Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Rechtsingang
4.Beoordeling van het middel in het principale beroep
5.Beslissing
15 maart 2024.
Hoge Raad
De werknemer was meer dan 32 jaar in dienst bij ROC en viel in maart 2016 uit wegens arbeidsongeschiktheid. Na loondoorbetaling tot maart 2019 ontving hij een WGA-uitkering. In juni 2019 deed hij een voorstel tot beëindiging van het dienstverband met toekenning van een transitievergoeding van €81.000, dat ROC afwees vanwege reële re-integratiemogelijkheden.
Het hof bevestigde dat ROC een gerechtvaardigd belang had bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst omdat passende administratieve werkzaamheden waren aangeboden. De werknemer ging hier niet op in en de arbeidsovereenkomst eindigde in juli 2020 bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
De Hoge Raad oordeelde dat het peilmoment voor de beoordeling van het gerechtvaardigd belang de datum is waarop het beëindigingsvoorstel is gedaan (7 juni 2019) en niet de datum van het einde van de loondoorbetalingsverplichting (7 maart 2019). Feiten voor en na dit moment mogen meewegen. Het cassatieberoep werd verworpen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen en ROC wordt niet veroordeeld tot schadevergoeding.