Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
de overheidgehouden is, maar slechts in hetgeen waartoe de burger of een andere private wederpartij verplicht is. Wat betreft een overeenkomst zoals die in de onderhavige zaak voorligt, is dat anders, althans het hof heeft aan die overeenkomst een uitleg gegeven volgens welke het anders is.
rechtstreeks –vanwege de inhoud van de subsidiebeschikking, maar vanwege de inhoud van de overeenkomst. Kort gezegd komt het er dus op neer dat de vraag in hoeverre een verlaging van een subsidie doorwerkt in hetgeen de overheid op grond van een ter uitvoering van de subsidiebeschikking gesloten overeenkomst verschuldigd is, een vraag van uitleg van die overeenkomst is. Daarmee doen we aan de publiekrechtelijke rechtsverhouding niet te kort. De overheid heeft zelf in de hand in welke mate de publiekrechtelijke rechtsverhouding (de subsidie) doorwerkt in de privaatrechtelijke; van haar wordt enkel gevergd dat zij de door haar passend geachte doorwerking voldoende duidelijk in de overeenkomst tot uitdrukking brengt. Voor de overheid geldt niet anders dan voor een andere contractspartij het uitgangspunt dat door haar gesloten overeenkomsten haar verbinden. In de woorden van art. 1374 lid 1 BW Pro (oud): ‘Alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken dengenen die dezelve hebben aangegaan tot wet.’
Koopovereenkomst door de Provincie nagekomen?
onder 1.1richt zich tegen rechtsoverweging 6.11. Het hof zou hebben miskend dat de koopprijs, die bestond uit de gecorrigeerde vervangingswaarde en de waarde van de ondergrond en het erf, althans in ieder geval de gecorrigeerde vervangingswaarde, een subsidie betreft waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij beschikking op basis van de Beleidsregeling VIV 2005. Nu een subsidie niet kan worden verleend en vastgesteld bij een koop/uitvoeringsovereenkomst, kan de burgerlijke rechter, die over de nakoming van die overeenkomst oordeelt, niet zelfstandig beslissen over de beantwoording van de vraag wat de hoogte van de koopprijs, althans de gecorrigeerde vervangingswaarde, moet zijn. [14] De burgerlijke rechter is daarbij gebonden aan het oordeel van de Afdeling over de beschikking van 12 februari 2013 omtrent de vaststelling van de subsidie. Anders zou de burgerlijke rechter een beslissing nemen die rechtstreeks de geldigheid van de vaststellingsbeschikking, waarin de hoogte van de gecorrigeerde vervangingswaarde is bepaald, raakt, nu die gecorrigeerde vervangingswaarde onderdeel uitmaakt van de koopprijs. [15] Het hof had dan ook bij zijn beoordeling uit moeten gaan van de hoogte van de gecorrigeerde vervangingswaarde zoals die was vastgesteld bij beschikking van 12 februari 2013. Nu is de Provincie gedwongen een hogere subsidie te betalen voor de gecorrigeerde vervangingswaarde dan in de vaststellingsbeschikking is bepaald. De vraag of de Provincie een lagere koopprijs mocht betalen dan in de koopovereenkomst was opgenomen, betreft hetzelfde geschilpunt als bij de Afdeling aan de orde was en de aan de orde zijnde vraag kan dan ook niet (alleen) door uitleg van de koopovereenkomst worden beantwoord.
initieel overeengekomen koopsomgelijk is aan het oorspronkelijke subsidiebedrag (zijnde de optelsom van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de bedrijfsgebouwen plus de waarde van de ondergrond, hiervoor 2.1 onder ix), is een omstandigheid die het hof in de uitleg van de koopovereenkomst heeft betrokken (rechtsoverweging 6.16). Het hof heeft in die uitleg echter terecht ook de andere omstandigheden van het geval betrokken, en is tot een andere uitleg van de koopovereenkomst gekomen dan door de Provincie was verdedigd. Dat is niet op voorhand onjuist.
tegende redelijke verwachtingen die [verweerder] aan de koopovereenkomst ontleende
in, naar die overeenkomst doorwerkt. Een zodanige doorwerking is geen geldend recht. Zij zou neerkomen op een ontkenning van het uitgangspunt dat ook de overheid gebonden is aan hetgeen zij is overeengekomen. Dat de Afdeling heeft vastgesteld dat [verweerder] zich bewust behoorde te zijn van de mogelijkheid van een aanpassing van de koopprijs, is niet waar. De Afdeling heeft vastgesteld dat [verweerder] zich bewust moest zijn van een mogelijke verlaging
van de subsidie.Zou het anders zijn, dus zou de Afdeling wél ook overwegingen hebben gewijd aan de redelijke verwachtingen van [verweerder] omtrent de inhoud van de koopovereenkomst, meer in het bijzonder de hoogte van de door de Provincie verschuldigde koopprijs, dan zou intussen gelden dat de burgerlijke rechter aan die overwegingen niet gebonden is. [17]
voor dat geval, biedt mijns inziens eerder steun aan het oordeel van het hof dan dat zij aan dat oordeel zou kunnen afdoen.
Nadere afspraak naar aanleiding van latere verplaatsing?