Conclusie
1.Samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Inleiding
De prejudiciële vragen
A-G: het gaat hier om het rechtbankarchief] en samen met het verzoek voorgelegd aan een rechter. De rechter beslist of het verzoek wordt toegewezen. Indien voor de verzoeker positief wordt beslist, gelden de volgende uitgangspunten:
A growing number of countries, both EU and non-EU Member States, grant access to court files to third persons. The judiciary is no longer automatically excluded from provisions on the right to access public documents.” [8] In die zin is het verlenen van toegang tot procesdossiers aan iemand als betrokkene een aspect van een bredere discussie.
4.Arrest Hoge Raad over openbaarheid van rechtspraak
lopendeprocedures. Dat blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis van art. 290 lid 1 Rv Pro, waarin wordt gewezen op het belang dat de rechter niet beslist aan de hand van stukken die voor belanghebbenden onbekend zijn. [10] Voor de situatie waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben, het verkrijgen van inzage in processtukken in een afgesloten procedure, biedt art. 290 Rv Pro dus geen grondslag. [11]
lex specialisten opzichte van art. 290 Rv Pro van belang art. 811 Rv Pro. Ook art. 811 Rv Pro ziet uitsluitend op het recht op inzage of afschrift tijdens een lopende procedure. [12] Dat volgt ook uit de verwijzing in art. 811 lid 1 naar Pro art. 290 Rv Pro.
eigen rechtgeeft aan een minderjarige (die tevens belanghebbende is) op inzage en afschrift van de in de bepaling genoemde stukken. Dat betekent dat de minderjarige dit recht kan uitoefenen zonder tussenkomst van een wettelijk vertegenwoordiger of een bijzondere curator, zo is af te leiden uit een beschikking van de Hoge Raad uit 2014. Daarin werd overwogen dat
als de minderjarige niet op grond van een bijzondere wettelijke bepaling procesbekwaam is of een eigen recht is toegekend op bepaalde stukken (vgl. art. 811 lid Pro 1, aanhef en onder d, Rv), hij of zij zich daarvoor dient te wenden tot zijn of haar wettelijk vertegenwoordiger(s). [17]
in uitzonderlijke gevallen openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege kan blijven, indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Deze weigeringsgrond ziet op onvoorziene situaties waar openbaarmaking van informatie onwenselijk wordt geacht (‘onevenredige benadeling’), maar die niet onder een van de uitzonderingsgronden van art. 5.1 lid 1 of 2 valt. [20]
onverminderd het elders bij wet bepaalde”); art. 5.5 lid 1 Woo is een vangnetbepaling. [23]
gecertificeerde instellingin de procedure zijn overgelegd), kan strikt genomen geen toepassing worden gegeven aan de weigeringsgrond van art. 811 lid 2 Rv Pro. [26] Uitgangspunt is dan art. 290 Rv Pro, dat aan alle belanghebbenden een algemeen recht verschaft op inzage en afschrift van de processtukken. Een minderjarige moet zich in beginsel wenden tot zijn wettelijk vertegenwoordiger voor gebruik van dit inzagerecht. [27]
viade gemachtigde alsnog kennis kan nemen van de stukken (zie over een dergelijke constructie hierna onder 21.1 e.v.). [29] Het gaat erom dat ondanks het niet kunnen kennisnemen van de stukken door de partij zelf, toch een eerlijke procedure in de zin van art. 6 EVRM Pro kan plaatsvinden.
rechtstreeksverstrekt aan de minderjarige, zonder tussenkomst van een wettelijk vertegenwoordiger of bijzondere curator.
zeker” als hij of zij zestien jaar of ouder.
Stukken worden niet ongevraagd aan minderjarigen gestuurd en desgevraagd slechts met inachtneming van artikel 811 lid 1 en Pro onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)”. Zoals gezegd geeft art. 811 lid 1 Rv Pro minderjarigen van twaalf jaar of ouder in beginsel wel het recht op inzage en afschrift van enkele specifiek genoemde stukken (zie onder 5.3 e.v.). Verder bepaalt art. 1.1.27 van dit procesreglement: “
Belanghebbenden hebben recht op inzage in het griffiedossier van hun zaak.”
6.Andere instanties die beschikken over dossiers over betrokkene
7.Informatieverstrekking door de Raad voor de Kinderbescherming
gezin. De informatie over een bepaald persoon (kind) is daarom eigenlijk altijd verweven met informatie over andere gezinsleden. Terzijde merk ik op dat de hiervoor door de Raad in de Privacyverklaring gebruikte term ‘kinddossier’ eigenlijk niet helemaal de lading dekt, omdat het in feite een ‘gezinsdossier’ is.
ouderin het gezinsdossier. Daarmee is de context voor het afwegingskader wezenlijk anders dan bij een verzoek van een
kind, althans een volwassene die informatie wil over zijn kindertijd. Daarvoor gelden specifieke uitgangspunten, zoals hierna nog zal worden besproken.
8.Informatieverstrekking door gecertificeerde instellingen
isverleend, ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp
isvoorgesteld, of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering
isuitgesproken of de uitvoering daarvan
isvoorgesteld. [50] Daarmee blijven verplichtingen op grond van paragraaf 7.3 van de Jeugdwet relevant, ook als niet langer sprake is van (een voornemen tot het initiëren van) jeugdhulp, een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.
op grond van de zorg van een goed hulpverlener desgewenst uitleg of begeleiding” zal “
moeten geven over het uitoefenen van dit inzagerecht”. [53]
1. en schriftelijk stuk kan informatie bevatten over anderen dan degene die inzage vraagt:
gevallen waarin gevreesd moet worden voor het toebrengen van psychische schade aan de jeugdige”. [72]
9.Inzage in stukken uit afgesloten strafzaken
derde, dus ook door betrokkene, is te vinden in art. 365 lid 4 Sv Pro. De bepaling houdt in dat de voorzitter desgevraagd een afschrift van het vonnis en van het proces-verbaal van de terechtzitting verstrekt aan
ieder anderdan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de voorzitter ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het vonnis is gewezen of van de derden die in het vonnis of in het proces-verbaal worden genoemd, geheel of gedeeltelijk moet worden geweigerd. In het laatste geval kan de voorzitter een geanonimiseerd afschrift of een uittreksel van het vonnis en het proces-verbaal verstrekken.
uitspraak, en dus niet voor het verkrijgen van inzage in het (afgesloten) procesdossier (zie ook hoofdstuk 15).
griffierdie afschrift verstrekt (met een beperkte afwegingsruimte, zie hierna onder 15.1). Bij art. 365 lid 4 Sv Pro is het de
voorzittervan de strafkamer die een beslissing neemt. De voorzitter heeft wél afwegingsruimte, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis: [75]
dossier.
10.Inzage in processtukken die zijn gearchiveerd volgens de Archiefwet
blijvendworden bewaard: verzoekschrift, gedingstukken, het verweer, deskundigenberichten, stukken over zittingen en het horen van getuigen, stukken over het beëindigen van een procedure, gerechtelijke uitspraken, declaraties, correspondentie (over toevoeging), en stukken over de voorbereiding op een zitting. [82] Dit betekent dat feitelijk het gehele procesdossier wordt bewaard.
te zorgen voor laagdrempelige en onbeperkte toegang tot het eigen dossier van geadopteerden”. [87] Verder heeft de Tweede Kamer op dezelfde dag naar aanleiding van de tragedie van binnenlandse afstand en adoptie in de periode 1956-1984, waarbij moeders onder druk van de Staat hun kinderen afstonden, een motie aangenomen, eveneens met overgrote meerderheid van stemmen (145/150). Deze laatste motie verzoekt de regering onder andere het volgende: [88]
11.Erkenning van het belang van afstammingsinformatie
Afstammingsinformatie
ontstaansgeschiedenis. Dit is bepaald iets anders dan informatie over de genetische herkomst; in feite gaat het over informatie over de persoonlijke geschiedenis (waarover hierna hoofdstuk 12). Dat is een aanzienlijke verruiming van het begrip afstammingsinformatie. Waarbij dan is aan te tekenen dat de persoonlijke geschiedenis of ontstaansgeschiedenis van een kind bij draagmoederschap nog tamelijk beperkt zal zijn (zie ook de geciteerde passage uit de memorie van toelichting).
Kind en ouders in de 21ste eeuwvan de Staatscommissie Herijking Ouderschap. In dat rapport uit 2016 adviseerde de commissie om de term ‘afstammingsinformatie’ te vervangen door ‘informatie over de ontstaansgeschiedenis’. [103] Toegelicht werd dat ‘informatie over de ontstaansgeschiedenis’. naast afstammingsinformatie tevens informatie over personen en instanties bevat die betrokken zijn geweest bij het ontstaan van een kind, maar die niet genetisch verwant zijn met het kind. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de IVF-draagmoeder en de kliniek waarin de bevruchting heeft plaatsgevonden, zo schreef de commissie.
begeleiding bij dossierinzage”, terwijl tevens wordt genoemd het verstrekken van – wat ik noem –
contextuele informatie. In dit geval: het verstrekken van informatie over de betrouwbaarheid van de gegevens.
Valkenhorst I. [113] Overwogen werd dat het aan grondrechten als het recht op respect voor het privé leven, het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en het recht op vrijheid van meningsuiting ten grondslag liggende algemene persoonlijkheidsrecht, mede omvat het recht om te weten van welke ouders men afstamt. Dit recht heeft ook internationaal erkenning gevonden in art. 7 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989, zo overwoog de Hoge Raad (rov. 3.2).
X/Yuit 2022, waarin betrokkene verzocht dat een persoon van wie aannemelijk was dat het zijn verwekker was, DNA-materiaal zou afstaan. De Hoge Raad overwoog het volgende: [115]
A-G] voorop te staan, in welk verband in het bijzonder gewicht toekomt aan het antwoord op de vraag of het kind in het concrete geval belang erbij heeft dat (op dat moment) wordt vastgesteld van wie het biologisch afstamt.
12.Erkenning van het belang van informatie over de persoonlijke geschiedenis
what sort of person he or she is, what is most important, and with what or whom she identifies in securing a sense of self.’ Het is ook voor minderjarigen belangrijk om zichzelf in een verhaal te kunnen plaatsen, zowel naar zichzelf toe als naar anderen. Minderjarigen hebben behoefte ‘aan een narratieve identiteit, een coherent levensverhaal en inzicht in afstamming.’ Het persoonlijke verleden vormt een belangrijk aspect van de narratieve identiteit, met inbegrip van de afstamming. Soms wordt benadrukt dat het persoonlijke verhaal meer behelst dan afstammingskennis. Het ziet onder meer ook op aspecten uit de vroege kinderjaren, ook wel aangeduid met het brede begrip ‘ontstaansgeschiedenis’. Daaronder vallen de omstandigheden waarin een minderjarige is geboren, inclusief de redenen voor ‘afstand van het kind’, het besluit tot medisch geassisteerde zwangerschap en geboorte en adoptie. Hetzelfde geldt voor belangrijke beslissingen die tijdens de kinderjaren zijn gemaakt over de zorg over minderjarigen.”
disturbing and disruptive to their sense of self-identity. Alternativley, records may offer little towards providing an explanation for their childhood, either because the records have been lost, destroyed or withheld or because the information was never documented in the first place.”
. Biedt ondersteuning aan.
Stel de dossiers zorgvuldig samen.
Verstrek zoveel mogelijk informatie, maak zo weinig mogelijk informatie onleesbaar en geef als dat toch nodig is, uitleg.
Verstrek contextuele informatie.
Recht op informatie over de persoonlijke geschiedenis in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK)
preserve’,
A-G] implies both the non-interference in identity and the maintenance of records relating to genealogy, birth registration and details relating to early infancy that the child could not be expected to remember. Some of these are beyond the scope of the State, but measures should be taken to enforce detailed record-keeping and preservation of records (or, in the case of abandoned children, preservation of identifying items) where children are refugees, abandoned, fostered, adopted or taken into the care of the State.” [132]
14.Recht op informatie over de persoonlijke geschiedenis volgens art. 8 EVRM Pro
Gaskin v. UKuit 1987 [135] wilde de meerderjarige Gaskin toegang tot zijn dossier waarover de Liverpool City Council beschikte. Dit dossier had de Liverpool City Council aangelegd toen zij na het overlijden van zijn moeder zorgdroeg voor, de destijds minderjarige, Gaskin. Gaskin bracht zijn jeugd voornamelijk door in pleeggezinnen, waar hij meerdere malen zou zijn mishandeld. Gaskin probeerde meer informatie te verkrijgen over de omstandigheden rondom zijn verzorging en opvoeding. Het dossier van Gaskin bevatte een groot aantal documenten afkomstig van onder meer artsen, pleegouders, maatschappelijk werkers, politie. Volgens de in het VK geldende regels moest voor het verkrijgen van inzage toestemming worden gevraagd aan degenen die informatie hadden verstrekt in het dossier van Gaskin. Van de 46 betrokken personen hadden 19 die toestemming gegeven, waarna 65 van de 352 documenten uit het dossier waren verstrekt. Gaskin wilde echter toegang tot het volledige dossier.
‘the file provided a substitute record for the memories and experience of the parents of the child who is not in care’. It no doubt contained information concerning highly personal aspects of the applicant's childhood, development and history and thus could constitute his principal source of information about his past and formative years. Consequently lack of access thereto did raise issues under Art. 8.
a vital interest)om informatie te verkrijgen die noodzakelijk is om hun kindertijd en vroege ontwikkeling te kennen en te begrijpen (“
the information necessary to know and to understand their childhood and early development”). Art. 8 EVRM Pro beschermt dit essentiële recht.
the information necessary to know and to understand their childhood and early development”). Het EHRM beschouwt deze wens als een zelfstandig, legitiem doel. Mulligan concludeert dat het EHRM uitgaat van de ‘deontologische aanname’ dat mensen het recht hebben op persoonlijke ontwikkeling, waarvoor het verkrijgen van informatie over de eigen identiteit essentieel is. [139]
M.G. v. UKoordeelde het EHRM in het kader van een verzoek tot toegang tot
social service recordsover de jeugd van de verzoeker, dat er sprake was van een schending van art. 8 EVRM Pro. [140] Een adequate procedure voor toetsing van inzageverzoeken waarin belangen van verschillende personen kunnen worden afgewogen, ontbrak namelijk. Het EHRM herhaalt dat een jeugdbeschermingsdossier een vervanging vormt voor de herinneringen en ervaringen van de ouders van een kind (§ 27). In het kader van de ‘fair balance’ die moet worden bereikt tussen het algemeen belang en het belang bij informatie van betrokkene, overweegt het EHRM dat betrokkene een groot belang heeft bij inzage in de dossiers, omdat hij gedurende lange periodes in de jeugdzorg is geweest. Bovendien is betrokkene ervan overtuigd dat hij als kind misbruikt is door zijn vader en dat hij daarover zoveel mogelijk informatie nodig heeft “
to come to terms with the emotional and psychological impact of any such abuse and to understand his own subsequent and related behaviour”(§ 29). Hoewel betrokkene wel enige toegang tot zijn dossiers heeft gekregen, is er toch een schending van art. 8 EVRM Pro. In de verstrekte informatie was namelijk veel onleesbaar gemaakt, en er was geen rechtsgang voor betrokkene om daartegen bij een onafhankelijke instantie op te komen (§ 30-31).
Yonchev v. Bulgariaherhaalt het EHRM dat art. 8 EVRM Pro het recht beschermt van individuen die informatie wensen te verkrijgen die noodzakelijk is om hun jeugd en vroege ontwikkeling te kennen en te begrijpen. Het EHRM benadrukt opnieuw dat de verdragsstaten moeten voorzien in een effectieve en toegankelijke procedure waarmee toegang tot die informatie kan worden verkregen: [141]
Roche v. the United Kingdom[GC], no. 32555/96, § 157, ECHR 2005‑X).
With regard to access to personal data held by the public authorities, with the exception of information related to national security considerations (see
Leander v. Sweden, 26 March 1987, § 51, Series A no. 116),
the Court has recognised a vital interest, protected by Article 8 of the Convention, of persons wishing to receive information necessary to know and to understand their childhood and early development(see
Gaskin, cited above, § 49) or to trace their origins, in particular the identity of their natural parents (see
Odièvre v. France[GC], no. 42326/98, § 41-47, ECHR 2003‑III), information concerning health risks to which interested persons had been exposed (see
Roche, cited above, § 161;
McGinley and Egan v. the United Kingdom, 9 June 1998, § 99, Reports of Judgments and Decisions 1998‑III;
Guerra and Others v. Italy, 19 February 1998, § 60, Reports 1998‑I), or information about a person’s records created by the secret services during the period of a totalitarian regime (see
Haralambie v. Romania, no. 21737/03, §§ 87-89, 27 October 2009, and
Joanna Szulc v. Poland, no. 43932/08, § 87, 13 November 2012).
In these contexts, the Court held that the respondent State’s positive obligation under Article 8 of the Convention required it to provide an effective and accessible procedure enabling the applicants to have access to all relevant and appropriate information necessary for the specific purposes described above(see
Roche, § 162,
Haralambie, § 86,
Joanna Szulc, §§ 86 and 94, all cited above).”
essentieelbestempelde belang van mensen om desgewenst toegang te krijgen tot persoonlijke informatie die bij overheidsinstanties is bewaard, die hen helpt hun kindertijd en vroege ontwikkeling te kennen en te begrijpen. Art. 8 EVRM Pro beschermt dit essentiële recht.
essentieelgenoemd, omdat mensen die informatie nodig hebben om de eigen kindertijd en persoonlijke ontwikkeling te kennen en te begrijpen. Het recht is niet absoluut, maar moet worden afgewogen tegen andere rechten, waaronder de rechten van derden en een mogelijk algemeen belang, zo blijkt uit de richtinggevende uitspraak
Gaskin.
Gaskinvolgt ook dat het nationale recht moet voorzien in procedures waarin het recht op informatie over de eigen kindertijd geldend kan worden gemaakt. Daarbij moet er een onafhankelijke autoriteit zijn die een belangenafweging kan maken wanneer een betrokken derde weigert toestemming te geven voor het verstrekken van informatie.
nietvoorziet in een grondslag voor informatieverstrekking in jeugdbeschermingsdossiers, omdat deze wet niet van toepassing is op gerechten (zie onder 5.11). Verder is te herhalen dat art. 290 Rv Pro en art. 811 Rv Pro (uitvoerig besproken in hoofdstuk 5) alleen betrekking hebben op inzage van stukken in
lopendeprocedures. Aan deze bepalingen kan dus geen recht tot inzage in afgesloten procesdossiers worden ontleend (zie ook onder 5.2).
15.Art. 29 lid 2 Rv Pro
een ieder. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat er geen belang hoeft te worden gesteld bij het verkrijgen van een afschrift en dat partijen niet in kennis hoeven te worden gesteld van een verzoek om afschrift en de beslissing daarop. [143] Anders dan bij het verkrijgen van een strafrechtelijke uitspraak hoeft een verzoeker dus niet te motiveren waarin hij het afschrift wil (vgl. hoofdstuk 9).
afgeslotenprocedures. Maar dat volgt ook al uit het feit dat een vonnis, arrest of beschikking het sluitstuk van een procedure is, die (behoudens tussenuitspraken of het aanwenden van rechtsmiddelen) per definitie afgesloten is op het moment van het wijzen van het vonnis, arrest of de beschikking. Aangezien er geen termijnen zijn opgenomen in art. 29 Rv Pro, moet worden aangenomen dat het recht op afschrift ook nog bestaat als er – zoals in de voorliggende zaak – al vele jaren zijn verstreken.
16.Art. 838 Rv Pro
lex specialis. Dat betekent dat art. 838 Rv Pro in zoverre als zodanig geen recht op openbaarmaking van gegevens creëert. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke uitspraken (art. 365 lid 4 en Pro 5 Sv) en bestuursrechtelijke uitspraken (art. 8:79 Awb Pro). Art. 838 Rv Pro is echter wel relevant voor tuchtrechtelijke uitspraken. [151]
17.Inzagerecht (art. 843a Rv en art. 194 Rv Pro (nieuw))
Bewijsbeslag FIOD). [155] Daarin overwoog de Hoge Raad dat de bijzondere regelingen in de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) “
als zodanig niet in de weg staan”aan het moeten van verschaffen van inzage, afschrift of uittreksel op grond van art. 843a Rv (rov. 3.2.3). [156] Wel, zo vervolgt de rechtsoverweging, kunnen de overwegingen die onder de Wpg of Wjsg tot de uitkomst leiden dat met betrekking tot bepaalde gegevens geen recht bestaat op verstrekking, gewichtige redenen opleveren als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv. In dat geval behoeft geen inzage, afschrift of uittreksel te worden gegeven.
Lightning Casinouit 2004 oordeelde de Hoge Raad immers reeds dat voor de beantwoording van de vraag of er gewichtige redenen zijn om in een rechterlijke procedure gegevens niet te hoeven verstrekken omdat deze vertrouwelijk zouden zijn, op zichzelf niet beslissend is of de rechter in het kader van een procedure op grond van de op de Antillen geldende Landsverordening openbaarheid van bestuur, de weigering om die gegevens openbaar te maken gegrond heeft geoordeeld. [158] Met andere woorden, elke wettelijke regeling heeft zijn eigen afwegingskader.
verzoek) kan worden ingesteld tot het verkrijgen van inzage of afschrift van een afgesloten procesdossier, zoals aan de orde in de voorliggende zaak. M.i. is dat niet het geval. Gezien het feit dat de relevante bepalingen uit Rv (art. 29 Rv Pro en art. 290 Rv Pro, besproken in hoofdstuk 5 en 15) géén inzage in procesdossiers in afgesloten procedures toelaten, is er m.i. geen ruimte om via de weg van art. 843a Rv inzage of afschrift te verkrijgen van procesdossiers in afgesloten procedures. Althans geldt dit bij verzoeken zoals die van betrokkene. Van verschillende afwegingskaders lijkt mij geen sprake te zijn, nu de bepalingen uit Rv hoe dan ook geen mogelijkheid tot enige afweging bieden. Voor de gedachte dat art. 843a Rv hier niet kan worden ingeroepen, is ook een aanwijzing te vinden in de eerder genoemde uitspraak van de Hoge Raad waarin een advocaat informatie wilde over alle procedures waarin een bepaald persoon als partij betrokken is of was geweest (zie hierover hoofdstuk 4). In die uitspraak is niet gerefereerd aan het inzagerecht van art. 843a Rv. [162]
specifiekewettelijke bepalingen bestaan. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt namelijk dat is aangenomen dat voor het verstrekken van informatie die berust bij gerechten, een
lex specialisgeldt, namelijk de specifieke regelingen over openbaarheid en vertrouwelijkheid van uitspraken en processtukken: [163]
lex specialisgeldende – bepalingen in Rv (‘andere regels om openbaarheid en transparantie te garanderen’). Ik ga ervan uit dat daarmee gedoeld is op art. 29 en Pro art. 290 Rv Pro (en wellicht ook op het beginsel van hoor en wederhoor). Die bieden, als gezegd, geen grondslag voor inzage in afgesloten procesdossiers. Art. 29 gaat Pro alleen over het verkrijgen van afschrift van een rechterlijke uitspraak en art. 290 Rv Pro ziet enkel op het verkrijgen van inzage of afschrift van stukken in lopende procedures.
kanleiden tot een gewichtige reden in de zin van art. 843a Rv (zie onder 17.3 e.v.). Daarmee blijft er altijd ruimte voor afweging. De nieuwe bepaling lijkt die afweging niet, of in veel mindere mate, te geven. De achterliggende gedachte is wellicht geweest dat de Woo niet moet kunnen worden omzeild door een beroep te doen op art. 194 Rv Pro. Met andere woorden, het moet niet zo zijn dat informatie die op grond van de Woo slechts gedeeltelijk openbaar hoeft te worden gemaakt (en bepaalde passages mogen worden weggelakt), op grond van art. 194 Rv Pro toch integraal zou moeten worden verstrekt, zonder onleesbaar gemaakte passages.
18.De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)
de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen” (art. 2 lid 1 AVG Pro). Volgens de definitie gegeven in art. 4, onder 6, AVG is een ‘bestand’:
elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid. Bij een ‘bestand’ gaat het dus om een niet geautomatiseerde (handmatige) gegevensverwerking. [169] De AVG is dus niet op álle papieren gegevensverwerking van toepassing, maar alleen als deze volgens bepaalde criteria zijn gestructureerd.
Jehova’s getuigenheeft het HvJ gepreciseerd dat de AVG alleen van toepassing is als de (papieren) gegevens zijn gestructureerd “
volgens specifieke criteria die het in de praktijk mogelijk maken deze gegevens gemakkelijk terug te vinden voor een later gebruik ervan.” [170]
FT/DWuit 2023 geoordeeld dat de betrokkene geen redenen behoeft op te geven voor zijn inzageverzoek: [171]
alleinformatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (de betrokkene). Het begrip ‘persoonsgegevens’ is hiermee ruim. In de zaak
Nowakheeft het HvJ EU met betrekking tot Richtlijn 95/46 overwogen dat dit begrip
Nowak-arrest vervuld als die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een persoon. [175] Een persoonsgegeven is aldus ieder gegeven dat direct of indirect herleidbaar is tot een natuurlijke persoon. Volgens het HvJ zijn echter op zich géén persoonsgegevens: juridische
analysesdie gebaseerd zijn op persoonsgegevens. [176]
a contextual assessment should shed light on the effect or result an information may have on an individual and thus the scope of the right of access”. [177]
in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is.
As a result, the controller might need to supply the data subject with additional information that explains the data provided”). Daarmee legt de AVG een
zorgplichtmet betrekking tot de beknoptheid, begrijpelijkheid en toegankelijkheid van de informatie op de verwerkingsverantwoordelijke. De zorgplicht geldt in het bijzonder bij kinderen en andere kwetsbare personen. [179] Verder moet de informatie op een eenvoudig toegankelijke manier worden verstrekt.
faciliteren, zo volgt uit art. 12 lid 2 AVG Pro. Dit betekent – zo is te lezen in de considerans § 59 – dat hij ervoor moet zorgdragen dat er is voorzien in regelingen om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten uit hoofde van de AVG gemakkelijker uit te oefenen, zoals mechanismen om te verzoeken om met name inzage in en rectificatie of wissing van persoonsgegevens en, indien van toepassing, deze gratis te verkrijgen, alsmede om het recht van bezwaar uit te oefenen.
filing system”) zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen, in ieder geval voor zover het niet gaat om strafzaken (art. 2 lid Pro 1-2 AVG). [181] Ook de handmatige (niet-geautomatiseerde) verwerking van persoonsgegevens die zijn opgenomen in volgens specifieke criteria gestructureerde (verzamelingen van) dossiers, zijn een verwerking in de zin van de AVG. [182]
FT/DWheeft het HvJ geoordeeld dat het recht op een kopie onder omstandigheden inhoudt dat een verwerkingsverantwoordelijke afschriften van de originele documenten waarop de persoonsgegevens genoteerd zijn, moet verstrekken: [185]
de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen(onder i). Op de bescherming van de betrokkene zal hierna worden ingegaan (zie onder 18.39 e.v.).
mogelijkheiddat de rechten of vrijheden van derden worden geraakt door de uitoefening van het inzagerecht van een betrokkene, is echter niet voldoende. De verwerkingsverantwoordelijke moet
aantonendat die rechten of vrijheden
daadwerkelijkworden getroffen (“
would, in fact, be impacted”). Zie de Guidelines, met een voorbeeld over het recht op inzage in kinderbeschermingsdossiers die berusten bij een “
youth welfare office”: [188]
gedetailleerde beoordelingmoet dus bekeken worden of er sprake is van een
concreteaantasting van de rechten van derden. Vervolgens zal (i) moeten worden bepaald hoe zwaar die belangen in het concrete geval wegen, en zal (ii) zo nodig moeten worden getracht om de conflicterende rechten toch te verzoenen, bijvoorbeeld door het weglakken van een naam. Pas als dat niet mogelijk blijkt te zijn, moeten (iii) het belang van verzoeker moeten worden afgewogen tegen de belangen van de derden en moet beoordeeld worden welk belang het zwaarste wegen.
FT/DW.Overwogen werd dat een beperking (van het inzagerecht) de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden onverlet laat en een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van die bescherming. [189] Een beperking van het inzagerecht op grond van een van de in art. 23 lid 1 opgesomde Pro belangen, moet dus steeds worden getoetst aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid.
should be seen as exceptions to the general rule allowing the exercise of rights and imposing the obligations enshrined in the GDPR. As such, restrictions should be interpreted narrowly, only be applied in specifically provided circumstances and only when certain conditions are met.” [191] De mogelijkheid om op grond van art. 23 AVG Pro (onder meer) inzagerechten te beperken, moet dus eng worden geïnterpreteerd. [192] Herhaald wordt dat “
restrictions that are extensive and intrusive to the extent that they void a fundamental right of its basic content, cannot be justified”(vgl. onder 18.25 e.v.). [193]
voorafaan de proportionaliteitstoets; als die niet wordt gepasseerd wordt niet toegekomen aan proportionaliteit. Bovendien geldt dat de noodzakelijkheidstoets strikt moet worden ingevuld; een beperking moet ‘strikt noodzakelijk’ zijn met het oog op de in art. 23 AVG Pro genoemde belangen. [195]
19.Gegevensverwerking bij de gerechten in procesdossiers
Gerechten en de AVG
onder meer van toepassing is op de activiteiten van gerechten en andere rechterlijke autoriteiten”.
X/Autoriteit Persoonsgegevensoordeelde het HvJ dat het tot de uitoefening door een gerecht van zijn ‘rechterlijke taken’ in de zin van deze bepaling behoort om uit een gerechtelijke procedure afkomstige stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen tijdelijk ter beschikking te stellen aan journalisten om hen in staat te stellen beter verslag te doen van het verloop van die procedure. [200]
per definitie, aldus A-G Bobek in zijn conclusie voor de eerder genoemde zaak
X/Autoriteit Persoonsgegevens– een ‘bestand’ in de zin van art. 4, punt 6, AVG is, omdat het een gestructureerd geheel van (persoons)gegevens vormt die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn. [202] Daarmee vallen procesdossiers onder het materiële toepassingsbereik van de AVG (vgl. hiervoor onder 18.3 e.v.).
U heeft de volgende rechten met betrekking tot de verwerking van uw persoonsgegevens:
Recht op informatie over welke persoonsgegevens de Rechtspraak over u registreert
Recht op inzage in registraties of zaaksdossiers met uw persoonsgegevens
Recht op correctie, beperking of verwijdering van persoonsgegevens
Recht op overdraagbaarheid van persoonsgegevens
Recht om u te verzetten tegen de verwerking van persoonsgegevens
Recht op intrekken van toestemming voor verwerking
Recht om een klacht in te dienen over de verwerking van persoonsgegevens
per post sturen naar het gerecht waar uw rechtszaak diende of naar de Raad voor de rechtspraak t.a.v. de coördinator informatieverzoeken. De Rechtspraak mag u op basis van dit formulier alleen informatie verstrekken over uw eigen persoonsgegevens en niet over andere betrokkenen.
afgeslotenrechtszaken.
ten behoeve van de behandeling van een rechtszaakeen grondslag kan worden gevonden in art. 6 lid Pro 1, aanhef en onder e, AVG (uitoefening taak van openbaar belang), in verbinding met art. 23 RO Pro. Dit volgt uit de eerder besproken uitspraak van de Hoge Raad over openbaarheid van rechtspraak (zie par. 4). [205] Het is recentelijk bevestigd door de vierde kamer van de Hoge Raad, naar aanleiding van een vordering van de procureur-generaal ten aanzien van de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens door de gerechten in het E-archief. [206] De uitspraak sluit aan bij een eerdere uitspraak van het HvJ over de verwerking van persoonsgegevens door gerechten. [207]
verdere verwerkingvan persoonsgegevens in de zin van art. 5, lid 1 onder b, en art. 6 lid 4 AVG Pro. [208] Daarvoor is in beginsel vereist dat het doel van de verdere verwerking niet onverenigbaar is met het doel van de oorspronkelijke verwerking (het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van de behandeling van een rechtszaak). Voor het verstrekken van inzage of afschriften in gevallen als het onderhavige is het echter niet nodig om na te gaan of deze verwerking onverenigbaar is met het doel van de oorspronkelijke verwerking. Het verstrekken van inzage in processtukken of afschriften daarvan buiten de behandeling van een rechtszaak op grond van art. 15 AVG Pro berust hier namelijk op de toestemming van verzoeker en beschermt de rechten en vrijheden van verzoeker. Op grond van art. 6 lid 4 AVG Pro in verbinding met nr. 50 van de preambule van de AVG is het dan niet nodig om na te gaan of het doel van deze verdere verwerking onverenigbaar is met het doel van de oorspronkelijke verwerking. In dit verband geldt art. 15 AVG Pro als een Unierechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23 lid 1 AVG Pro bedoelde doelstelling “
de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen” (in de zin van art. 6 lid 4 AVG Pro).
Toepassing van de AVG op verzoeken om inzage/afschrift in een afgesloten jeugdbeschermingsdossiers
loopterecht. Wellicht is het het meest praktisch om, als de derde hier een punt van maakt, hem of haar op te roepen voor een mondelinge behandeling en het daar te bespreken.
zelfbetrekking hebben, en dat tot doel heeft om informatie te krijgen over de eigen kindertijd.
kopievan de bedoelde dossiers (en niet slechts een uittreksel), omdat een kopie van het dossier noodzakelijk is om de verwerkte persoonsgegevens in hun context te plaatsen en aldus de begrijpelijkheid van die gegevens voor betrokkene te waarborgen (zie hiervoor onder 18.19 e.v.). Hierbij moet bedacht worden dat het doel dat betrokkene nastreeft met het verkrijgen van inzage, bij uitstek gericht is op het verkrijgen van begrijpelijke gegevens, die hem inzicht kunnen bieden in zijn vroege kinderjaren.
essentieelbestempelde – recht op informatie over de eigen geschiedenis (zie hoofdstuk 14). Zoals besproken moeten beperkingen op het recht op inzage in persoonsgegevens in overeenstemming zijn met het EHRM-kader (zie onder 18.32). Ook het IVRK erkent het recht op informatie over de eigen persoonlijke geschiedenis (zie hoofdstuk 13).
gedetailleerde beoordelingmoeten worden beoordeeld of er sprake is van een
concreteaantasting van de rechten of belangen van derden, en hoe ernstig die aantasting in het concrete geval is, gelet op alle omstandigheden van het geval (zie onder 20.5). Als er een concrete aantasting van rechten van derden dreigt zal eerst moeten worden getracht de conflicterende belangen te verzoenen (zie onder 18.30). Pas als dat niet mogelijk is wordt toegekomen aan een belangenafweging. Daarbij moet steeds worden gekeken of een mogelijke beperking voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit (zie onder 18.27 e.v.).
gedetailleerde beoordelingmoeten worden beoordeeld of er sprake is van een
concreteaantasting van de rechten of belangen van die derden. Vervolgens zal moeten worden bepaald hoe zwaar die belangen in het concrete geval wegen, en zal zo nodig moeten worden getracht om de conflicterende rechten toch te verzoenen, bijvoorbeeld door het weglakken van een naam. Pas als dat niet mogelijk blijkt te zijn, moeten de belangen van betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de derden (behoudens instemming van de derden).
21.Wijze van verstrekking van de dossiers
. Biedt ondersteuning aan:
Stel de dossiers zorgvuldig samen.
Verstrek zoveel mogelijk informatie, maak zo weinig mogelijk informatie onleesbaar en geef als dat toch nodig is, uitleg.
Verstrek contextuele informatie
eerste en vierdeaandachtspunt, ondersteuning en contextuele informatie, zou een mogelijkheid kunnen zijn dat aan betrokkene wordt gevraagd om een voorstel te doen voor aanwijzing van een derde (analoog aan art. 22a lid 1 Rv, zie onder 5.19 e.v.), aan wie het dossier wordt verstrekt en die de betrokkene ondersteunt bij de kennisneming van de informatie. Idealiter zou die derde ook contextuele informatie moeten kunnen verschaffen (bijvoorbeeld over de manier waarop de rechtbank een verzoek om een beschermende maatregel toetst). Mogelijk zouden de gerechten ook een informatieblad kunnen opstellen, dat als (juridische) handleiding bij de raadpleging van het dossier door iemand als betrokkene kan fungeren.
tweedeaandachtspunt ligt er wel een taak bij de gerechten. Een zorgvuldige samenstelling van het dossier impliceert dat het goed gesorteerd is en geen rommeltje; dat er geen strepen of aantekeningen van rechters in staan.
22.Beantwoording van de prejudiciële vragen
vraag Abeantwoord.
weleen grondslag voor informatieverstrekking uit een procesdossier, namelijk wanneer het gaat om inzage in de eigen persoonsgegevens (art. 15 AVG Pro, zie onder 18.5-18.22). Hiermee is
vraag Bbeantwoord.
vraag Cwordt gevraagd of iemand die als belanghebbende tijdens de procedure minderjarige was “maar niet processueel bekwaam vanwege zijn of haar minderjarigheid”, recht op inzage of afschrift heeft zodra hij of zij meerderjarig is geworden.
anderen(aantasting persoonlijke levenssfeer van derden bij kennisneming). Maar het kan ook gaan om de bescherming van de belangen van
betrokkene zelf(vrees voor gevaar aantasting lichamelijk of geestelijke gezondheid door kennisneming).
essentieelbestempelde – recht op informatie over de eigen geschiedenis (zie hoofdstuk 14). Het recht op inzage in eigen persoonsgegevens moet in overeenstemming zijn met het EHRM-kader (zie onder 18.32).
gedetailleerde beoordelingmoeten worden beoordeeld of er sprake is van een
concreteaantasting van de rechten of belangen van derden, en hoe ernstig die aantasting in het concrete geval is, gelet op alle omstandigheden van het geval (zie onder 20.21), tenzij deze derden instemmen met inzage. Het enkele gegeven dat in bijna alle dossiers stukken zitten waarin de persoonsgegevens van betrokkene zijn verweven met die van andere familieleden, maakt op zichzelf niet dat deze informatie moet worden verwijderd (zie onder 20.23).
vraag Ewordt gevraagd of het doel van het verzoek om inzage of afschrift van belang is, bijvoorbeeld voor een verwerkingsproces of voor het doen van een schadevergoedingsverzoek.
vraag Fwordt gevraagd of er een onderscheid moet worden gemaakt tussen procedures die de destijds minderjarige zelf betroffen (bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling) en procedures die tussen de ouders onderling dan wel tussen (een van) hen en de jeugdzorginstantie werden gevoerd.
lopende procedures(zie onder 5.10 e.v.). Van belang is met name art. 5.1, lid 2 onder e, Woo, dat verwijst naar de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden. Inhoudelijk is de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden inderdaad betrokken bij verzoeken om inzage in procesdossiers. Formeel loopt die bescherming niet via de Woo, maar via art. 15 lid 4 AVG Pro en art. 23 lid Pro 1, onder i, van de AVG (zie onder 18.23 e.v.).
vraag Hin in hoeverre art. 8 EVRM Pro een rol speelt bij de beoordeling van verzoeken tot inzage.