doel de veroordeelde te dwingen aan een veroordeling te voldoen. Zij bedreigt de schuldenaar voor het geval hij niet nakomt. Slechts wanneer hij voor die bedreiging niet opzij gaat, ontstaat voor hem de verplichting tot betaling van een dwangsom - doorgaans een hoog bedrag in verhouding tot de waarde van de hoofdveroordeling. De eenvormige wet aanvaardt deze onevenredigheid uitsluitend om de dwangsom te laten voldoen aan haar functie de schuldenaar te dwingen de hoofdveroordeling na te komen. Het verbeuren van dwangsommen tijdens het faillissement en toelaten in het faillissement van dwangsommen die voor of tijdens het faillissement zijn verbeurd, zou niet zozeer de schuldenaar zelf treffen, als wel zijn andere schuldeisers. Enerzijds is het onbillijk de andere schuldeisers schade te doen lijden door de koppigheid van de veroordeelde die er de voorkeur aan geeft een hoog bedrag aan dwangsommen schuldig te worden in plaats van een veel lichtere hoofdverplichting na te komen.Anderzijds zal de dwangsom als middel om de schuldenaar tot betaling te dwingen tijdens het faillissement aanzienlijk aan kracht inboeten, juist omdat zij meer ten nadele van de andere schuldeisers dan van de veroordeelde zou strekken.
Tevens moet er rekening mee worden gehouden dat het faillissement meebrengt dat individuele executies van de goederen van de schuldenaar een einde nemen. De schuldeiser kan de hoofdveroordeling niet meer executeren en de schuldenaar kan daaraan ook niet meer vrijwillig voldoen, althans indien deze veroordeling de schuldenaar in zijn vermogen treft. Het zou onredelijk zijn, indien de dwangsom, aan de schuldeiser toegekend als dwangmiddel, verbeurd zou worden gedurende de tijd dat de schuldenaar op grond van wettelijke voorschriften niet mag nakomen. In zoverre berust het artikel, met name het eerste lid, op dezelfde gedachte als aan artikel 4 ten Pro grondslag ligt, met dien verstande dat hier voor tussenkomst van de rechter geen plaats is.”
[…] /Octrooibureau Zuidheeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de stelling dat, nu ingevolge het bepaalde in art. 611e Rv dwangsommen die voor de faillietverklaring verbeurd zijn in het passief van het faillissement niet worden toegelaten (dit betreft dus lid 2), een vordering ter zake van verbeurde dwangsommen niet een vordering is waarop een faillissementsaanvraag (mede) kan worden gebaseerd. Daaromtrent overwoog de Hoge Raad in algemene zin als volgt: [40]
[… 1] / [… 2]uit 1985: [42]
[…] /Octrooibureau Zuid, dus niet de mogelijkheid is opengelaten dat een faillissementsaanvraag alleen kan worden gebaseerd op zo’n dwangsomvordering. [43]
Bestuursrechtelijke dwangsom in faillissement
[…] /Veldhovenheeft het Benelux-gerechtshof in 1997 geoordeeld dat de hoedanigheid van de rechter die de dwangsom heeft bepaald niet beslissend is voor het toepassingsgebied van de Eenvormige Wet. [44] De Eenvormige Wet eist niet, maar verzet zich er ook niet tegen, dat de dwangsomregeling door de lidstaten ook wordt toegepast ten aanzien van een dwangsom die door de bestuursrechter is opgelegd. [45]
rechteropgelegde dwangsom. Bovendien is in deze bepalingen art. 611e Rv niet van (overeenkomstige) toepassing verklaard, om de (voor de hand liggende) reden dat het hier steeds gaat om de bevoegdheid van de bestuursrechter dwangsommen aan een bestuursorgaan op te leggen en een bestuursorgaan als zodanig niet failleert. Deze door de bestuursrechter opgelegde dwangsommen laat ik verder dan ook buiten beschouwing.
orgaanopgelegde dwangsom is de regeling van art. 611a-i Rv, die uitgaat van een door de
rechteropgelegde dwangsom, niet zonder meer van toepassing. Evenmin is er daarvoor in het bestuursrecht een vergelijkbare regeling als art. 611e Rv, hoewel de Awb een afzonderlijke regeling over bestuursrechtelijke geldschulden bevat (zie Titel 4.4 Awb). In de literatuur wordt wel aangenomen dat art. 611e Rv op deze bestuursrechtelijke dwangsom - dus een door een bestuurs
orgaanopgelegde dwangsom - niet (naar analogie) van toepassing is, [47] maar ook het tegendeel bepleit. [48]
Terug naar het onderdeel
de rechtsklacht gericht tegen rov. 3.5 van het arrest. Deze strandt.
ABN Amro Bank/Berzona. [52] De klacht veronderstelt immers dat de Hoge Raad daarin is teruggekomen van zijn oordeel in
[…] /Octrooibureau Zuiddat art. 611e Rv zich niet ertegen verzet dat een vordering van derden ter zake van verbeurde dwangsommen door de aanvrager van een faillissement wordt gebezigd als steunvordering. [53] Zie onder 2.2.1-2.2.2 en 2.17 (sub c) hiervoor. M.i. gaat deze door de klacht voorgestane uitleg van
ABN Amro Bank/Berzonaniet op.
[…] /Octrooibureau Zuid. Daartoe wijs ik op het volgende.
ABN Amro Bank/Berzonate lezen, ook niet in de geciteerde overweging. De conclusie voor dit arrest van A-G Wuisman biedt daarvoor evenmin enige basis. [55] […] /Octrooibureau Zuidkomt ook niet voor in het arrest, noch in de conclusie voor het arrest. Het ligt in de rede dat als de Hoge Raad in
ABN Amro Bank/Berzonazulk terugkomen voor ogen had gestaan, dit wel kenbaar was gemaakt in het arrest. [56]
ABN Amro Bank/Berzonaop het daar voorliggende cassatiemiddel. Dat niet draaide om dwangsommen en faillissement, laat staan om de vraag of - niettegenstaande art. 611e Rv - een vordering van een derde ter zake van verbeurde dwangsommen door de aanvrager van een faillissement kan worden gebezigd als steunvordering. [57] Aan welke materie de Hoge Raad in
ABN Amro Bank/Berzonadan ook geen kenbare aandacht besteedde, evenmin ten overvloede.
steeds noodzakelijkis (een harde minimumeis) dat de vordering ter verificatie in het faillissement kan worden ingediend, wil deze vordering in een concreet geval kunnen dienen als steunvordering bij een faillissementsaanvraag. Zo’n categorisch oordeel staat evenmin in
ABN Amro Bank/Berzona. [58] Wederom: het ligt in de rede dat als de Hoge Raad hier zo’n oordeel voor ogen gestaan, dit wel kenbaar was gemaakt in het arrest.
ABN Amro Bank/Berzonais teruggekomen van genoemd oordeel in
[…] /Octrooibureau Zuid(noch overigens dat hij, al dan niet in het licht van
ABN Amro Bank/Berzona, alsnog zou moeten teruggekomen van genoemd oordeel). [59] Hooguit wordt daarin door sommigen de vraag opgeworpen of genoemd oordeel nog steeds opgaat in het licht van
ABN Amro Bank/Berzona. [60]
ABN Amro Bank/Berzonageen goede grond voor de Hoge Raad om terug te komen van genoemd oordeel in
[…] /Octrooibureau Zuid. Dit volgt uit 2.29-2.29.7 hierna.
ABN Amro Bank/Berzonageen (schaduw van een) aanwijzing dat de Hoge Raad daarin is teruggekomen van genoemd oordeel in
[…] /Octrooibureau Zuid.
ABN Amro Bank/Berzona, alsnog terug te komen van genoemd oordeel in
[…] /Octrooibureau Zuid. Daartoe wijs ik op het volgende.
[…] /Octrooibureau Zuidwas het pluraliteitsvereiste al lang en breed, want reeds decennia, vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Zie onder 2.6-2.11 hiervoor. Het is - zacht gezegd - niet goed voorstelbaar dat de Hoge Raad hieraan voorbijzag in dit arrest, te minder in het licht van de conclusie voor dit arrest van A-G Koopmans. [61]
[…] /Octrooibureau Zuid, dus de ter zake door de Hoge Raad gemaakte afweging. Met als opmaat
[… 1] / [… 2]. Zie onder 2.17-2.18 hiervoor. Daarop wijst eveneens de conclusie van A-G Koopmans voor
[…] /Octrooibureau Zuid, [67] gelijk de
NJ-annotatie van Kortmann onder dit arrest. [68] Zie tevens onder 2.29.1 hiervoor. Het voorgaande sluit in dat die (voornaamste) reden voor hantering van het pluraliteitsvereiste volgens de Hoge Raad in
[…] /Octrooibureau Zuidniet sacrosanct is, in de zin dat die reden niet maakt dat een vordering coûte que coûte verifieerbaar moet zijn wil deze als steunvordering kunnen worden betrokken bij een faillissementsaanvraag (en zo aan het pluraliteitsvereiste zijn voldaan), ongeacht de feiten en omstandigheden van het geval. Uit diens rechtspraak nadien inzake die reden blijkt het tegendeel evenmin. Zie onder 2.10 hiervoor. Zoiets staat m.i. dus ook niet in
ABN Amro Bank/Berzona. Zie onder 2.28.1-2.28.3 hiervoor. [69] Daarbij zij bovendien bedacht dat, al houdt de Hoge Raad dus vast aan die reden, deze wel te relativeren valt. Aldus dat formeel gezien sprake kan zijn van zo’n verdeling van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers, [70] terwijl er materieel slechts twee concurrente schuldeisers zijn met elk een verifieerbare vordering tot betaling van een geldsom waarvan er een absoluut en relatief gezien marginaal in omvang is. Er zit in termen van vermogensallocatie bar weinig licht tussen zo’n geval en dat waarin er twee concurrerende schuldeisers zijn met elk een vordering tot betaling van een geldsom waarvan er een verifieerbaar is (de andere niet, vanwege art. 611e lid 2 Rv), en het vermogen van de schuldenaar wordt aangewend ter betaling op die verifieerbare vordering.
[…] /Octrooibureau Zuidgeen voorbeeld daarvan heb kunnen vinden, de onderhavige zaak buiten beschouwing gelaten. [72] Intussen geldt wel dat genoemd oordeel in
[…] /Octrooibureau Zuiddoor de Hoge Raad zodanig is geformuleerd dat dit ook bestrijkt een geval als bedoeld onder 2.29.3 hiervoor: dus waarin de schuldenaar (C) twee schuldeisers heeft, de ene met een verifieerbare vordering (A) en de andere met een door art. 611e lid 2 Rv bestreken dwangsomvordering (B). Welk geval dus te rangschikken valt als een waarin is voldaan aan het pluraliteitsvereiste. En zich derhalve onderscheidt van de situatie waarin een schuldenaar slechts één schuldeiser heeft, zodat aan het pluraliteitsvereiste niet is voldaan en het mechanisme van de Faillissementswet daarom niet wordt geactiveerd. Zie onder 2.10 hiervoor.
ABN Amro Bank/Berzona, alsnog zou moeten terugkomen van genoemd oordeel in
[…] /Octrooibureau Zuid.
de motiveringsklacht gericht tegen rov. 3.5 van het arrest. Ook deze strandt.
[…] /Octrooibureau Zuid, zo art. 611e lid 2 Rv hier van toepassing zou zijn. En TWI daarbij een beroep op art. 611e lid 2 Rv (in verbinding met art. 4:116 Awb Pro) en de onder 2.27 hiervoor geciteerde overweging in
ABN Amro Bank/Berzona(waaruit zou volgen “dat het steeds om een verifieerbare vordering moet gaan”), hetgeen hier zou betekenen dat de vordering van de Vlaamse overheid geen verifieerbare is en daarom niet is voldaan aan het pluraliteitsvereiste.
[…] /Octrooibureau Zuid- niet eraan in de weg staat dat deze vordering hier als steunvordering kan worden aangemerkt, zodat is voldaan aan het pluraliteitsvereiste; wat in cassatie zonder vrucht wordt bestreden.
de voortbouwklacht gericht tegen rov. 3.6-3.7 en het dictum van het arrest. Ook deze strandt.
Ter afronding
[…] /Octrooibureau Zuid- niet eraan in de weg staat dat deze vordering hier als steunvordering kan worden aangemerkt, zodat is voldaan aan het pluraliteitsvereiste. Ik wijs op de behandeling van het onderdeel onder 2.24-2.34 hiervoor.
ABN Amro Bank/Berzonavoldoende is om als steunvordering aangemerkt te kunnen worden. Zie onder 2.22-2.23 en 2.27 hiervoor.